De Argentijnse arbeidersstrijd

De Brukman-fabriek

In 1812 bestormden troepen Britse wevers en naaiers textielfabrieken en sloegen met hun hamers industriële machines kapot. Volgens de Luddieten hadden de nieuwe gemechaniseerde weefgetouwen duizenden banen doen verdwijnen, en gemeenschappen gebroken, en verdienden dus te worden vernietigd. De Britse regering was het daar niet mee eens en zette een bataljon van veertienduizend soldaten in om op brute wijze de arbeidersopstand neer te slaan en de machines te beschermen.

We spoelen nu vooruit, twee eeuwen, naar een andere textielfabriek, in Buenos Aires. Bij het bedrijf Brukman, dat al vijftig jaar mannenpakken produceert, is het de oproerpolitie die de naaimachines kapotslaat en zijn het de 58 arbeiders die hun leven riskeren om ze te beschermen.

Maandag was de Brukman-fabriek het toneel van de ergste repressie in Buenos Aires in bijna een jaar. De politie had de arbeiders midden in de nacht uit het pand gezet en de hele buurt veranderd in een militaire zone. De arbeiders konden de fabriek in om een uitstaande order voor drieduizend broeken af te maken, en ze verzamelden een menigte sympathisanten en kondigden aan dat het tijd was om weer aan het werk te gaan. Om vijf uur ’s middags liepen vijftig naaisters van middelbare leeftijd naar de politiehekken. Iemand duwde, het hek viel om, en de Brukman-vrouwen, ongewapend en arm in arm, liepen langzaam door. De politie begon te schieten: traangas, waterkanonnen, eerst rubber kogels, toen lood. Tientallen demonstranten raakten gewond en de politie schoot met traangas in een ziekenhuis waar enkelen een veilig heenkomen hadden gezocht.

Dit is een momentopname van Argentinië een paar dagen voor de presidentsverkiezingen. Alle vijf belangrijkste kandidaten beloven dit door crisis verwoeste land weer op poten te krijgen. Toch worden de arbeiders van Brukman behandeld alsof het naaien van een grijs pak een halsmisdrijf is.

Vanwaar deze woede op machines? Welnu, Brukman is niet zomaar een fabriek, het is een fabrica ocupada, een van de bijna tweehonderd bedrijven door het hele land die in het laatste anderhalf jaar zijn overgenomen en worden bestuurd door de werknemers. Voor veel mensen zijn de fabrieken behalve een economisch ook een politiek alternatief. «Ze zijn bang voor ons omdat we hebben laten zien dat als we een bedrijf kunnen besturen we ook een land kunnen besturen», zei Brukman-medewerker Celia Martínez maandagavond. «Dat is de reden dat deze regering besloot ons te onderdrukken.»

Op het eerste gezicht is Brukman een gewone kledingfabriek. Net als andere zit ze vol met over naaimachines gebogen vrouwen. Wat Brukman anders maakt, zijn de geluiden. Er is het bekende gedreun van machines en het sissen van stoom, maar ook klinkt er Boliviaanse volksmuziek, en hoor je stemmen van oudere arbeiders die jongere helpen. «Dat mochten we vroeger niet van ze», zegt Martínez. «Van de eigenaren mochten we niet opstaan van onze werkplek of naar muziek luisteren. Maar waarom niet een beetje muziek, om de stemming te verhogen?»

Hier in Buenos Aires is er elke week een nieuwe bezetting: een viersterrenhotel dat nu wordt geleid door het schoonmaakpersoneel, een regionale luchtvaartmaatschappij die door de piloten is getransformeerd tot een coöperatief. In kleine trotskistische kranten overal ter wereld worden de bezette fabrieken in Argentinië, waar de arbeiders de productiemiddelen hebben gegrepen, toegejuicht als het begin van een socialistisch utopia. In bladen als The Economist worden ze onheilspellend beschreven als een bedreiging voor het heilige principe van privé-bezit. De waarheid ligt ergens in het midden.

In Brukman, bijvoorbeeld, werden de productiemiddelen niet gegrepen, ze werden simpelweg opgeraapt nadat de wettige eigenaren ze hadden laten liggen. De fabriek was al enkele jaren in verval, schulden aan leveranciers stapelden zich op, en binnen vijf maanden hadden de naaisters hun salaris zien slinken van honderd naar twee pesos per week — niet eens genoeg voor de bus.

Op 18 december besloten de arbeiders een reiskostenvergoeding te eisen. De eigenaren zeiden, met een beroep op de armoede, dat de medewerkers in de fabriek moesten wachten terwijl zij het geld gingen zoeken. «We wachtten op ze tot het avond werd. We wachtten tot het nacht werd», zegt Martínez. «Er kwam niemand.»

Nadat ze de sleutel hadden gekregen van de portier gingen Martínez en de andere arbeiders slapen in de fabriek. Sindsdien besturen ze het bedrijf zelf. Alle beslissingen worden democratisch genomen, bij stemming in openbare vergaderingen. «Ik begrijp niet waarom die eigenaren het zo moeilijk hadden», zegt Martínez. «Ik weet niet veel van boekhouden, maar volgens mij is het makkelijk: optellen en aftrekken.»

Brukman is hier een nieuw soort arbeidersbeweging gaan representeren, die niet is gebaseerd op de macht om op te houden met werken (de traditionele tactiek van de vakbond) maar op de noeste vastbeslotenheid om te blijven werken, wat er ook gebeurt. Het wordt niet gedreven door dogmatisme maar door realisme: in een land waar 58 procent van de bevolking in armoede leeft, weten arbeiders dat ze slechts één loonstrookje verwijderd zijn van de bedelstaf. Het spook dat door de bezette fabrieken van Argentinië waart is niet het communisme, maar armoede.

Maar is het niet regelrechte diefstal? De arbeiders hebben de machines immers niet gekocht; dat deden de eigenaren. Als zij ze willen verkopen of naar een ander land verhuizen, dan is dat hun goed recht. Zoals de federale rechter schreef in het uitzettingsbevel van Brukman: «Leven en lichamelijke integriteit hebben geen suprematie boven economische belangen.»

Misschien onbedoeld somde hij daarmee de naakte logica van gedereguleerde globalisering op: kapitaal moet de vrijheid hebben de laagste lonen en meest lucratieve opdrachten te vinden, ongeacht de tol die dat proces eist van mensen en gemeenschappen.

De arbeiders in de bezette fabrieken van Argentinië hebben een andere opvatting. Hun advocaten stellen dat de eigenaren van die fabrieken al marktprincipes hebben geschonden door hun werknemers en crediteuren niet te betalen, ook al kregen ze enorme subsidies van de staat. Waarom kan de staat nu niet afdwingen dat de overgebleven assets van de bedrijven-met-schulden de bevolking blijven dienen met stabiele banen? Tientallen arbeiderscoöperatieven hebben al wettelijke onteigening toegekend gekregen. Brukman vecht nog.

In 1812 stelden de textielbedrijven winst voor weinigen boven een hele levenswijze. De opstandige arbeiders probeerden die destructieve logica te bestrijden door de machines te verwoesten. De Brukman-werknemers hebben een veel beter plan: de machines beschermen en de logica verwoesten.

Dit stuk verscheen eerder in The Nation

Vertaling: Rob van Erkelens