HET BEHEER VAN WWW

De bovenbazen van het net

De webextensie xxx mocht er niet komen, hoewel xxx de succesvolste extensie aller tijden zou worden. Waarom is het niet gebeurd? Profiel van de ondoorgrondelijke wegen van de internetbeheerder, een van de machtigste clubs ter aarde.

Even leek de internetextensie ‘xxx’ het grote nieuws van deze zomer te worden. Was er een mooiere komkommer denkbaar dan een gevecht van internationale pornoboeren tegen Amerikaanse tv-predikanten en morele droogleggers in het Witte Huis en het Congres? Washington vindt dat de lettercombinatie ‘xxx’, die in de Angelsaksische wereld staat voor alles wat met seks en pornografie te maken heeft, geen eigen domein op het internet verdient, ook al dankt het medium aan deze branche een aanzienlijk deel van zijn dagelijks verkeer. Diezelfde associaties waren voor domeinnaamhandelaar en initiatiefnemer ICM Registry juist aanleiding om er jarenlang voor te pleiten. ‘Het lijdt geen twijfel dat “xxx” de succesvolste extensie aller tijden wordt’, herhaalt de onvermoeibare Stuart Lawley, directeur van ICM Registry, aan de telefoon zijn vaste riedel. ‘Dat baseer ik op diepgaand onderzoek en harde cijfers. Ik heb heel wat toezeggingen van bedrijven die graag zestig dollar buitengewone registratiekosten willen betalen om een automatisch kinderpornoalarm in de extensie in te bouwen.’

Hoeveel legale winst er uit een pornografische domeinnaam te halen valt, blijkt uit het feit dat de domeinen porn.com en sex.com zijn doorverkocht voor negen respectievelijk twaalf miljoen dollar. In de illegale sfeer gaat het om nog veel meer geld. Dat blijkt wel uit het jarenlange gevecht tussen de internetpooiers Stephen Michael Cohen en Gary Kremen, die elkaar voor de rechter en op straat de eigendom van .sex.com betwistten en daarbij gerechtelijke gijzelingen en moord niet schuwden, totdat de rechter een schikking van 65 miljoen dollar ten gunste van Cohen wees. Veel gevestigde seksexploitanten zijn niet enthousiast over Lawley’s initiatief: ze zijn bang dat ze straks van hun .com-adres moeten verhuizen naar het .xxx-domein en te maken krijgen met hoge verhuiskosten, klantenverlies en nieuwe censuurmomenten.

Helaas voor hen kreeg Lawley vorige week zijn zin, en niet eens in een spectaculair gevecht. Bij nadere bestudering van de stukken bleek dat de extensie ‘xxx’ al in 2005 door internetbeheerder icann was vrijgegeven, weliswaar onder strengere voorwaarden dan enige andere extensie, maar wel met stilzwijgende instemming van de Amerikanen. Al wat er van de affaire overbleef, was een discussie over technische en juridische protocollen met een wel zeer laag ‘oh-la-la’-gehalte, gevoerd door lobbyisten en advocaten met bmw’s en pakken van vierduizend dollar. Het feit dat de Amerikaanse staat bakzeil haalde in het gevecht met een seksconglomeraat maakt echter wel duidelijk hoe schimmig de handel in domeinnamen is.

De wegen van de icann zijn bijna ondoorgrondelijk en zelfs over het karakter van de handelswaar bestaat onduidelijkheid. Formeel is een domeinnaam niet meer dan een internetadres voor computers, mailservers en webservers, vergelijkbaar met het aloude postadres van een bedrijf, overheidsinstantie of woonhuis. Maar net als bij postadressen gaan er achter schijnbaar onooglijke lettercombinaties grote economische, politieke en zelfs ideologische belangen schuil. De werking van dit internationale naamgevingsysteem, het Domain Name System (dns), is geen sexy onderwerp, maar niettemin van groot belang voor de toekomst van het internet.

Een domeinnaam bestaat uit verschillende delen, opgebouwd uit letters en cijfers en van elkaar gescheiden door puntjes, waarbij elk deel specifieke informatie over de geadresseerde bevat. Er zijn twee soorten domeinextenties: extenties die de locatie van de geregistreerde gebruiker aanduiden en extenties die de aard van de gebruiker aanduiden. De betreffende extensie is tevens het hoogste niveau van de domeinnaam, oftewel het Top Level Domain (tld). In de domeinnaam www.groene.nl bijvoorbeeld is de extensie ‘.nl’ het tld, in dit geval de aanduiding van het land waar de Groene-server gevestigd is. Zulke domeinen die eindigen op een landencode heten ‘country code tld’s’ (cctld’s). De cctld’s worden in westerse landen doorgaans beheerd door een semi-onafhankelijke overheidsinstelling, zoals ten onzent de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (sidn). Als je de domeinnaam www.groene.nl intikt, legt je browser eerst contact met een zogeheten rootserver van sidn om in een tabel het IP-adres van de bijbehorende computer te zoeken, en pas daarna met die computer zelf.

