Iemand spoot slogans op een muur in het Servische grensplaatsje Backa Palanka. De letters zijn nog vers en trekken mijn aandacht. Want er staat een afbeelding van Ratko Mladić naast. Dat is de man die in 1995, samen met Radovan Karadžić, de massamoord op 8400 moslimmannen in Srebrenica organiseerde. Mladić en Karadžić waren ook verantwoordelijk voor het beleg van Sarajevo. Vier jaar lang beschoten Servische sluipschutters de bevolking van de Bosnische hoofdstad en vermoordden bijna twaalfduizend mensen. Nu wonen beide mannen – en voor de rest van hun leven – aan de Pompstationsweg 32 te Scheveningen. De afbeelding van Mladić is gemaakt met een sjabloon en dezelfde zwarte spuitverf. Waarschijnlijk zal de afbeelding op nog veel meer muren te vinden zijn. Ik neem er foto’s van.

In een kroeg, honderd meter verderop, klets ik met een voetballer. Hij is professioneel voetballer maar heeft nu een knieblessure. Op een grote televisie spelen Engelse teams tegen elkaar. Voor de voetballer gaat er niets boven Rode Ster Belgrado. Het is een leuke knul met een open gezicht. Ik laat hem de foto’s zien die ik een halfuur eerder van de gesjabloneerde Mladić maakte.

‘Dat is onze grote generaal’, zegt hij. ‘Generaal Mladić vocht voor ons. Nu zit hij gevangen, voor dingen die hij nooit heeft gedaan.’ ‘Wat heeft hij dan niet gedaan?’ vraag ik. ‘Oorlogsmisdaden’, zegt de voetballer. ‘In alle oorlogen gebeuren dingen, maar onze generaal Mladić is ten onrechte beschuldigd. Waarvan weet ik ook niet.’ Ik laat hem de foto van de slogans zien. ‘Wat zeggen die leuzen over hem?’ De voetballer vertaalt ze losjes. ‘Dat buitenlandse groepen zich niet met ons moeten bemoeien’. Oké. ‘En wie zijn die buitenlandse groepen dan?’ ‘Dat zijn de mensen die door Soros worden betaald.’ Aha. En wat heeft Mladić met die groepen te maken? ‘De mensen die dat opschreven, die houden van Mladić.’ Wie zijn deze mensen dan? ‘Dat weet ik niet, misschien zijn het Red Star Ultra’s, supporters van Rode Ster Belgrado.’

Dan vindt de voetballer het weer mooi geweest. Praten over de Joegoslavië-oorlog ligt gevoelig in Servië. ‘Ach weet u, Mladić, Soros, dat is allemaal politiek. Ik doe daar niet aan. Ik ben al blij wanneer ze me komend voorjaar weer opstellen.’ Ik vertel hem van mijn lange wandeling en dat ik Servië morgen alweer verlaat en de brug over de Donau oversteek naar Kroatië. Hij knikt. ‘Vroeger, in het oude Joegoslavië, wandelden mijn ouders nog over die brug om aan de andere kant vrienden en familie op te zoeken. Maar dat doen we nu niet meer’.

Zoiets vermoedde ik al. Hier, in Backa Palanka, zag ik niet één auto met een Kroatisch nummerbord. Ooit verbond de Donaubrug mensen. Nu is hij een harde grens die zowel Kroaten en Serviërs liever niet meer oversteken. Een grens bovendien tussen Servië en de Europese Unie. Servië wil daar overigens graag bij aansluiten. Maar Brussel vindt dat het land er nog niet klaar voor is. Wel werd Servië in 2011 kandidaat-lid. Volwaardig EU-lid kan het land pas worden wanneer beide partijen over 34 onderwerpen overeenstemming bereiken.

Dat zijn onderwerpen variërend van ‘vrij verkeer van goederen’ tot ‘normalisering van de betrekkingen met Kosovo’. Het is een afvinklijst. En als ik het goed begrijp, gaat het daar de goede kant mee op. Het grootste openstaande thema is nog milieu, gevolgd door vier andere onderwerpen, waaronder ‘rechterlijke macht en fundamentele rechten’ en ‘justitie, vrijheid en veiligheid’. Regelt de Servische overheid ook die onderwerpen naar Europese standaarden, dan staat toetreding niets meer in de weg.

Het is een ontwikkeling die mij, laat ik het maar vrijuit zeggen, niet erg geruststelt. De recente ervaringen met Hongarije en Polen spelen daarbij een belangrijke rol. En simpele kroeggesprekken zoals met de voetballer maken het er niet beter op. Want afbeeldingen van Mladić, inclusief slogans tegen buitenlandse inmenging, staan bepaald niet op zichzelf.

