De britse verb ‘de britse nationale verbeelding kent nu eenmaal een aantal ronduit pathologische clichés’

Zeker, de Britse nationale verbeelding kent een aantal ronduit pathologische clichés. Maar, zo benadrukt Michael Ignatieff, toonaangevend opiniemaker bij de BBC: ‘De Britten stellen op hoge toon de vragen die de rest van het continent zich ook zou moeten stellen.’
LONDEN - Is het toeval dat het standbeeld van Winston Churchill tegenover Westminster Hall momenteel een opknapbeurt krijgt? Leunend op zijn wandelstok, als vanouds in staat van lichte dronkenschap, kijkt de voormalige premier en oorlogsleider goedkeurend toe hoe zijn sokkel wordt verstevigd met twee enorme betonplaten.

Kennelijk verwacht hij elk ogenblik een nieuwe Blitz - ditmaal van ambtelijke aard en afkomstig uit Brussel in plaats van Berlijn.
Als symbool van Britse onverzettelijkheid wordt Churchill dezer dagen veelvuldig aangeroepen door zijn conservatieve nazaten. Na een slaapverwekkende aanloop is de verkiezingsstrijd eindelijk ontbrand, en wel rond het thema van de Europese eenheidsmunt. De Tories, al jaren verdeeld in een pro- en een anti-Europese vleugel, dreigen in twee partijen uiteen te vallen. John Major gaf zelf het startsein door aan te kondigen dat hij zijn partijgenoten vrij zal laten bij de stemming over deelname aan de Economische en Monetaire Unie. Sindsdien putten de Conservatieve ‘Eurosceptici’ zich uit in een stortvloed van anti-Europese retoriek.
Niet alleen de Tories benadrukken in het aangezicht van Brussel hun vaderlandsliefde. New Labour heeft de forsgeschapen bulldog Fitz in de strijd geworpen. Fitz’ optreden aan de zijde van de gedoodverfde verkiezingswinnaar Tony Blair was aanvankelijk zo'n succes dat de campagneleiding hem een eigen persconferentie aanbood, maar dat experiment bleek niet voor herhaling vatbaar. Na enig lusteloos geknor in de microfoon rolde de spreker enige tijd wellustig door het gras en viel daarna in een diepe slaap. Sinds een paar dagen wekt hij alleen nog de nationale lachlust op. In een recent Labour-spotje was duidelijk te zien dat Fitz, op het moment dat hij opgewekt een socialistisch ochtendgloren tegemoet rende, met behulp van een paintbrush van zijn geslachtsdelen was beroofd. Het filmpje werd door alle tv-zenders herhaald en van sarcastisch commentaar voorzien. 'New Labour, no balls’, spotte BBC-presentator Jeremy Paxman.
TOCH IS HET de meeste Britten ernst met hun verzet tegen het verenigd Europa, al weten ze zelf niet precies waarom. De halfslachtigheid waarmee de vertrouwde symbolen van isolationisme en nationale identiteit worden begroet en tegelijk bespot, duiden vooral op een grote onzekerheid over de toekomst onder de komende Labour-regering, de eerste in achttien jaar. Het wantrouwen jegens Europa vermengt zich met sociaal-economische onvrede en verontrusting over de gestegen criminaliteit, de beroerde toestand van het onderwijs en de openbare voorzieningen. In zo'n geval blijkt het handig om een buitenlander bij de hand te hebben die het overzicht kan behouden.
'Mijn telefoon heeft roodgloeiend gestaan vanwege Fitz’, zegt Michael Ignatieff (49), Harvard-historicus, schrijver en BBC-medewerker van Canadese afkomst: 'De Britten bellen mij steevast als hun nationale symbolen in het nieuws komen. Dan moet ik de diepere betekenis uitleggen. Het lijkt alsof ze er zelf geen raad mee weten.’
Als zoon van een Joegoslavische vader en een Britse moeder, opgegroeid in Canada en tegenwoordig afwisselend woonachtig in Engeland en Frankrijk, is Ignatieff in een uitstekende positie om de diepste woelingen van de Britse inborst te duiden. Hij bewoont sinds kort de derde verdieping van een gerenoveerd victoriaans pakhuis in Islington, bolwerk van de roemruchte chattering classes: links-liberale intellectuelen, kunstenaars, modeontwerpers en yuppen uit de nabijgelegen City, het zakencentrum van Londen.
Ignatieff volgt de verrichtingen van zijn buurtgenoot Blair met gepast wantrouwen, al zal hij waarschijnlijk wel op hem stemmen. Ignatieff: 'Er staat veel op het spel, ook al verschillen de partijprogramma’s niet veel van elkaar. Labour staat op het punt om een echte nationale partij te worden, zoals links dat in andere Europese landen al langer is. Afgezien van 1945 is Labour alleen in de jaren zestig een volwaardig onderdeel van het politieke systeem geweest, daarna werd de partij overgenomen door extremisten. Labour luisterde te veel naar de vakbonden en de vredesbeweging, hief te veel belasting. Blair probeert nu te doen wat Mitterrand in Frankrijk heeft gedaan: bewijzen dat links een voor iedereen aanvaardbaar alternatief is.
