Tim O’Brien, July, July

De brokstukken van 1969

Tim O’Brien

July, July

Vertaald door Kris Eikelenboom

Uitg. Bzztôh, 287 blz., € 19,50

Hoe kun je een waarachtig oorlogsverhaal vertellen? Dat vraagt Vietnamveteraan Tim O’Brien zich af in zijn verhalenbundel The Things They Carried (1990). Een authentiek oorlogsverhaal moraliseert, generaliseert en analyseert niet, maar bewandelt de beeldende omweg van, bijvoorbeeld, het betekenisvolle zonlicht dat een rivier bij dageraad op een zeer speciale manier beschijnt. Zo’n verhaal vol variërende lichttinten boven beweeglijk water gaat in wezen over liefdesherinneringen en verdriet, over familie die niets van zich laat horen en over slecht luisterende mensen.

In zijn roman In het Meer van de Wouden (1996) legt O’Brien een verband tussen zijn hoofdpersonage John Wade en het My Lai-»incident» van 16 maart 1968, waarbij vijfhonderd dorpelingen door Amerikaanse GI’s werden gedood. Wade is een politicus die de senaatsverkiezingen verliest omdat zijn oorlogsmisdaden in Vietnam aan het licht komen. Met zijn vrouw, die later op mysterieuze wijze verdwijnt, trekt hij zich terug in de bossen van Noord-Amerika. Wade is een meester van de verdwijntruc. In Vietnam, een land van «geesten en graven», werd Wade de Tovenaar genoemd. Wie schuilt er achter het mombakkes van de magiër?

Ondanks de door O’Brien ingelaste getuigenverklaringen en pseudo-wetenschappelijke voetnoten uit de wereldliteratuur en de traumaleer blijft Wade wazig. Wat cruciaal is, vermeldt O’Brien terloops, in een terzijde, een weggestopte voetnoot. Wat weet de verteller bijvoorbeeld van de oorzaak van de My Lai-oorlogsmisdaad? «Het was het zonlicht. Het was de ontaarding die langzaam in je bloed sijpelt en oververhit raakt en begint te koken.» Zo’n verklaring is ingewikkelder dan een simpel verhaal over goed en kwaad. Oorlog is meer dan een onzichtbare vijand die opeens opduikt en weer wegduikt. Ontaarding is degeneratie maar ook het je voelen opgaan in het licht boven het Vietnamese landschap, dat tropische heart of darkness en mysterie, dat overrompelende anderszijn van een vijand die zich niet liet kennen en frustratie en woede opwekte. Het kwaad is geen klaar verhaal. Een rechtvaardiging van My Lai blijft «zinloos en schaamteloos. Het gaat me er eerder om te getuigen van het ondoorgrondelijke mysterie van het kwaad. Ook ik kon vijfentwintig jaar geleden, als doodsbange jonge soldaat, het zonlicht proeven. Ik kon de ontaarding ruiken. Ik kon de slachtpartij onder mijn oogbollen horen sissen als kokend vet.»

De oorlog lijkt surrealistisch en soldaten blijken dromerige, aan marihuana en morfine verslingerde escapisten (Going after Cacciato, 1977). Waarom ging Tim O’Brien in 1969 naar Vietnam en vluchtte hij niet, als dienstweigeraar, naar Canada? «Uiteindelijk bestond er minder reden en meer zwaartekracht» (If I Die in a Combat Zone, 1975). En met «zwaartekracht» bedoelde O’Brien emotionele druk, angst voor ballingschap, familiepijn en de vrees alles en iedereen kwijt te raken.

Ongemerkt ben ik midden in Tim O’Briens nieuwe roman July, July beland. Die beschrijft een reünie in het jaar 2000 van een eindexamenklas uit 1969. In dat cruciale jaar landde de eerste mens op de maan (21 juli), waren de Vietnamoorlog en het verzet daartegen maatschappelijk twistpunt nummer 1 en groeiden het engagement en de politieke hoop uit tot onbegrensde mogelijkheden. «Er was goed en er was kwaad, en moreel vuur.»

Maar die sixties-drang om de wereld te veranderen, bleek het omgekeerde te bewerkstelligen: de wereld heeft hén veranderd. De moraal is van een andere orde. «Het is niet van wezenlijk belang of we het buitenissige nu aanvaarden of niet. De wereld doet haar werk. De holocaust. De verbazingwekkende Metropolitans, Michael Jackson.» De naar liefde hunkerende reünisten koesteren hun hele leven lang grote verwachtingen, maar hun hoop wordt geamputeerd, ook letterlijk, en hun dromen en illusies spatten in waardeloze brokstukken uiteen. Het slagveld is niet alleen Vietnam maar ook het Amerikaanse leven na de Vietnamoorlog waarin het idealisme snel wordt ingeruild voor pragmatisme.

July, July is een biecht in brokstukken over wat er verkeerd ging en in duigen viel: fragmentarische en met elkaar vervlochten biografietjes van jaren-zestigkinderen die door Vietnam, geheimen, verlies, ziekte, wraak, wreedheid, moord, leugen, bedrog en overspel zijn getekend: de eenbenige Vietnam veteraan David Todd hoort nog steeds de radiostem van Johnny Ever aan de oever van de Song Tra Ky, waar zijn eenheid werd kapotgeschoten. «Ever» is voor hem een cynische en visionaire beschermengel, een netwerk, «een soort Walter Cronkite die het hele heelal bestrijkt» en die hij overal en altijd hoort. Billy McMann is een wraakzuchtige dienstontduiker die in 1969 naar Winnipeg vlucht maar zijn jeugdliefde Dorothy Stier kwijtraakt. Ex-Vietnamactiviste Dorothy kreeg dankzij de vredesbeweging een sociale context (de slachting als «redding») en een menswaardig bestaan, maar ze ruilde haar «linkse» sympathieën al snel in voor geld, gezin en Republikeinse waarden en normen. Ze overleeft borstkanker maar blijkt stuurloos in 2000. Iedereen zeult wel een dode, een verloren geliefde, een absurd geheim of een gewond ego mee.

Tim O’Brien heeft de niet-uitgekomen dromen, de nachtmerrie na 1969, van zijn personages een mooi ritme meegegeven door ze op evenwichtige wijze «verknipt» door zijn roman heen te «strooien». Hij laat de dominee zonder kerk en kudde Paulette Haslo zeggen hoe hij te werk is gegaan, welke biografische fragmenten uit het bestaan van zijn personages hij heeft uitvergroot: «De momenten dat we een beslissing nemen, die blijven bewaard. (…) Als we ja of nee zeggen. (…) Dat maakt een leven tot een leven, alle andere dingen raak je kwijt (…). Enorme brokken tijd. Het is alsof je je eigen leven ongebruikt hebt gelaten.»

Daar gaat July, July over: versmade kansen, misgelopen gelegenheden, te late eerlijkheid, overgeslagen maatschappelijke mogelijkheden, te groot verlangen voor een te klein bestaan. O’Briens personages smachten naar geluk zonder dat ze weten wat dat is en waar ze het kunnen vinden, en dat voedt hun hunkering. De reünie vormt een valkuil waardoor ze in de leegte tuimelen waar vroeger hun dromen rondwaarden. Noem die dromen maar «1969».