The Female Eunuch, Germaine Greer

De brandstichtster van het feminisme

The Female Eunuch van Germaine Greer was bij verschijning in 1970 meteen een sensatie. Het boek, een cocktail van geleerdheid, persoonlijke ontboezeming en rebelse polemiek, werd bejubeld én beschimpt door feministen.

1971, Germaine Greer: ‘een pepmiddel en geen pijnstiller’ © Terence Spencer / The LIFE Picture Collection / Getty Images

En weer kreeg ze iedereen op de kast. Toen Germaine Greer in mei op het Hay Literary Festival een voorschot nam op haar nieuwe boek, dat On Rape gaat heten, onthulde ze al haar alternatieve definitie van verkrachting die ze daarin zal presenteren: ‘bad sex’. Verkrachting, stelde ze, zou niet altijd moeten worden gezien als een geweldsmisdrijf, maar in plaats daarvan als ‘lazy, careless and insensitive’. De meeste verkrachtingen vinden per slot van rekening plaats binnen bestaande relaties – ‘Every time a man rolls over on his exhausted wife and insists on enjoying his conjugal rights he is raping her.’ Als er werkelijk sprake is van grof geweld, dan is dát volgens haar de misdaad, en niet de seks.

On Rape, dat dit najaar moet verschijnen, is haar reactie op de ‘zeurderige’ #MeToo-beweging. ‘Het enige resultaat van de wanhopige pogingen om schuld toe te wijzen en kuisheid tot wet te verheffen is een erosie van de rechten van de beschuldigde’, is nog zo’n uitspraak die velen razend maakte. Er werd Greer voor de voeten geworpen dat ze op krantenkoppen uit was ter promotie van haar nieuwe boek. Het Brisbane Writers Festival trok schielijk de uitnodiging aan haar in: haar ideeën waren ‘te controversieel’. Maakt niet uit, reageerde Greer, het is toch het sufste festival dat er bestaat.

Verrassend is de nieuwe ophef niet echt. Germaine Greer is, zoals de Engelse journaliste Helen Lewis het omschreef, de brandstichtster van het feminisme. Haar waarde is haar destructieve kracht, haar drang om stereotypen te ontmaskeren en taboes te doorbreken. Natuurlijk, ze zorgt al decennia voor ongemak. Of het nu was toen ze opeens begon te dwepen met de Toscaanse minnaar en de coïtus interruptus of de lof begon te zingen van de overgang, omdat ze zich nu opeens werkelijk onafhankelijk van mannen voelde en eindelijk zélf grapjes kon maken, om van haar goedpraten van vrouwenbesnijdenis in andere culturen en haar afkeer van transgenders maar te zwijgen. Ze liep altijd al flink uit de pas van de feministische consensus, maar dat is nu juist de crux: het is Greer er nooit om te doen geweest behoedzaam correct te zijn en vrouwen zich beter te laten voelen. Ze is, aldus nog een keer Lewis, ‘een pepmiddel en geen pijnstiller’. En inmiddels is ze het levende testament van het idee dat vrouwen niet hoeven te doen wat van hen verwacht wordt: brave meisjes zijn, trouwen, kinderen krijgen, mooi zijn en zwijgen.

Het begin van dat testament is The Female Eunuch, het boek dat in 1970 verscheen en meteen een sensatie was. Het boek, dat een cocktail is van geleerdheid, persoonlijke ontboezeming, stream of consciousness en rebelse polemiek, werd binnen de kortste keren in acht talen vertaald en werd niet alleen bejubeld en ook wel beschimpt door feministen, maar ook aangeprezen door de mannetjesputter Norman Mailer in een verder antifeministische tirade. Als The Female Eunuch één ding is, dan is het wild. Greer schiet erin door de tijd – van het elizabethaanse Engeland en Shakespeare tot het heden – en door een baaierd van onderwerpen: van vrouwenhaar en haar afkeer van een kale schaamstreek (‘om er nog sekslozer en kinderlijker uit te zien’) tot de verderfelijke invloed van damesromannetjes; van altruïsme als valkuil van de machteloze vrouw tot de afkeer en walging van vrouwen. Openingszin onder dat laatste subkopje: ‘Vrouwen beseffen maar weinig hoe erg de mannen hen haten.’