En als hij wint, zal een nieuwe ambtelijke elite het roer overnemen: de vijftigers die hun leven lang hebben gewerkt in de publieke sector, in de openbare dienstverlening, het onderwijs en de voormalige genationaliseerde industrieën, en die altijd uitgesloten zijn geweest van de macht. Zij zijn nu aan de beurt. Uiteraard is die wisseling van de wacht alleen mogelijk doordat Labour onder Blair is opgeschoven naar het midden. De partij heeft zijn traditionele strijdpunten afgezwakt, heeft zichzelf gebanaliseerd.’
LABOUR MOET een nieuw evenwicht zien te vinden tussen markt en staat, schrijft de hoofdredacteur van The Observer Will Hutton in zijn nieuwe boek, The State To Come. Hutton, die geldt als een van de huisfilosofen van Blair, is de bedenker van het concept van stakeholding, een vorm van kapitalisme die samenwerking en sociaal bewustzijn beloont. Volgens Hutton moet Labour het contractkapitalisme van Thatcher en het oude corporatisme van Labour afschudden en een eigen 'kapitalistisch model’ ontwikkelen, waarin de markt is 'ingebed in vertrouwens- en verplichtingsnetwerken en dat de noodzaak onderkent van een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van risico en inkomen’. Het klinkt prachtig, maar intussen lijkt het Labour-programma verdacht veel op dat van de Conservatieven, inclusief nieuwe privatiseringen.
Ignatieff: 'De nieuwe Labour-elite heeft van Thatcher de harde les geleerd dat veel dingen inderdaad beter worden geregeld als je ze aan de markt overlaat. Ze zien in dat het dirigisme van de jaren zestig en zeventig corrupt en inefficiënt was, dat Thatcher niet eenvoudig een coup heeft gepleegd, maar dat haar bewind mogelijk werd door het falen van de naoorlogse sociaal-democratie. Ze zijn vastbesloten om niet opnieuw dezelfde fouten te maken. Blair zegt openlijk dat Thatcher in een aantal opzichten gelijk had. Hij zegt dat niet uit berekening, maar om schoon schip te maken. De voornaamste vernieuwing die hij zal brengen, is een minder dogmatische houding van de overheid inzake de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de particuliere en publieke sector.
En vergis je niet, de privatisering heeft in sommige gevallen heel goed uitgepakt. Bedrijven als British Airways of British Telecom boeken wereldwijd grote successen, dat zal niemand willen terugdraaien. Hoogstens maken sommige bedrijven zo verdomd veel winst dat Labour die zal willen afromen.
Maar de privatisering heeft ook veel kwaad bloed gezet. Er heerst diepe wrevel over de manier waarop overheidsbedrijven zijn vervangen door particuliere monopolies. Mensen willen niet dat busdiensten of de spoorwegen worden geprivatiseerd, ze vinden het krankzinnig om de gezondheidszorg of de veiligheid van de luchtvaart uit handen te geven aan particulieren. Blair profiteert van een wijdverbreid besef dat de thatcheristische revolutie zijn natuurlijke grenzen heeft bereikt.’
Ignatieff deelt tot op zekere hoogte het Euroscepticisme van veel Tories, zij het om andere redenen dan zij doorgaans aangeven. Ignatieff: 'Het probleem is dat de Britten soms zulke stompzinnige uitspraken over Europa doen. Je vindt ze in de boulevardbladen, maar ook gerespecteerde politici bezondigen zich eraan. De Britse nationale verbeelding kent nu eenmaal een aantal ronduit pathologische clichés. Helaas is dat wederzijds. Fransen die hier op bezoek komen, verwachten nog altijd het land van Jeeves aan te treffen en gaan ervan uit dat je hier geen behoorlijke maaltijd kunt krijgen. Zo heeft de overigens heel geestige en intelligente Britse komiek Harry Enfield als vaste personages in zijn programma twee Amsterdamse politieagenten, twee homo’s die verliefd zijn op elkaar en die in hun politieauto een joint roken terwijl ze de laatste roddels doornemen. Ziedaar de Hollanders. De carrousel van Europese vooroordelen draait kennelijk onverstoorbaar door, ook na vijftig jaar vreedzame samenwerking.
Daar staat tegenover dat dit land onvergelijkelijk veel Europeser is geworden in de twintig jaar dat ik er woon. Kijk naar het huidige koopgedrag van de Britten, hun restaurants, hun kleding, de verre reizen die ze maken, de manier waarop ze zich hebben opengesteld voor de rest van de wereld. En opmerkelijk genoeg heeft juist die internationalisering een politieke afweerreactie opgeroepen. De manier van leven van de Britten mag dan Europeser zijn geworden, hun manier van denken is minder Europees geworden.