Twee weken eerder loop ik in Belgrado langs het bronzen beeld van een jonge man. Wanneer ik het Cyrillisch ontcijfer, blijkt het Gavrilo Princip te zijn. Princip was de Servische nationalist die in Sarajevo op 28 juni 1914 de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en diens echtgenote doodschoot. De moord leidde tot Oostenrijks-Hongaarse invasie van Servië, die vervolgens weer de Eerste Wereldoorlog uitlokte.

Zonder Gavrilo Princip nu verantwoordelijk te stellen voor een van de meest dodelijke conflicten uit de wereldgeschiedenis, is het nu ook weer geen man die je met een standbeeld vereert. Over het algemeen wordt Princip dan ook gezien als een moordenaar en een terrorist, wiens aanslag op Franz Ferdinand op zijn minst bijdroeg aan de dood van tientallen miljoenen Europeanen.

Servië kijkt daar dus anders tegenaan. Het standbeeld voor Princip is een idee van de huidige Servische president Aleksandar Vučić, maar werd geschonken door een andere president. Door Milorad Dodik, de president van ‘Republika Srpska’, de Servische enclave in het naburige Bosnië. In deze enclave ligt onder meer Srebrenica.

Het beeld werd feestelijk onthuld op 28 juni 2015, precies 101 jaar na de aanslag van 1914. Een orthodoxe priester zegende het met wijwater en behalve de Servische president was ook Milorad Dodik erbij. In een café niet ver van het standbeeld lees ik wat meer over deze Dodik. En wat ik lees bevalt me niet. Volgens Dodik was Princip een vrijheidsstrijder die Servië volledig los wilde maken van Oostenrijk-Hongarije en stond hij in de traditie van de ‘tirannendoders’. In die redenering zou je nog mee kunnen gaan, zelfs al weet je dat Servië op dat moment een zelfstandig koninkrijk was, los van Oostenrijk-Hongarije.

Dat wordt lastiger wanneer Dodik een link legt met de gebeurtenissen in Srebrenica. Volgens Dodik zou in 1995 überhaupt geen massamoord gepleegd zijn. En zou er wél zijn gemoord, dan ging het om veel kleinere aantallen. In tal van interviews en toespraken noemt Dodik het bloedbad een ‘gearrangeerde tragedie’ bedoeld om de Serviërs ‘extreem te belasteren’. Dodik heeft het over een ‘vermeende genocide’, bedacht door ‘sommige westerse landen’ ‘om het Servische volk collectief schuldig te maken’. Dodik: ‘De misdaad in Srebrenica is een geënsceneerde tragedie met als doel de Serviërs te sataniseren.’ ‘Overal geven ze ons de schuld van’, klaagt Dodik. ‘Wij Serviërs vielen nooit iemand aan, we hebben ons alleen verdedigd.’

Wat wél gebeurde in Srebrenica, en waar volgens Dodik niemand het over wil hebben, zijn de gruweldaden van Naser Orić. Deze Orić was de commandant van de moslimbrigade in Srebrenica. Het was een legertje dat niet alleen de moslimbevolking probeerde te verdedigen, maar dat zich ook schuldig maakte aan roofovervallen op Servische dorpen rondom Srebrenica. Het waren overvallen waarbij tientallen Serviërs om het leven kwamen. Na de oorlog werd ook Naser Orić door het Joegoslaviëtribunaal gedagvaard. Hij kreeg twee jaar gevangenisstraf ‘wegens het niet verhinderen van oorlogsmisdaden door zijn ondergeschikten’.

Volgens Dodik nu, moeten we het niet langer hebben over de massamoorden onder Mladić en Karadžić op de vluchtelingen in Srebrenica of het beleg van Sarajevo, maar over de wandaden van Orić’s brigade in de Servische dorpen. Volgens Dodik zijn dan ook niet de Bosnische moslims de ‘slachtoffers van Srebrenica’ – dat zijn zowel de door de moslimbrigade overvallen Serviërs als alle Serviërs die na de oorlog zo zwaar met schuld werden belast.

Afijn. Dát is dus wat me niet bevalt. Dit onbarmhartige gegoochel met de cijfers, deze relativering van de grootste genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog, deze omkering van daders en slachtoffers en deze Servische hang naar slachtofferschap.

Ik verlaat Belgrado voor een wandeling naar de Kroatische grens, pal langs een verstilde en winterse Donau. Ergens halverwege, in het plaatsje Stari Banovci, overnacht ik in een hotel. Boven mijn ontbijttafel hangt een foto, overduidelijk genomen bij de plek waar ik nu zit. Op die foto staan vier mannen. Een van die vier is Radovan Karadžić die samen met Ratko Mladić de etnische zuiveringen in Bosnië-Herzegovina organiseerde en die de opdracht gaf voor de massamoord in Srebrenica.

