FLORENCE AUBENAS, LE QUAI DE OUISTREHAM

De brullende borstel

Undercover werkend als schoonmaakster toont de Franse journaliste Florence Aubenas onvermoede literaire vermogens.

Er zullen weinig schrijvers zijn die een boek opdragen aan een puffende, ratelende Fiat. Journaliste Florence Aubenas (49) deed dat met Le quai de Ouistreham, dé Franse literaire non-fictiebestseller van dit voorjaar. Zonder deze geleende ‘Tracteur’ was het boek nooit tot stand gekomen.
Wanneer Aubenas begin 2009 onbetaald verlof opneemt bij opinieblad Le Nouvel Observateur laat ze het gerucht circuleren dat ze naar Marokko is vertrokken om een roman te schrijven. In werkelijkheid neemt ze haar intrek in een gemeubileerde kamer in Caen, een havenstad op nog geen tweehonderd kilometer van haar woonplaats Parijs. Daar kruipt ze zes maanden lang in de huid van een femme de ménage om aan den lijve te ondervinden hoe het is om in tijden van economische crisis op de armoedegrens te leven. Ze maakt achtereenvolgens campinghuisjes, kantoren en kantines schoon om uiteindelijk te belanden bij de veerdienst van Ouistreham, waar ze tussen aankomst en vertrek in een moordend tempo de hutten moet schoonmaken. Het baantje wordt ook wel 'de hel van Ouistreham’ genoemd: hoge werkdruk, lage verdiensten, slechte aansluiting op het openbaar vervoer, onmogelijke werktijden. Toch ontmoet ze op deze veerdienst solidaire collega’s met wie ze ook na haar terugkeer naar Parijs bevriend blijft.
Aubenas werkte tot 2005 bij het linkse dagblad Libération, waarvoor ze verslag deed vanuit brandhaarden als Kosovo, Rwanda, Algerije en Afghanistan. Ze verwierf bekendheid met een boek over de affaire-Outreau, een zaak waarbij justitie dertien mensen ten onrechte veroordeelde wegens pedofilie. In dat boek (La Méprise, 2005) toonde ze aan hoe het mogelijk is dat onderzoeksrechters onder druk van de media en de publieke opinie de waarheidsvinding uit het oog verliezen. Eerder bekritiseerde ze de macht van de media in La fabrication de l'information, 1999), een boek dat ze schreef met psychoanalyticus Miguel Benasayag. In 2005 werd Aubenas wereldnieuws toen ze tijdens het maken van een reportage in Irak gegijzeld werd en pas na 157 dagen vrijkwam. Sinds vijf jaar werkt ze voor het weekblad Le Nouvel Observateur.
Als journaliste loopt Aubenas regelmatig aan tegen de begrenzingen van haar vak. Zo is een fenomeen als de economische crisis, ondanks de dagelijkse berichtgeving in de media, eigenlijk altijd een raadsel voor haar gebleven: 'Als verslaggever kun je mensen aan de onderkant van de maatschappij interviewen, je kunt economen spreken en indrukwekkende tabellen afdrukken, zonder dat je erin slaagt de werkelijkheid te vangen, al was het maar omdat je uitsluitend mensen aan het woord laat die zich goed kunnen uitdrukken’, zegt ze in een recent interview.
Aubenas is niet alleen nieuwsgierig naar de wereld achter de nieuwsfeiten, ze wil ook weten wat er gebeurt wanneer ze uit de tredmolen van deadlines en protocollen stapt. Daarom besluit ze zich onder te dompelen in de wereld van de précaires, de mensen die met behulp van kortdurende contracten de eindjes aan elkaar moeten knopen. Inspiratiebron vormt Günter Wallraffs Ik, Ali (Ganz Unten, 1985), het schokkende undercoververslag waarin de schrijver vermomd als Turk het racisme in Duitsland in kaart brengt.
Toen Aubenas zich in februari 2009 transformeerde van verslaggeefster bij een gezaghebbend weekblad tot werkzoekende, gescheiden vrouw zonder diploma’s, stuitte ze al snel op een probleem: de gereedschappen van een journalist lijken vooral geschikt te zijn voor het exceptionele: de ramp, de redding, de hype. Hoe beschrijf je de monotone gang langs uitzendbureaus, het urenlange reizen, de verveling, de uitputting en vooral: het eindeloze wachten? Het probleem blijkt onvermoede literaire vermogens bij Aubenas aan te boren. De beschrijvingen van de dagelijkse sleur van het uitzendwerk en de minutieuze karakterschetsen van haar collega’s riepen bij critici herinneringen op aan het werk van grote Franse auteurs als Stendhal, Zola en Céline.
