De brieven van colijn

De onthulling dat onze oud-premier Hendrikus Colijn in zijn jonge jaren dingen heeft gedaan die we heden ten dage zouden betitelen als oorlogsmisdaden, was voor velen nauwelijks een verrassing. Goed, het onomstotelijke bewijs was niet geleverd, maar wie iets wist van de uitroeiingsoorlog op Atjeh, maakte zich over Colijns aandeel daarin weinig illusies. Toch kwam het voor velen nog als een schok.

Bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, dat het Colijn-archief beheert, is men niet blij met al dit tumult. In een interview met EO-radio deed directeur Jan de Bruin, die in 1994 samen met Langeveld een boek over Colijn had geredigeerd, een poging de onthulling te bagatelliseren. Bovendien kwam hij vorige week met een speciale uitgave van de belastende brieven van Colijn, die hij van een verklarende inleiding voorzag: De slag om Tjakra Negara: Een verslag in drie brieven (VU-uitgeverij, Ÿ 12,50).
De vraag is: wat wil het Historisch Documentatiecentrum met deze uitgave? Volgens archivaris Hans Seijlhouwer wil men hiermee Colijn uit de ‘rellerige sfeer’ halen. In het NRC van 27 april verklaart hij: 'Colijn moet niet de geschiedenis ingaan als de enige die in Indi‰ oorlogsmisdaden heeft begaan.’ Hiermij wekt hij de suggestie, en De Bruin deed dat voor de EO-microfoon ook al, dat de wijze waarop Langeveld Colijns optreden heeft behandeld, selectief en wellicht onbetrouwbaar zou zijn. Een absurde veronderstelling.
In zijn curieuze inleiding bij De slag om Tjakra Negara concludeert De Bruijn uit Langevelds opmerking dat de brief aan Colijns ouders minder betrouwbaar is dan die aan zijn vrouw, dat we Colijns wandaden misschien met een korreltje zout moeten nemen. De manier waarop De Bruijn reageert op het boek van Langeveld, met wie hij nog maar vier jaar geleden zo eendrachtig heeft samengewerkt, mag dan hoogst unfair zijn, het lamentabele verhaal over de 'historische context’ waarin we Colijns oorlogsmisdaden moeten zien, is ronduit ergerlijk. In Nederland oordeelde men honderd jaar geleden anders over dit soort moordpartijen, wat onder meer zou blijken uit Colijns aansporing om zijn brieven ook door anderen te laten lezen, zodat wij ons er ook niet zo druk over hoeven te maken. Bij de presentatie van de Colijn-biografie merkte de Leidse hoogleraar P.W. Klein op: 'We hebben gehoord dat we zijn optreden in zijn tijd moeten plaatsen. Je hoort dat nou nooit zeggen over Ilse Koch, Eichmann of Karadzic.’
Als je dit soort wandaden in hun historisch context wilt plaatsen, moet je ook de gehele context onder ogen willen zien. Wat op Lombok gebeurde, werd daarna op Atjeh, gedurende veel langere tijd, bloedige routine. En daar werd wel degelijk tegen geprotesteerd. Niet alleen door de sociaal-democraten - Albert Hahn wijdde menige prent aan de volkerenmoord - maar ook door het katholieke kamerlid De Stuers en zijn liberale collega Thomsom. Langeveld besteedt bovendien uitgebreid aandacht aan het optreden van kapitein Fanoy, die als christen grote bezwaren had tegen het ploertige optreden van het leger en aanvankelijk hoopte in medechristen Colijn een medestander te vinden.
Zelfs als de meerderheid van de bevolking, die weinig te horen kreeg van de excessen, het eens was met het optreden op Lombok en Atjeh, maakt dat het optreden van Colijn er niet beter op. Dat Colijn zich niet schaamde voor zijn daden, en wilde dat ook anderen zijn brieven lazen, wat zegt dat eigenlijk? In zijn boek Hitlers gewillige beulen schrijft Goldhagen uitgebreid over de foto’s die leden van de politiebataljons maakten van hun 'werk’. De prentjes werden op het prikbord gehangen, zodat collega’s konden nabestellen. Voorzien van verklarende of ironische teksten werden deze foto’s naar het thuisfront gestuurd. Waarschijnlijk is volgens professor De Bruijn verontwaardiging hier evenmin op zijn plaats. Gezien de 'historische context’ was het immers 'normaal’.