De boot naar de digitale snelweg

Hella Vouête, VVD-kamerlid en specialist digitale zaken, zag haar kans weer schoon. Dat doet ze bij elke nota en kamerbespreking die te maken heeft met ‘de elektronische snelweg’, maar dit keer haalde ze zelfs uitgebreid het Journaal. Met PvdA-digiloog Marjet van Zuijlen in haar kielzog, die het ook vond.

We dreigen weer eens een boot te missen op de digitale snelweg. Tjee, alweer? Ja, zegt Vouête, Nederland loopt fors achter. ‘Wereldwijd wordt er al voor twintig miljard gulden verhandeld op Internet. Maar Nederland, altijd voorop als het om handel gaat, doet niet mee. Want in Nederland kun je niet eens betalen op Internet.’
Twintig miljard aan handel via Internet? Vouête zal toch niet die paar seksexploitanten bedoelen die om creditcardnummers vragen voor hun live-shows op het Net? Er wordt nauwelijks wat verhandeld op het Internet, in Nederland noch elders. De Internet-markt bestaat nog altijd voornamelijk uit toegang (providers), infrastructuur (lijnen, telecommunicatie), zoekdiensten en advisering (boeken, cursussen, congressen, Web-consultancy). En op dat vlak gaat het in Nederland heel aardig: de afgelopen twee jaar zijn er vijfduizend banen gecreëerd, vooral in het midden- en kleinbedrijf. Welke andere sector doet dat na?
Nederland loopt niet achter. Nederland is zelfs koploper op het gebied van electronic data interchange (uitwisseling middels lokale netwerken), en überhaupt een van de dichtst becomputerde (bijna vijftig procent van de huishoudens heeft er een), be-Internette en bekabelde landen ter wereld. Hier zijn bijvoorbeeld evenveel Internet-providers als in Groot-Brittannië, dat vier keer zoveel inwoners heeft. Nederlandse handelsgeest, hè?
Toen minister Wijers in 1995 aankondigde dat Nederland binnen twee jaar een miljoen gebruikers moest hebben op de 'digitale snelweg’, smaalde men op het Internet al: makkie, zeg. En inderdaad: inmiddels, na iets meer dan een jaar, zijn er in Nederland reeds 700.000 Internet-gebruikers. Zomaar, met gebruikersonvriendelijke PC’s en dure, trage lijnen, zonder noemenswaardige beleidsimpuls.
Maar eigenlijk bedoelde de minister dat niet. Hij bedoelde niet dat chaotische Internet waar ieder maar aanklooit, ruilt en van alles gratis weggeeft. Hij bedoelde: decoders, web-tv, Internet via de kabel, pay per view en al die andere virtuele luchtkastelen die nog steeds voornamelijk bestaan op de teken- en vergadertafels van kabelexploitanten, telecom- en postorderbedrijven. En daar moeten nu weer binnen drie jaar twee miljoen gebruikers op komen, want daar ligt de echte handel braak. Denkt men.
Intussen is het project rond een uniforme chipknip toch weer uiteengespat in verschillende chippers, knippers en andere digiduiten, maar het zal er dit jaar zeker van komen. En dan maar hopen op deze kip met gouden eieren.
Misschien moeten de digitale specialisten in Den Haag zich toch eens verdiepen in de geschiedenis van het Internet om iets zinnigs te kunnen bedenken over welke factoren iets tot een succes maken of niet.