Holland Festival: Toneel

De boosaardige Brecht

Het toneelgezelschap Berliner Ensemble dat Bertolt Brecht in 1949 oprichtte, is nooit in Nederland geweest. Ze komen nu naar het Holland Festival met de Hitler-farce Arturo Ui. In de regie van Heiner Müller. Een productie die de hele wereld over ging.

Medium der aufhaltsame aufstieg des arturo ui 06

Eind 1994 krijgt de toneelspeler Martin Wutt­ke (Gelsenkirchen 1962) een telefoontje van de artistiek leider van het Berliner Ensemble, schrijver en regisseur Heiner Müller. Die heeft besloten om het repertoire van het gezelschap te herschikken onder de noemer Shakespeare-Brecht-Müller. Als opening is de Müller-tekst Anatomie Titus Fall of Rome: Ein Shakespeare Kommentar voorzien. Of ­Wuttke daarin mee wil spelen. En meteen ook het ensemble versterken. Dat wil Wuttke wel. Ongeacht welke rol hij mag spelen in Müllers sterke bewerking van Shakespeare’s gruwelstuk Titus Andronicus. Korte tijd later is Müller opnieuw aan de telefoon. De erven Brecht hebben hem de rechten gegeven van het Hitler-stuk Arturo Ui, een favoriete tekst van Müller. Dat gaan ze nu eerst doen. Zegt hij. Of Wuttke voelt voor de titelrol. Wuttke zegt ja. Na lezing van de tekst denkt Wuttke nee: ‘Ik vond het stuk zacht uitgedrukt niet erg prikkelend. Een soort toneelvehikel uit een lang vervlogen tijd, dat je gewoonlijk in een Probebühne (kleine zaal – lz) wegmoffelt.’ Daar is-ie op teruggekomen.

De repetities beginnen op 17 maart 1995 en de eerste weken zijn voor Martin Wuttke een verschrikking. ‘Niemand speelde met mij, ze keken voortdurend in hun tekstboek en draaiden zich weg als ik hen aankeek. Na veertien dagen ben ik naar Müller gestapt. En heb hem gevraagd: is dat een soort principe hier, níet met elkaar spelen? Heeft het iets te maken met dat ik uit het Westen kom? Of lijd ik aan een of andere vorm van achtervolgingswaan? Müller antwoordde: nö, die doen altijd zo. Oké, riep ik toen, dan zweet ik me er wel doorheen. Maar dan doe ik ook geen poging meer om samen te spelen. Ik speel gewoon voor mezelf. En jij moet in die waanzin dan maar een soort ordening scheppen. Goed, zei Müller, zo gaan we het doen. Vanaf dat moment ben ik te voet van mijn huis in Berlijn Wilmersdorf dwars door Tier­garten naar de Bertolt Brecht Platz gelopen. En tijdens de anderhalf uur durende wandeling heb ik die krankzinnige versregels geleerd. De taal was het enige waaraan ik me kon vastgrijpen.’


Ergens begin april 1995 schrijft de inspeciënt van het ensemble, Werner Roloff, in zijn script: ‘Wat wil Heiner met deze Ui? En wat staat die gek van Wuttke daar in godsnaam te spelen?’ Dan volgt de vijftiende repetitie van de in totaal 59. Heiner Müller heeft iedereen weggestuurd, behalve de regie-assistent en de inspeciënt. Martin Wuttke speelt scène zeven. De gangsterbaas Arturo Ui (lees: Hitler) heeft zojuist van een oude toneelspeler les gehad in spreken in het openbaar. Hij houdt in deze scène zijn eerste afgetrainde redevoering. Werner Roloff schrijft in het inspeciëntenboek: ‘Wuttke doet de helft van de tekst. Maar als hij dít volhoudt, dan wordt het wunderbar. Ik ben overtuigd. Dit werkt!’ Niemand kan op dat moment vermoeden dat Der aufhaltsame Aufstieg des Arturo Ui van Bertolt Brecht in de regie van Heiner Müller een soort wederopstanding van het gezelschap én de eerste echte doorbraak én de eerste kaskraker gaat worden voor het Berliner Ensemble ná de val van de Berlijnse Muur.

Wuttke wordt in 1996 voor de rol van gangsterbaas Arturo Ui door de Duitse theater­critici gekozen tot toneelspeler van het jaar. Eind 2003 zijn ondertussen twee legendarische (en in de nazi-jaren nogal ‘foute’) gastacteurs in deze voorstelling, Bernhard Minetti en Marianne Hoppe, op hoge leeftijd gestorven. Heiner Müller is ook al acht jaar dood. De teller staat eind 2003 op 314 voorstellingen. Arturo Ui is dan, behalve in Berlijn en München, al gespeeld in Avignon, Bombay, Buenos Aires, Calcutta, Caracas, Istanbul, Lissabon, Los Angeles, Lyon, Milaan, Moskou, New Delhi, San Francisco en São Paulo. En er lijkt nog lang geen einde aan de serie te komen. Waarschijnlijk heeft Martin Wuttke het ook aan die imposante Ui-_tournee te danken dat Quentin Tarantino hem in 2008 vraagt voor de rol van Hitler in zijn film _Inglourious Basterds.