En ik kan ze geen ongelijk geven. Europa is een eliteproject, ontworpen en uitgevoerd door Franse en Duitse managers en bureaucraten. Ook een deel van de Britse elite is natuurlijk voorstander van dat project omdat het financiële voordelen en veiligheid biedt. Vandaar de verscheurdheid van de Tories over Europa. De Britse zakenwereld heeft zich allang verzoend met de monetaire unie, omdat ze daardoor niet langer hoeft te vrezen voor koersverliezen. Maar de gewone Brit, net als de gewone burger in vrijwel ieder Europees land, heeft een instinctieve afkeer van dat ondemocratische Europese project. Krab een modale Fransman of Duitser en er komt net zo'n weerstand te voorschijn als bij de Britten.
De Britten maken bezwaar vanuit motieven die niets te maken hebben met hun insulariteit of chauvinisme. De identiteit van dit land berust op het besef dat men de oudste democratie van Europa is, de bron van alle vrijheden die nu in Europa vanzelfsprekend zijn. Dat is natuurlijk een onhistorisch standpunt. De wortels van de democratie liggen net zo goed in de Italiaanse stadstaten, in het Hollandse verzet tegen de Spanjaarden, de Amerikaanse en Franse revoluties, enzovoort. Maar voor de Britten is het een kwestie van nationale trots, ze vinden zichzelf een heel bijzonder soort democratie met een heel bijzonder rechtsstelsel. Als de Britten zeggen dat hun identiteit op het spel staat, dan bedoelen ze hun opvatting van democratische aansprakelijkheid.
Ik woon de helft van het jaar buiten Groot-Brittannië, ik heb helemaal niets op met de eurofobie en het platte chauvinisme van de boulevardbladen en de voetbalfans, en toch heb ik dezelfde twijfels over het federale Europa in wording, zelfs over de eenheidsmunt. Ik vind dat de democratie in dit land al tekortschiet en ik ben bang dat een verenigd Europa nog minder democratisch zal zijn. Ik verafschuw het Europese project dat de Frans-Duitse elite ons nu voorspiegelt. En die elite zet alleen haar wil door omdat ze zelf dat verenigde Europa hoopt te besturen. De Nederlanders en andere kleine volken denken dat ze geen enkele keus meer hebben, de Britten beseffen wel dat ze de keus hebben.
Als je je verdiept in de oudere opvattingen van democratie, die van Rousseau of de Atheense democratie, dan merk je dat die altijd waren gebonden aan een beperkte bestuurlijke eenheid. Rousseau had de heel duidelijke opvatting dat democratie alleen kon bestaan in stadstaten of kleine landen zoals Holland, met een grote homogeniteit. Een experiment als Europa, met vijftien tot twintig landen, elk met hun eigen geschiedenis, hun eigen talen, godsdiensten en rechtsstelsels, is ongehoord. Er staat zoveel op het spel dat je het alle tijd moet gunnen.’
'DE BRITTEN STELLEN op hoge toon de vragen die de rest van het continent zich ook zou moeten stellen. Het feit dat de Britten altijd hameren op de verschillen in identiteit tussen Europese landen heeft ook niet zozeer te maken met de kleren, de kaas of de taal van die landen, maar met hun politieke identiteit. Elk land heeft zijn eigen, bepalende politieke traditie. Wat Frankrijk tot Frankrijk stempelt, is de Franse revolutie. Wat Duitsers tot Duitsers maakt, is hun naoorlogse grondwet. Wat Groot-Brittannië tot Groot-Brittannië maakt, is parlementaire soevereiniteit en de heerschappij van de wet. Dat zijn geen mythen, dat zijn harde feiten waardoor maatschappijen wezenlijk verschillen. Als Canadees weet ik dat precies te benoemen, want Canadezen verschillen verder in geen enkel opzicht van Amerikanen. Zet ons in één kamer en je houdt ons met geen mogelijkheid uit elkaar. Maar we hebben een andere politieke traditie, we hebben niet meegedaan met de Amerikaanse revolutie. Dat stempelt ons tot Canadezen.
Daarom raakt het Europa-debat in Groot-Brittannië telkens vermengd met een debat over de voor- en nadelen van maatschappelijke systemen, de verdiensten van sociaal-democratie en laissez-faire-kapitalisme. Elk Europees land heeft een eigen systeem en voorgeschiedenis. Het Franse model is centralistisch, daar zouden de Nederlanders niets voor voelen. Daarentegen hebben de Britten in de jaren zestig geëxperimenteerd met het Duitse en Nederlandse model van collectief arbeidsoverleg en daarvan hebben ze hun buik meer dan vol. Laat ieder land de vrijheid houden om zijn eigen maatschappelijk stelsel te behouden of naar believen elementen uit andere stelsels over te nemen. Die variëteit lijkt me heel gezond.’