De Brusselse bobo snijdt z'n eigen brood

Brussel - Een man zonder sokken zit op het terras van Brasserie de L'Union aan het marktplein van Sint-Gillis, een immigrantenbuurt in Zuidoost-Brussel die de laatste jaren snel aan populariteit wint. Hij draagt een T-shirt van Sonic Youth en een jasje van een voor ons nog onbekende ontwerper. Op tafel een bundel biologische tabak en een karafje witte wijn. Het is dinsdagmiddag een uur of twee. De meeste mensen zijn druk aan het werk. En onze held? Hoeft hij niet te werken? Maar hij ís aan het werk! Altijd! Druk met de vernissage van een nieuw concept. De wereld is zijn kantoor en twenty four seven zijn negen tot vijf.

Hij is een bobo. Niet een bobo, een ‘belangrijk, meestal in blauwe blazer gekleed bestuurslid in de sportwereld’, zoals volgens de Van Dale, maar een bobó, op z'n Frans: een bourgeois-bohémien, alleskunner van de 21ste eeuw. Hij woont in een loft zonder meubels in het midden van een oude volkswijk, want daar zijn de mensen nog zo echt. Hij gaat op vakantie naar Iran, want ze zijn daar zo vriendelijk, of naar Cuba, want daar hebben ze de beste dj’s. Een duur horloge vindt hij vulgair; een dure koffiemachine absolute noodzaak, een teken van zijn zorgvuldig gecultiveerde levensstijl. Hij snijdt z'n eigen brood en bakt z'n eigen pizza -met een Wusthof Grand Prix en in een Forno Bravo Modena.

Het was New York Times-journalist David Brooks die de term tien jaar geleden opgooide in zijn hilarische Bobos in Paradise. De bobo, zo schreef hij, 'verenigt de bourgeois wereld van kapitaal met de hippiewaarden van bohemian counterculture’. Hij vereert de ambacht van weleer en kent aan alledaagse gebruiksvoorwerpen een bijna spirituele betekenis toe.

Franstalig Europa verwelkomde de nieuwigheid met liedjes (Les Bobos van Renaud) en strips (Bienvenu à Boboland van Dupuy en Berberian). De term maakt inmiddels deel uit van de standaard woordenschat en heeft vaak, terecht of niet, een wat ongunstige bijklank. Brussel is meer bo dan bo, meer bohémien dan bourgeois. Parijs is andersom, net als Amsterdam, zo lijkt, waar ze de smaak langzaam te pakken krijgen. Oerdegelijke fietsen van de Fietsfabriek met een ouderwetse mand voorop, 'ambachtelijk zuurdesembrood’ van het Vlaamsch Broodhuys, of 'écht eten’ van Marqt.