Hoewel het aantal landen in de wereld niet groeit, komen er steeds nieuwe landextenties bij. Onlangs is ‘.eur’ aanvaard bij wijze van virtuele erkenning van het verenigde Europa. In oktober wordt ook de extensie ‘.asia’ ingevoerd en in november begint een test met zogenoemde Internationale Domeinnamen in Chinees, Arabisch en Cyrillisch schrift die indirect naar de locatie verwijzen. Als de test goed uitpakt, kunnen bijvoorbeeld Russische restaurants voortaan de extensie ‘pectopah’ gebruiken. Een instelling kan ook kiezen voor een zogeheten generieke tld, zoals ‘.com’ (voor commerciële bedrijven) of ‘.org’ (voor niet-commerciële instellingen), in vaktaal ‘generic tld’s’ (gtld’s) geheten. Ook het aantal gtld’s groeit voortdurend om tegemoet te komen aan snelgroeiende bedrijfstakken en nieuwe initiatieven van (internationale) overheidsinstellingen, universiteiten et cetera.

Het verdelen en toewijzen van domeinen en IP-adressen is de verantwoordelijkheid van de Internet Corporation for the Assignment of Names and Numbers. De icann is een gemengd publiek/particulier bedrijf van Amerikaanse oorsprong dat in 1998 door het Amerikaanse Congres werd opgericht om het toezicht op het internet te internationaliseren. Voorheen werd dat toezicht uitgeoefend door de Amerikaanse overheid om de eenvoudige reden dat het internet een Amerikaanse uitvinding is, om precies te zijn van de strategische denktank RAND Corporation. rand-onderzoekers kregen in de jaren zestig de vraag voorgelegd hoe de uitval van de binnenlandse communicatie na een nucleaire aanval op Amerikaans grondgebied moest worden ondervangen. Antwoord: het traditionele, hiërarchische communicatiestelsel met zijn megatelefooncentrales en strategische zendmasten, databases en computerclusters is te kwetsbaar en moet worden vervangen door een ‘horizontaal’ netwerk van telefoons en computers die altijd met elkaar kunnen blijven communiceren, ook als een deel van het netwerk fysiek wordt uitgeschakeld.

Omdat het internet zich intussen wereldwijd heeft ontplooid besloot het Congres de controle ‘op afstand’ te zetten. De icann verdeelt nog steeds domeinnamen en IP-nummers, maar het beheer van afzonderlijke cctld’s wordt aan de betreffende landen overgelaten en de exploitatie van de gtld’s wordt particulier uitbesteed. De bestuursleden en voornaamste stafleden van de icann zijn afkomstig uit zes verschillende westerse landen (waaronder Nederland) alsmede het Afrikaanse Niger, maar dankzij een convenant behoudt het Amerikaanse Congres een flinke vinger in de pap. Sinds kort klinken er protesten uit de Derde Wereld tegen deze westerse dominantie binnen de icann. Die protesten zijn om ten minste vier redenen onzinnig. De eerste is al genoemd: de Amerikanen zijn de uitvinders en voornaamste gebruikers van het internet, ze leveren de belangrijkste infrastructuur en hebben bewezen verantwoordelijke beheerders te zijn. Als zij een zekere mate van controle uit handen geven, is dat een gunst en geen verplichting.

Ten tweede legt de icann slechts de protocollaire basis voor internetgebruik en dat is een praktijk zonder veel politieke impact, terwijl het effectieve beheer door (of namens) nationale overheden en particulieren wordt gedaan. Veel reden tot klagen over onderdrukking van hun meningsvrijheid of economische bewegingsvrijheid door de icann hebben de ‘slachtoffers’ dan ook niet. Ten derde bestaan de protesterende overheden merendeels uit regimes die geen respect voor politieke of economische vrijheid kennen en dus geen medezeggenschap over het internet verdienen. En ten vierde: als pakweg de Libische leider Moeammar Khadafi of de Togolese premier Faure Gnassingbé al het recht zou hebben om over domeinnamen en gebruiksprotocollen mee te praten, dan heeft hij daarvoor toch te weinig verstand van zaken.

De Amerikaanse icann-bestuurder George Sadowsky vatte de situatie in een recente publicatie als volgt samen: ‘Gezien de huidige staat van onwetendheid omtrent het internet in internationale kringen ben ik ervan overtuigd dat een internationalisering van de controle, vooral als die via het VN-systeem plaatsvindt, een grote vergissing zou zijn. Zowel de technische vernieuwing als de groei van de gebruikersinvloed zouden er substantieel onder te lijden hebben, met name onder gebruikers in de Derde Wereld die het internet nu juist nodig hebben om informatiebarrières te doorbreken.’

Een belangrijker (want terecht) verwijt aan het adres van de icann is dat de directie te veel de oren laat hangen naar de grote marktpartijen. Die neiging trad in 2005 duidelijk aan het licht toen de icann bij herhaling de grote Amerikaanse registratiefirma VeriSign schandelijk bevoordeelde, onder meer op grond van beoordelingsrapporten die door zakenpartners van VeriSign waren opgesteld. Anderzijds treedt de icann veel te laks op tegen de vrije jongens die per maand 35 miljoen domeinnamen registreren en het overgrote deel gebruiken om spam te verzenden en de aandacht van zoekmachines te trekken. Misschien is dit het moment om eens wat meer en strenger te gaan reguleren: je moet er niet aan denken hoeveel spam er loskomt wanneer Lawley zijn domein opent.