Als de Berlijnse Muur in 1989 valt is er maar één groot toneelgezelschap dat in die val dreigt te worden meegesleurd: het Berliner Ensemble. Alle andere grote toneelhuizen in Oost-Berlijn, hoofdstad van de ineenstortende Deutsche Demokratische Republik, hebben in de voorbije jaren regime-kritische stukken geprogrammeerd. De grote en doorslaggevende demonstratie op 4 november 1989 op Alexanderplatz is voor een belangrijk deel vanuit de Oost-­Berlijnse toneelhuizen georganiseerd. Alleen het ‘Brecht-Mausoleum’ aan de Schiffbauerdamm is in dat roerige najaar terughoudend gebleven. De Stasi heeft natuurlijk zijn vertakkingen in alle toneelensembles (zie de speelfilm Das Leben der Anderen), maar het Berliner Ensemble valt de twijfelachtige eer toe dat de artistiek directeur zelf, intendant Manfred Wekwerth, van 1986 tot 1990 prominent lid is van het Centraal Comité van de regerende eenheidspartij sed én voorzitter van de Oost-Berlijnse Akademie der Künste, een lobbyclub. Dus een van de machtigste cultuurpolitici van de ddr. Uit die laatste functie treedt hij overigens na de Wende meteen terug (om plaats te maken voor Heiner Müller). Als artistiek leider van het Berliner Ensemble neemt hij pas in 1991 ontslag.

In dat rampjaar duiken er pijnlijke claims op die gaan over de grond waarop het Berliner Ensemble staat. Joodse claims om precies te zijn. Die teruggaan naar vóór 1938 (toen het eigendomsrecht van de grond ‘arisiert’ werd) en ook naar vóór 1953, toen de percelen en het erop gebouwde onroerend goed door de ddr onder ‘staatliche Zwangsverwaltung’ werden geplaatst ‘zur Aufführung von Bühnenwerken’. Het Berliner Ensemble wordt in dat rampjaar 1991 omgebouwd tot een privaatrechtelijke onderneming bestuurd door een maar liefst vijfkoppige directie. Waarin de westers georiënteerde sterregisseur Peter Zadek een burgeroorlog uitvecht met de alte Kameraden uit de Brecht-­traditie: Fritz Marquardt, Peter Palitzsch, Matthias Langhoff en… Heiner Müller. Na enkele gelukte en nogal veel mislukte voorstellingen (waarin Brecht vooral opvalt door afwezigheid) en veel slaande deuren, blijft in 1994 Heiner Müller (1929-1995) als enig directielid over. De zakelijk directeur van het Berliner Ensemble, Peter Sauerbaum, schrijft op 1 januari 1995 in zijn dagboek: ‘Het faillissement klopt op de deur. We moeten unbedingt een kaskraker hebben! Vanuit marketingstandpunt gedacht: wat verwacht het publiek van het Berliner Ensemble? Brecht! En indien niet daar, waar dan? En indien niet Arturo Ui, wat dan?’

Heiner Müller was in 1951 als hondsbrutale snotneus (zijn eigen woorden) van 22 voor het eerst bij Brecht langs gegaan om hem zijn poëzie te laten lezen. Müller: ‘Brecht bladerde erdoorheen en zei: interessant, en waar leeft u van?’ Müller ging bij het Berliner Ensemble werken en werd uiteindelijk een van de belangwekkendste toneelschrijvers van de ddr. Met als belangrijke stukken Der Auftrag, Mauser en Quartett. In het najaar van 1989, waarin de ddr, een staat die hij nooit wenste te verlaten, definitief ineenstortte, maakte Müller bij het Deutsches Theater in Oost-Berlijn een zes uur durende voorstelling van Hamlet in combinatie met zijn meest legendarische tekst, Hamlet­maschine, in de ddr dan nog altijd verboden. Als er iemand na de Wiedervereinigung op zijn plaats is in de torenkamer aan Bertolt Brecht Platz 1 is het Müller.

