De boosheid van belazerde vrouwen

T.C. BOYLE
THE WOMEN
Bloomsbury, 451 blz., € 19,50
(de Nederlandse vertaling verschijnt in oktober bij Anthos)

Waarom zou een auteur een roman willen schrijven over Frank Lloyd Wright (1867-1959)? Omdat hij tijdens het lezen van de vele biografieën over deze wereldberoemde architect – schepper van onder meer het Guggenheim Museum en het Imperial Museum in Tokio – tot de ontdekking kwam dat de feiten wel klopten maar dat de ziel van deze charismatische bouwer toch wat duister bleef.
T.C. Boyle woont in het George Stewart House in Montecito, het eerste Californische ontwerp (1909) van Lloyd Wright. Zijn poging om de ziel van de architect bloot te leggen is vooral een vormtechnische. Het verhaal ontwikkelt zich in kreeftengang en dan ook nog vanuit de drie belangrijkste vrouwen in het leven van de architect. Bovendien verzint Boyle een Japanse verteller, Tadashi Sato, die de drie romandelen – die de namen dragen van Lloyd Wrights vrouwen: Olgivanna, Miriam en Mamah – inleidt. Sato blijkt nauw betrokken te zijn bij zijn onderwerp.
In 1932 wordt deze Lloyd Wright-discipel, zoon van de Japanse culturele attaché in Washington, voor veel geld lid van Wrights Taliesin-gemeenschap in het landelijke Wisconsin. Negen jaar later, vlak na het Japanse verrassingsbombardement op Pearl Harbor, pakt de federale politie hem op en wordt hij in een kamp gestopt. Sato voorziet zijn ‘biografie, die hij samen met schoonzoon Seamus O’Flaherty schrijft, ook nog van voetnoten, die prikkelende commentaren opleveren over de verhouding tussen fictie en feit, over lust en bedrog en over het verlies dat de verteller heeft geleden. Zo ontstaat er een vertelling vol parallellen. En de lezer krijgt via de vrouwenverhalen een veelzijdige blik op wie de ogenschijnlijk ongrijpbare Frank Lloyd Wright was, maar ook op de kleinburgerlijke moraal rond het huwelijk en de (vrije) liefde.
Wie zo’n vormtechnisch vernuft aan de dag legt heeft meer kans om, al schrijvend, de dynamische en hyperactieve mens Lloyd Wright en zijn naaste omgeving scherper te laten zien en te tonen hoe de man en zijn wisselende entourage zich tot elkaar verhouden. Zo ontstaat er een fascinerende vertelling, die eindigt met de grootste ramp in het bestaan van Frank Lloyd Wright: de moord, in 1914 in zijn Taliesin-huis, op zijn minnares Mamah en zes anderen.
‘Ik hield instinctief van de prairie in zijn grenzeloze eenvoud.’ Dat schrijft de architect in An Autobiography (1932). Een echt huis is het ultieme ideaal van de mens. In het landelijke Wisconsin, ten westen van Chicago, bouwt hij, op een heuvel, zijn ‘liefdesnest’ en noemt het Taliesin, Welsh voor ‘stralende heuveltop’. Dat huis is een toevluchtsoord voor hem en zijn vrouwen, maar het wordt ook het brandpunt van roddel en achterklap. Niet alleen de media liggen tijdens tumultueuze erotische Lloyd Wright-escapades voor de toegangspoorten, ook een woedende en wraakzuchtige ex belegert Lloyd Wrights benauwde veste. Misschien gaat het in Boyle’s roman wel om de manier waarop de dingen en de mensen van binnen branden van verlangen, want Boyle concentreert zich op de twee keer dat Taliesin in brand staat. Maar het huis herrijst telkens weer als een feniks uit zijn as, net als de energieke eigenaar.
Boyle is altijd al heel goed geweest in het portretteren van vrouwenlevens doortrokken van bewondering én verguizing. En Frank Lloyd Wright was inderdaad een man om tegen op te zien of te verachten. Zijn credo luidde: liever eerlijke arrogantie dan hypocriete nederigheid. De boosheid van belazerde vrouwen (een danseres, een morfineverslaafde en een feministische muze) is de vertelmotor van The Women. En de wijze waarop de architect reageert en ontsnapt aan die begrijpelijke woede is onthullend.
Zo laat Boyle een vertelnetwerk ontstaan waaruit een confidence man ontstaat: iemand die vertrouwen opwekt en dat vervolgens misbruikt. Wie verschuilt zich achter het masker van de man die zich de beste architect ter wereld noemde? Een vaderfiguur, een geldwolf, een charmante oplichter, een non-conformist, een intrigant, een workaholic, een minnaar, een gewond genie, een antiheld, een bezeten prater en verleider, een verwoede lezer van Thoreau, Emerson en Whitman, een sociopaat en een concurrent van architecten als Mies van der Rohe en Gropius. Al die facetten komen in The Women aan bod. Slechts zelden kruipen de vertellers in de huid en de gedachtewereld van Lloyd Wright zelf. Het zijn de vrouwen om hem heen die met hun scherpe waarnemingen en acties vormgeven aan hun liefdes- of haatproject. ‘Hij zag wat hij wilde en hij nam het. Dat was zijn natuur.’ Tussen egoïsme en altruïsme, of tussen vernielzucht en creatief vermogen, zit angstwekkend weinig verschil in Boyle’s vertelling.
Maar onherroepelijk stevent het achterstevoren vertelde verhaal af op de oerscène: de brandstichting, in 1914. Die apotheose wordt verteld vanuit de zwarte Taliesin-huisbediende Julian Carleton, wiens komst al in een voetnoot op bladzijde 93 wordt aangekondigd. Lloyd Wrights muze, de feministe Mamah Borthwick Cheney, schoffeert deze man uit Barbados, die op zijn beurt zijn jonge vrouw en Taliesin-kokkin vernedert.
In de wereld van Boyle – waarin Darwin en het wrede dier mens nooit ver weg zijn – gaat het steevast fout als een theorie (de ideale gemeenschap, het perfecte dieet, de volmaakte seks) rigoureus in praktijk wordt gebracht. Wie De weg naar Welwille (1993) of De ingewijden (2004) heeft gelezen weet wat hij van Boyle kan verwachten: vertellingen over de spartelende ziel van het zoogdier mens, verpakt in subtiele spanning en ingehouden sensatie. ‘Brandstichting, moord, verwoesting, kookhitte. Wat verder? Kikkers die uit de hemel komen vallen? Sprinkhanen?’ Dat biedt T.C. Boyle allemaal aan, maniakaal en radicaal.