De Britten te vriend houden is Europees eigenbelang

‘We exporteren nog geen hamburger aan rundvlees naar de VS, en nog geen kebab aan lam’, sprak Boris Johnson in zijn eerste post-Brexit speech. Het was een passende preoccupatie voor een politicus die als columnist voor The Daily Telegraph zijn EU-kritiek ophing aan zogenaamde regels voor de kromming van bananen en het spookbeeld dat de EU chips met garnalencocktailsmaak zou verbieden. In zijn speech klaagde Johnson over de Amerikaanse importrestricties op haggis en Schotse whisky, in een poging morrende Schotten te paaien. Vissers werden genoemd, die als het aan Johnson ligt geen concurrentie meer hoeven te vrezen in Britse wateren. Soms lijkt het erop dat Brexit voor Boris vooral over eten gaat.

Maar Johnson weet dat politieke symboliek belangrijk is. De restjes van zijn symbolisch begrafenisdiner, geserveerd tijdens het sterven van het Britse EU-lidmaatschap, lijkt hij nu op te dienen als feestbanket om nieuwe verbintenissen van de Britten met de rest van de wereld te vieren. De Britten gaan exporteren, handeldrijven en nieuwe vriendschappen aan, is de belofte. En post-Brexit Britain, inmiddels een democratisch gesanctioneerde politieke realiteit, zal zoals de Britste premier zei niet meedoen aan een ‘race to the bottom’.

Niet alleen de Britse kiezer doet er verstandig aan Johnson aan die toezegging te houden. Ook de EU kan een rol spelen in het voorkomen dat Britse openheid naar de wereld uitloopt op een intern sociaal en economisch drama. En dat betekent oud zeer vergeten en op zoek gaan naar een nieuw vergelijk. De basis is er. Als we Johnson moeten geloven is vrijhandel het parool van een nieuw Groot-Brittannië. De EU, als handelsblok, opereert op basis van dezelfde liberale grondhouding.

Een harmonieuze relatie tussen politieke exen is denkbaar

Het VK te vriend houden is ook strategisch eigenbelang. Johnson klaagde in zijn speech over politici die met importtarieven zwaaien, een duidelijke verwijzing naar Trump. Zolang in Amerika een protectionistische president aan de macht is, heeft de EU het ideale uitgangspunt om de Britten in haar kamp te houden. Het plan van Emmanuel Macron om een Europese Veiligheidsraad op te zetten waar ook Groot-Brittannië bijhoort, is een stuk makkelijker als er ook economische verbintenissen zijn.

Dit is de sleutelzin uit Johnsons speech: ‘We verlaten de EU niet om Europese standaarden te ondermijnen.’ Hij sprak die woorden in een opsomming van wat Groot-Brittannië in zijn optiek beter doet: ouderschapsverlof geven, minimumloon betalen, plastic uitbannen. Natuurlijk is dat selectief shoppen. Dat dertig procent van de Britse kinderen opgroeit in armoede, om een voorbeeld te noemen, is beschamend voor een rijk land als het Verenigd Koninkrijk.

Tegelijk wijst Johnson op iets belangrijks. Het plaatje van een warm en sociaal Europa versus een kil en neoliberaal Groot-Brittannië klopt niet meer. Europees tuchtbeleid na de crisis heeft zijn sporen nagelaten. De Britse inkomenskloof ligt net onder het EU-gemiddelde. De Britten zijn harder op weg hun economie te vergroenen dan menig EU-lid. Dus als Johnson niet wil onderdoen voor Europese sociale en ecologische standaarden is dat een aansporing om die zo hoog mogelijk te zetten, en als voorwaarde te stellen bij nieuwe handelsafspraken.

Opinieridders en politici op de flanken roepen dat het tijd is voor Nederland om te volgen. Alsof de steun voor het EU-lidmaatschap in dit land niet overweldigend is. Wie denkt dat dit een startschot is voor verdere verbrokkeling van de EU trekt de verkeerde les uit Brexit. ‘Vrijheid’ klinkt mooi, maar de dag nadat vrijheid verworven is, moet die worden aangewend om er iets verantwoords mee te doen. De regering-Johnson moet nu bewijzen dat ze het leven voor Britten beter kan maken. De EU moet in de goede richting blijven wijzen waar nodig, en leren van het VK waar het kan. Omgekeerd geldt hetzelfde. Op die manier is een harmonieuze relatie tussen politieke exen denkbaar.