In alomvattendheid doet The Female Eunuch denken aan De tweede sekse van Simone de Beauvoir, al wordt de Franse filosofe niet aangehaald. Ook Greer behandelt alle aspecten van het vrouwelijk lichaam, alle levensfasen van de vrouw, de stereotypen die er over haar bestaan, de mythen waarmee ze koest wordt gehouden, en de gevoelens waar ze mee worstelt dan wel geconfronteerd wordt. Maar waar de gewrochte systematiek van De Beauvoir tot een zekere stugheid neigt, is Greer veel grilliger en geestiger en is haar stijl vol brille, met welgekozen schuttingwoorden tussendoor. In reactie op de ‘kuthaat’ van veel mannen en de preutsheid van veel vrouwen gebruikt zij trots het woord ‘cunt’.

The Female Eunuch was een gepassioneerde strijdkreet. Al in haar inleiding zet Greer zich af tegen ‘nette burgerdames’ die om hervormingen vragen, zij roept op tot revolutie. Het gaat haar niet om de gelijkheid tussen man en vrouw, waar de oermoeder van het feminisme van de tweede golf, Betty Friedan, met haar National Organization of Women voor ijvert, maar om ongebreidelde vrijheid, voor vrouw én man. Daarvoor moeten vrouwen ontsnappen aan het keurslijf waar ze al eeuwen in worden geperst, maar dat is niet genoeg: de bestaande politieke en maatschappelijke systemen moeten ervoor omvergeschopt worden.

Germaine Greer is een kind van haar tijd. Ze werd geboren in Melbourne, in 1939, en werd onderwezen door de zusters Ursulinen die de leerlingen voorhielden: ‘Je kunt een grote zondaar worden of een grote heilige. De keuze is aan jullie.’ ‘Natuurlijk koos ik voor grote zondaar’, schrijft Greer. Ze studeerde eerst in Melbourne en Sydney, om daarna naar Engeland te vertrekken en in Cambridge te promoveren op liefde en huwelijk bij Shakespeare. Maar Greer werd niet alleen hooggeleerd, ze schreef als studente al voor satirische undergroundblaadjes als Oz, waarvoor ze het groupie-dom bezong en waarop ze ook bloot poseerde, en was medeoprichter van het avant-gardistische seksblad Suck. Ze stortte zich kortom in de seksuele revolutie die in de jaren zestig uitbrak en verbond die met de feministische.

In The Female Eunuch draait het dan ook om seks, of misschien is het beter om te zeggen: om het vrouwelijke libido, dat zo lang niet geacht werd te bestaan. Het boek begint met de behandeling van het vrouwelijk lichaam en de schaamte en vervreemding die vrouwen ervoor voelen. Ze schrijft onverbloemd over onderwerpen waar ‘nette’ vrouwen het niet over hadden: de vagina, borsten, schaamhaar, menstruatie en ‘die vermaledijde baarmoeder’ en geeft en passant seksuele voorlichting, om te voorkomen dat haar lezers geloven in de ‘duffe seks voor duffe mensen’ of de ‘gestandaardiseerde diepvriesmonogamie’, die in de handboeken ten voorbeeld wordt gehouden. Om te testen hoe geëmancipeerd ze zijn, raadt ze vrouwen aan hun eigen menstruatiebloed te proeven – ‘Als de gedachte alleen al je misselijk maakt, ben je er nog lang niet, meid!’

Om te testen hoe geëmancipeerd ze zijn, raadt Greer vrouwen aan hun eigen menstruatiebloed te proeven

Als Greer het daarna over de geest heeft, breidt ze de verstoorde verhouding van vrouwen tot hun lichaam uit tot de onderdrukte seksualiteit. De stereotypen die ze daarbij langsloopt, of die nu van de vrouw als oppergodin of modepopje zijn, hebben gemeen dat de meest essentiële eigenschap van de vrouw is dat ze gecastreerd is: jong, onbehaard en zonder geslachtsorganen. Dat is ook wat ze bedoelt met de vrouw als eunuch: vanaf haar kleutertijd wordt haar seksuele energie onderdrukt en wordt van haar verwacht dat ze passief is, wat erop neerkomt dat ál haar energie onderdrukt wordt, totdat ze te inert is geworden om nog begeerte en nieuwsgierigheid op te brengen voor wat dan ook. Het zijn ook de eigenschappen van de castraat die in haar worden geprezen en beloond: ‘verlegenheid, molligheid, loomheid, zwakheid en aanstellerij’.