Na het einde van de Joegoslavië-oorlog blijkt Karadžić plots verdwenen. Vermomd als alternatief genezer, incluis baard, lang haar en energieknotje, werkt hij jarenlang in een kliniek in Belgrado. In 2008 wordt hij alsnog opgepakt. Net als Mladić wordt ook Karadžić veroordeeld tot levenslang. En nu hangt hij hier, in Stari Banovci, pal boven mijn kaasomelet met brood.

Wanneer de ober koffie brengt, vraag ik hem naar het waarom van Karadžić’s pontificale aanwezigheid. De ober, ik schat hem halverwege de dertig, ruikt meteen onraad en deinst terug. ‘Voor jullie is hij een oorlogsmisdadiger, dat weet ik. Voor ons is hij een held.’ ‘Wat maakt hem een held?’ vraag ik belangstellend. ‘Karadžić verdedigde ons, hij verdedigde Servië. Maar ik weet er ook niet veel van.’ Lachend: ‘Ik ben veel te dom voor politiek’.

Enkele dagen later arriveer ik in Novi Sad, de tweede stad van Servië. De avond begint al te vallen. Ik steek de Donau over en sla linksaf naar mijn Airbnb-appartement. Tegen een kantoorgebouw hangt een enorme afbeelding van een man die ik me, net als de veroordeelde oorlogsmisdadigers Karadžić en Mladić maar al te goed herinner. Het is Vojislav Šešelj, oprichter en leider van de neofascistische ‘Radicale Partij’. In de oorlogsjaren was Šešelj ‘hoofdpropagandist’ van het Milošević-regime.

Met ‘hatelijke propaganda wakkerde hij geweld tegen Kroaten en moslims aan’, zouden de aanklagers van het Joegoslaviëtribunaal later over Šešelj zeggen. Daarmee was hij medeschuldig aan de moord op duizenden en de verplaatsing van tienduizenden Kroaten en moslims in Bosnië. Bovendien zou Šešelj paramilitaire groepen hebben opgericht om tegen deze bevolkingsgroepen wreedheden te begaan.

Na een ellenlang proces veroordeelde het Joegoslaviëtribunaal Šešelj pas in 2018 tot ‘misdaden tegen de menselijkheid’. Omdat de man al te lang in voorarrest zat, werd Šešelj in 2014 vrijgelaten. En hier in Novi Sad hangt de crimineel dus levensgroot tegen de muur. Want Šešelj zit alweer lang en breed in het Servische parlement. En wanneer ik ‘s avonds de televisie aanzet, zie ik hoe de man in een talkshow het hoogste woord voert.

‘Anders dan Duitsland na de Tweede Wereldoorlog is Servië nooit gedenazificeerd.’ Dat schrijft de Servische politicoloog en mensenrechtenactivist Milos Ciric in de fascinerende longread ‘Serbia has scarcely tried to escape Milošević poison’. Zonder dat Ciric het Servië onder Milošević een-op-een wil vergelijken met Duitsland onder Hitler, deelden beide regimes een hoge mate van xenofobie. Net als Hitlers Duitsland dreef Milošević’ Servië op een wreed racisme jegens mensen met een andere etnische afkomst. Moslims, uit Bosnië en Kosovo, waren de grootste slachtoffers. Zij werden van huis en haard verdreven, opgesloten in concentratiekampen, gemarteld, verkracht en uiteindelijk met tienduizenden vermoord.

Maar terwijl Duitsland meteen na de Tweede Wereldoorlog begon met een proces van zelfinspectie en het afleggen van verantwoordelijkheid, is dat in Servië nooit gebeurd. In 2018 bleek uit een opiniepoll dat maar 23 procent van de Serviërs überhaupt wist dat hun landgenoten in de jaren negentig Sarajevo belegerden. En gaat het in Servië om Srebrenica, dan gaat het om de ‘oneerlijke’ weergave van het bloedbad door het Joegoslaviëtribunaal, om het ‘oneerlijke’ aanwijzen van de Serviërs als degenen die de oorlog begonnen en de ‘oneerlijke’ bewering dat de Serviërs de meeste oorlogsmisdaden uitvoerden.

Opeenvolgende regeringen, tot en met die van de huidige president Aleksandar Vučić, slaagden erin de rollen om te draaien. Geslachtofferde Bosniërs, Kroaten en Kosovaren veranderden in één nacht in daders, en Serviërs in slachtoffers. Veroordeelde oorlogsmisdadigers als Mladić, Karadžić en Šešelj zijn nu oorlogshelden. En het Joegoslaviëtribunaal wordt inmiddels door veel Serviërs gezien als een westerse aanval op een onschuldig land dat niet meer deed dan zichzelf verdedigen tegen een vijandige buitenwereld. En ik hoop dat Servië vooralsnog geen lid wordt van de Europese Unie.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.