Als femme de ménage ben je niemand, zo voorspellen haar collega’s haar. 'Eerst word je gekleineerd, ten slotte word je onzichtbaar.’ En inderdaad: wanneer schoonmaakster Aubenas een zoenend stelletje in een kantoorruimte ontdekt en extra lawaai maakt om hen te waarschuwen, gaat het paartje ongehinderd over tot het losmaken van knoopjes en bh-bandjes. Met een klap realiseert Aubenas zich dat ze haar wel degelijk hebben gezien, maar haar aanwezigheid domweg irrelevant vinden.
Toch leest Le quai de Ouistreham - in tegenstelling tot Wallraffs boek - niet als een aanklacht; inzet van Aubenas blijft vooral het in kaart brengen van 'het raadsel van de crisis’. Ook Wallraffs credo 'men moet misleiden om achter de waarheid te komen’ gaat slechts ten dele op: Aubenas heeft weliswaar een gefingeerd cv, maar behoudt haar eigen naam en gezicht - een gezicht dat ten tijde van haar gijzeling levensgroot door heel Frankrijk was aangeplakt. En waar Wallraff doelbewust de confrontatie opzoekt (Ali probeert katholiek te worden, gaat op bezoek bij een ultra-rechtse bijeenkomst) doet Aubenas’ benadering nog het meest denken aan hoe de Franse filosofe Simone Weil (1909-1943) in de jaren dertig als frezer in dienst treedt bij de Renault-fabrieken om haar theorie van l'expérience vécue, de 'geleefde ervaring’, in de praktijk te brengen. Bij Aubenas is het niet verontwaardiging maar tomeloze nieuwsgierigheid die het boek voortstuwt.
Dat zorgt ervoor dat er in Le quai de Ouistreham veel ruimte is voor humor. De beschrijvingen van de gesprekken in de uitzendbureaus zijn vaak hilarisch. Hoogtepunt is een scène waarin Pôle l'Emploi (een organisatie vergelijkbaar met het Arbeidsbureau) een klasje met aspirant schoonmakers onderwijst in het gebruik van de monobrosse - een manshoge, brullende borstelmachine bijgenaamd 'Het Beest’ - die bij incorrect gebruik met schoonmaker en al een vernietigende dans tussen de meubels begint. Juist dit soort scènes legt de eindeloze treurigheid van het leven in uitzendland bloot.
Net als Wallraff lukte het Aubenas niet om in haar levensonderhoud te voorzien. Ondanks een uiterst bescheiden levenswijze moesten er grote uitgaven worden gedaan, want zonder mobiele telefoon of auto (de puffende, ratelende Fiat uit de opdracht) red je het niet. 'Wie weinig heeft, moet veel bezitten’, volgens Aubenas. 'Dat is misschien nog wel de grootste paradox.’ Want het is maar de vraag of het de précaire lukt om de kortdurende contracten op elkaar aan te laten sluiten. Het oude model van dertig jaar werken voor dezelfde baas behoort definitief tot het verleden: zestig procent van de contracten duurt een maand (tegen vijftig procent in 2000) en het aantal is groeiende. Dát is de crisis.
Met meer dan tweehonderdduizend verkochte exemplaren werd Le quai de Ouistreham in Frankrijk een groot succes. Het boek werd onderscheiden met de Prix Joseph-Kessel 2010 en de Prix Amila-Meckert 2010, en bij Académie Goncourt opgenomen in de categorie 'Conseils de lectures pour l'été’. Blijkbaar is er een snaar geraakt. De vraag is of het iets zal uitmaken voor de contractarbeiders.
Aubenas maakt zich hierover weinig illusies: uit ervaring weet ze dat er veel meer voor nodig is om veranderingen teweeg te brengen. Centraal in het boek staat dan ook haar eigen bewustwording. Eye-opener was dat maar liefst twintig procent van de Franse beroepsbevolking behoort tot deze kwetsbare groep. 'Wanneer het op de televisie gaat over pensioenen of arbeidsrecht, gaat het nooit over de précaires’, concludeert ze in het eerder genoemde interview. 'Voor hen is er geen enkele vorm van rechtszekerheid, alle beloftes van de uitzendbureaus ten spijt.’

FLORENCE AUBENAS
LE QUAI DE OUISTREHAM
Editions de l'Olivier, 273 blz., € 23,90