De mythen van de romantische liefde, het moederschap en het kerngezin, al die zaken die de bestemming van de vrouw heten te zijn, drukken haar verder in de passieve rol. ‘Kinderen opvoeden’, vindt Greer bijvoorbeeld, ‘is geen echte bezigheid, omdat kinderen toch wel opgroeien, of ze nu opgevoed worden of niet.’ Greer ontrafelt de mythen niet alleen, ze verbindt ze ook met kapitalismekritiek. In haar passiviteit blijft er voor de vrouw weinig anders over dan consumeren. Ze is zelf het symbool van koopkracht, als ze met diëten en make-up er alles aan doet haar lichaam pasklaar te maken voor de vraag van de markt, maar tegelijkertijd is ze ook de voornaamste koper. Het kerngezin is daarbij in haar ogen een kapitalistische vinding: het is een egocentrische eenheid, altijd geneigd tot competitie en verdergaande consumptie. Niet voor niets haalt ze verschillende keren Friedrich Engels aan die stelt dat ‘het moderne individualistische gezin is gebaseerd op de verborgen slavernij van de vrouw’. Al is het dan een shoppende slavin, als het even meezit.

De analyses in The Female Eunuch zijn soms vlijmscherp, soms krankzinnig en soms gewoon gedateerd – toen Greer haar boek schreef konden vrouwen in Engeland niet eens een hypotheek afsluiten of een auto kopen, tenzij hun echtgenoot of vader de documenten mede ondertekenden. De ontsnapping aan de onderdrukking blijft heel wat vager: Greer raadt vrouwen bovenal aan niet te trouwen en schetst een utopisch beeld van communes in Italië waar kinderen gezamenlijk en in vanzelfsprekend groot geluk worden opgevoed.

Maar misschien gaat het ook niet zozeer om oplossingen, als wel om de onstuimige energie die van de pagina’s van The Female Eunuch spat. ‘Get a life!’ lijkt Greer vrouwen toe te roepen. Durf! Zoek het avontuur! Omdat ze zelf van nature niet geneigd was om een dociel vrouwenleven te leiden brengt ze in haar boek maar weinig geduld op voor haar ‘zusters’. Het zijn kanaries, en ook al staat het deurtje van de kooi inmiddels open, ze willen niet vliegen. In dat opzicht lijkt The Female Eunuch ook op De tweede sekse: Greer en De Beauvoir lijken vooral over andere vrouwen te schrijven; zichzelf zien ze als uitzonderingen op de regel.

Vanuit dat perspectief is Greers vinnigheid over de #MeToo-beweging misschien te begrijpen. Haar hele leven heeft ze zich afgezet tegen vrouwelijk slachtofferschap en vrouwelijk ‘gezeur’. In The Female Eunuch is ze op haar harteloost als ze geweld tegen vrouwen aanroert en noteert dat ze het vaak zelf uitlokken met ‘stomme verwijten’. Zelf woonde ze een aantal keren samen met gewelddadige mannen en die had ze er prima onder, door niet bang te zijn.

Of anders gezegd: haar leven lang heeft Greer zich ingezet voor de bevrijding van de vrouwelijke seksualiteit en het opeisen van vrouwelijke autonomie. Haar reactie op #MeToo is als die op het ‘gezeur’ van vrouwen in de jaren zestig, die al klagend het liefst in hun beschermde kooitje bleven zitten. En al kiest ze in haar opmerkingen over verkrachting, zoals zo vaak, voor de hyperbool – ergens is het ook een verademing dat een vrouw zo ongegeneerd de feministische consensus aan haar laars lapt.


De Nederlandse vertaling van het boek van Germaine Greer verscheen als De vrouw als eunuch bij Meulenhoff, vertaling Henny Scheepmaker