Zijn verhouding tot Brecht is overigens altijd een ambivalente geweest. Van de klassieke Brecht, de auteur van grote epische drama’s als Mutter Courage, Kaukasische Kreidekreis en Gute Mensch von Sezuan hield hij niet. Die robuuste, quasi-heldere, belerende en analytische Brecht noemde Müller ‘römisch’, wat zowel ‘romeins’ als ‘rooms’ betekent. Wat hem vooral interesseerde was de donkere kant van Brecht, het ruige jeugdwerk, maar ook het onvoltooid gebleven Untergang des Egoisten Fatzer. Müller: ‘En vooral ook de anti-Hitler-teksten. Hitler was Brechts droomvijand. In de anti-Hitler-­teksten steekt de gotische Brecht. Die Brecht is op z’n best als hij boosaardig is, verscheurd. Brechts beroemde vriendelijkheid is Programm-Musik.’

De weerstaanbare opkomst van Arturo Ui, zoals de titel van het stuk meestal wordt vertaald, is in eerste opzet in maart 1941 binnen drie weken door Brecht in Finse ballingschap geschreven. Het is een parabelstuk. De politieke wordingsgeschiedenis van Adolf Hitler en zijn partij tussen 1932 en 1938 (de Anschluss met Oostenrijk) wordt getoond aan de hand van de opkomst van de gangsterbaas Arturo Ui in Chicago en zijn geslaagde poging om die stad én het aangrenzende Cicero in zijn invloedssfeer te krijgen en te houden. De café-uitbater annex lokale politicus Dogsborough in het stuk staat voor president Hindenburg. De gangsters Ui, Roma, Giri en Givola staan voor Hitler, SA-baas Röhm, Göring en Goebbels. De bloemkooltrust vertegenwoordigt de Pruisische landadel en de industriëlen. De groentenhandelaren zijn de Duitse kleinburgers die Ui uiteindelijk steunen. Het proces tegen de pyromanen die de magazijnen van die kleinburgers in de hens steken staat voor het Rijksdagbrand-proces tegen onze eigen Marinus van der Lubbe en zijn maten. Het stuk is echter geen geschiedenisles. Het is een theatraal vertoog over het mechaniek van een rechtse staatsgreep. Gemaakt met een variété-achtige vorm en in een van Shakespeare geleende ‘grote stijl’. Het stuk is in feite Brechts variant op Richard de Derde. Geschreven in kreupele (‘verloederd’ noemde Brecht ze) jambische verzen, Knittelverse. Waarover de auteur met zijn Mitarbeiterin (en maîtresse) Margarete Steffin nog een hoop ruzie heeft gemaakt. Zíj wilde die verzen ‘glad’. Hij wilde ze ‘storend slordig’.

Heiner Müller valt in 1995 vooral voor de kwaadaardigheid van vorm fabel. Müller: ‘De subtekst van Arturo Ui is voor mij het boosaardige karakter van het stuk. Brechts fascinatie voor het grimlachende Kwaad. Er is een scène waarin Givola alias Goebbels de oude kameraad van Arturo Ui, Roma alias SA-chef Röhm, de dood in stuurt. Givola schreeuwt: “Mein Bein ist kurz, wie? So ist dein Verstand./ Jetzt geht mit guten Beinen an die Wand!” Dat is Brecht at its best.’

De proloog van het stuk laat Müller in zijn enscenering weg. Hij heeft veel in zijn ogen overbodige ruis en rommel geschrapt. Het stuk is teruggebracht tot zijn gewelddadige, cynische, harde kern. Müller formuleert die essentie in interviews en pamfletten in 1995 als volgt: ‘Hitler was een Duitse herdershond die iedereen, ook de geallieerde legeraanvoerders die hem later bestreden, aan een lange lijn heeft laten hollen, zodat hij het communisme of het kapitalisme kon doodbijten. Toen de hond wild werd moest-ie worden afgemaakt.’

Als het doek opgaat zingt Dieter Fischer-Dieskau Erlkönig (Goethe/Schubert). Over de speelvloer kronkelt een jongeman, bloot bovenlijf, punky haarlok. Zijn rood geverfde tong hangt ver uit zijn bek. Hij hijgt, hij likt, hij blaft. De verleidelijke straathond die hogerop wil. We hóren de zachte krachten van de Duitse cultuur. We zien haar schaduwkant: het vuilnisbakkenras dat spoedig aan zijn opkomst zal beginnen. Over het gewelddadige potentieel van dat vuilnisbakkenras waarop Hitler en de zijnen konden terugvallen, zegt Müller: ‘Duitsland is altijd overal te laat gekomen, vooral bij de opdeling van de wereld. Terwijl Friedrich der Grosse zijn regionale oorlogen voerde, verdeelden Engeland en Frankrijk de wereld onder elkaar. Daarom verwierven de Duitsers nauwelijks koloniën. En daardoor kon het Duitse kapitalisme uitgroeien tot het meest dynamische van West-Europa. Met een vindingrijkheid die grenzeloos leek. Daar ligt ook de verklaring voor de technologische perfectie van de georganiseerde massamoord. Beschikt een land over koloniën, dan wordt het agressieve potentieel van een natie over de wereld verspreid. In Duitsland bleef het geconcentreerd op Duits grondgebied. De Engelsen of de Fransen stuurden hun misdadigers naar Australië of naar Algerije. Daar konden ze hun massamoorden plegen. Terwijl in Duitsland de massamoordenaars in het land bleven. Daarmee bleef ook de misdadige energie.’

