De boycot van de orkesten

Schonberg Kwartet, 17 mei in theater Kikker te Utrecht.
Is het gemakzucht, onwil, geldgebrek of antichauvinisme? Ligt het aan de musici, de dirigenten, het publiek of de overheid? Nu de nieuwe seizoensfolders van de orkesten zijn verschenen en blijkt dat de Nederlandse muziek welhaast wordt geboycot, breken tal van ingewijden zich het hoofd over deze zorgwekkende ontwikkeling. Het probleem is niet van vandaag of gisteren - twee jaar geleden nog belegde de Boekmanstichting een congres over dit onderwerp - maar duidelijk is dat komend seizoen een historisch dieptepunt wordt bereikt: het Concertgebouworkest speelt een werk van Otto Ketting, het Rotterdams Philharmonisch heeft drie Nederlandse werken op het programma, het Residentie Orkest heeft de vaderlandse componisten zelfs uit de reguliere series gebannen en ondergebracht in een geheel risicoloos ‘extra jubileum kamermuziek concert’.

Ligt het aan de musici? ‘Zulke muziek wordt vaak zo liefdeloos gespeeld dat geen hond het mooi vindt’, meent de een. 'Moderne muziek in het algemeen en Nederlandse muziek in het bijzonder betekent slecht nieuws’, constateert de ander.
Je kunt er eindeloos over speculeren, zoals tijdens een debat op de NCRV-radio ook gebeurde, maar een diepgewortelde zelfonderschatting van onze cultuur lijkt toch de stille kracht achter deze idiote situatie. Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat er in Nederland beter wordt gecomponeerd dan in de ons omringende landen, maar een Frans orkest heeft Dutilleux op zijn programma, een Spaans orkest speelt Tomas Marco en in Engeland wordt Birtwistle op handen gedragen. Ook al begrijpt het publiek geen fluit van deze complexe muziek, het respecteert zijn eigen componisten.
Ondanks het feit dat de meest recente Nederlandse muziek over het algemeen veel toegankelijker is dan genoemde voorbeelden, hoeven componisten niet op de belangstelling van orkesten te rekenen. Met als gevolg dat er nog nauwelijks voor orkest wordt geschreven! Componisten in deze eeuw mag dan vaak een 'ivoren-torenhouding’ zijn verweten, slechts een enkeling steekt een jaar werk in een orkeststuk als de kans groot is dat het maar een of twee keer wordt uitgevoerd.
De interessantste ontwikkelingen spelen zich daarom nog altijd af in de ensemble- en kamermuziek, zoals vorige week bleek in De IJsbreker, waar het Schonberg Kwartet het nieuwe Strijkkwartet van Klaas de Vries ten gehore bracht (door de componist veelbelovend van een 'nr. 1’ voorzien). De Vries verenigt in dit stuk twee totaal verschillende werelden die beide even kenmerkend voor hem zijn. Zo begint het stuk heel vaag. De allereerste toon klinkt zelfs zo onwerkelijk dat het een elektronische klank lijkt. Hieruit vloeien geleidelijk flarden muziek voort die nauwelijks contouren hebben en op een onvoorspelbare manier aan elkaar zijn geplakt. Het doet het meest denken aan de associatieve manier waarop het onderbewuste werkt: vage herinneringen en moeilijk te benoemen gevoelens die hier en daar opborrelen. Vanuit deze droomwereld komt een klaagzang te voorschijn, een expressieve melodie die zich over de verschillende strijkers uitstrekt om weer even snel in de mist te verdwijnen.
In het tweede deel tapt De Vries uit een heel ander vaatje. Een krachtige ritmiek die tussen Bartok, Stravinsky en de popmuziek in hangt, vormt de basis voor felle, energieke unisono-passages. Hoekig en horterig door de verspringende accenten, maar direct, koppig en met een obsessieve drang tot herhalen. De Vries doet echter meer dan deze twee, in karakter zo tegengestelde muzieken tegen elkaar uitspelen, want plotseling duikt er weer zo'n flard uit het eerste deel op. En langzamerhand wordt die ritmische beweging, die in zijn agressiviteit zo onaantastbaar leek, oversluierd door dezelfde ijle muziek waarmee het stuk begon.
De manier waarop dat gebeurt, is even intrigerend als ongrijpbaar. Eigenlijk had het stuk onmiddellijk nog een keer moeten worden gespeeld. Nu gebeurt dat binnenkort al weer en ongetwijfeld zal het kwartet dit geslaagde werk op het repertoire houden. Wat een geluk dat het geen orkestwerk is.