Als opzwepende muziek voor de politieke machinaties in het eerste deel van Arturo Ui gebruikt Müller een hit uit de popmuziek van de jaren zeventig, The Night Chicago Dies van de Manfred Mann’s Earth Band. Die wat belegen song klinkt doodeng in deze spelonk­achtige ruimte. Het toneelhuis is nagenoeg leeg­geruimd tot aan de kale achtermuren. Midden op de speelvloer staat een klein podest met daaronder een turbine. Aan weerszijden staan twee rijen zuilen, grote heipalen, gebouwd tot in het auditorium. Uit de beroosterde vloer klinken regelmatig voorbij daverende U-Bahn-treinen. Martin Wuttke zet zijn Ui-personage in het eerste deel op als een paranoïde man vol zenuwtics, zweterig, voortdurend om zich heen loerend. Wanneer hij voor de heersende politiek een val opzet waar de heren ruggelings in lazeren, klinkt de Liebestod uit Wagners Tristan und Isolde. Verderop gebruikt Müller voor zijn grote ‘Hitler-opera’ veel Verdi en Mozart. En Les Préludes van Liszt natuurlijk, de muziek die de nazi’s op de radio inzetten voor hun quasi-­overwinningsberichten. En dan is er natuurlijk nog die scène zes.

In de vroege jaren twintig had Brecht na een optreden van Hitler in Zirkus Krone in München in zijn dagboek geschreven dat áls deze man al toneel had gezien, dan waarschijnlijk vanaf de goedkoopste plaatsen. Brecht en zijn Münchner kroegvrienden hebben zich indertijd vrolijk gemaakt over het gerucht dat Hitler voor acht Reichsmark per uur lessen in voordracht heeft gevolgd bij de gewezen hofacteur van het keizerlijke Staatsschauspiel, Fritz Basil. In scène zes heet de toneelspeler Mahonney. Arturo Ui krijgt les in lopen, staan en zitten. En daarna in spreken in het openbaar, aan de hand van Marcus Antonius’ lijkrede uit Shakespeare’s Julius Caesar. Die sleutelscène is het kantelpunt in het stuk. In de enscenering van Müller is ze bij mindere uitvoeringen nog altijd briljante slapstick. Op haar best is ze hogeschool-toneeldressuur.

Wuttke incasseert de kracht van die scène als het ware in omgekeerde volgorde. Je beseft pas goed hoe sterk de scène is als je ziet wat hij daarná doet. Hij moet meteen een gewichtige redevoering afsteken, een vuurproef. In de vorige versie van Arturo Ui bij het Berliner Ensemble, die repertoire heeft gehouden van 1959 tot 1980 en waarin de schoonzoon van Brecht, de acteur Ekkehard Schall, briljant de figuur van Ui speelde, liet deze in die toespraak zien dat hij zijn lesje goed had geleerd. Wuttke pakt het anders aan. Hij bakt er aanvankelijk niks van. Alle aanwijzingen van de toneel­speler klutst Arturo Ui door elkaar in een wildwoest durcheinander. Geleidelijk blijkt de gangster echter een eigen stijl gevonden te hebben. ­Wuttke (zonder de beruchte plaksnor) gaat hierin zeer ver. Middels een simpele knik in armen en benen transformeert hij tot een schreeuwend hakenkruis. Als hij betoogt dat je pas iemand bent wanneer je werkelijk gelooft in je eigen overtuigingen lijkt het alsof iedere keer dat het woord Glaube valt er ergens een tuberculeus graf openklapt.


Berliner Ensemble speelt Der aufhaltsame Aufstieg des Arturo Ui van Bertolt Brecht in de regie van Heiner Müller op 21 en 22 juni in de Grote Zaal van de Stadsschouwburg in Amsterdam, om 20.30 uur. Wie het stuk in Nederlandse vertaling nog eens wil horen alvorens het te gaan zien, kan terecht in Theater Perdu, Kloveniersburgwal 86, Amsterdam. Op maandag 10 juni om 20.30 uur lezen acteurs van Barbaren Co de integrale tekst


Beeld: Barbara Braun
Bijschrift: Der aufhaltsame Aufstieg des Arturo Ui