Kunst: Engagement in Venetië

De bubbel van de Biënnale

Een boot die onderweg was naar Italië, opgediept uit de Middellandse Zee; een muur doorboord met kogels, overgebracht vanuit Mexico. De Biënnale van Venetië toont de gruwelijkheden van deze tijd, maar wat wordt daar precies mee gezegd?

Anicka Yi,Biologizing the Machine (tentacular trouble), 2019. © Italo Rondinella

‘May you live in interesting times’ is een gevleugelde uitspraak die zijn oorsprong kent in de Chinese oudheid, waar deze gold als een vloek. Tenminste, zo werd hij publiekelijk gebezigd door politici, onder wie Robbert F. Kennedy, en schrijvers als Albert Camus. Hillary Clinton schreef in haar autobiografie uit 2003 dat zij en Bill elkaar in de weken na de slecht verlopen midterms in het Witte Huis plaagden met de vraag: ‘Well, are you having an interesting time yet?’

De Chinese wortels van de uitspraak zijn een mythe, waarschijnlijk terug te voeren op een slechte vertaling, maar uit het gebruik ervan blijkt dat interessante tijden iets zijn om te voorkomen. De Amerikaanse samensteller van de Biënnale van Venetië van dit jaar, Ralph Rugoff, directeur van de Hayward Gallery in Londen, koos de verwensing als het thema van zijn editie van het tweejaarlijkse kunstfestival. Het werd de titel van de hoofdtentoonstelling, een prelude op de samenkomst van 79 internationale kunstenaars. Rugoff maakte daarbij een drastische keuze: hij selecteerde alleen lévende kunstenaars, waarvan net iets meer dan de helft van het vrouwelijk geslacht, en brengt daarmee tevens de biënnale met de meeste vrouwen ooit. Deze kunstenaars moeten als tijdgenoten iets zeggen over deze tijd, een interessante tijd, maar wat?

De hoofdtentoonstelling van de Biënnale van Venetië vindt traditioneel plaats op twee locaties: op de uitgestrekte scheepswerf van de Arsenale, een industrieel decor van roestig staal en rode baksteen, en in het Centrale Paviljoen in de Giardini, de tuinen van de stad waar ook een kleine dertig landen een paviljoen hebben om kunst bij te dragen vanuit een nationaal perspectief. Van de meeste kunstenaars is dit jaar op beide locaties werk aanwezig.

Bij het betreden van de Arsenale, door de hoge deuren van het eerste monumentale, bakstenen gebouw, valt op dat de grandeur van oude industrie door Rugoff uit het zicht is gehaald door de wanden te betimmeren met een goedkoop soort spaanplaat. Ook nieuw is dat een suppoost vraagt of ik behoefte heb aan een korte rondleiding. Ze wijst me op de fotoseries die aan de lange kanten van de zaal hangen. Links een serie over Calcutta in de nacht: de kwetsbare bewoners die dan actief zijn, zijn hard ingeflitst door Soham Gupta. Rechts een serie over Rome door Anthony Hernandez: afgebroken bouwprojecten en bergen afval als hedendaagse ruïnes van de antieke stad.

In het hart van de zaal, in een ruimte die wordt afgeschermd met gordijnen, draait een film van Christian Marclay, de kunstenaar die eerder furore maakte in Venetië met zijn 24 uur durende film The Clock, die hij opbouwde uit filmfragmenten van een klok; een waanzinnig project met als resultaat een film die door zijn vorm met de tijd meegaat, als klok te gebruiken is. Zijn nieuwe film is 48 War Movies: 48 oorlogsfilms die op één scherm, tegelijkertijd, over elkaar heen, worden afgespeeld. Het levert een kakofonie van kreten en geweerschoten op, en de visuele sensatie van een caleidoscoop, want alleen de randen van elke afzonderlijke film zijn zichtbaar. Omdat geen enkele film even lang duurt, heeft iedere bezoeker een unieke ervaring – in de context van oorlog is dat net echt.

Bij twee reusachtige zelfportretten van fotograaf Zanele Muholi, aan weerszijden van de doorgang naar de volgende zaal, poortwachters van wat komen gaat, komt de suppoost nog een keer op me af. Ze zegt: ‘Zanele Muholi. Quote: “I may be black and I may be lesbian, but I am a force.”’

De Biënnale toont op welke manier geëngageerde kunst buiten de werkelijkheid kan staan

In de zalen die volgen klaart de lucht wat op, maar vrolijk wordt deze editie van de Biënnale niet. Het is cherry picking voor vernieuwende kunst. Er is een nieuwe installatie van Ed Atkins, frontrunner van de digitale kunst die teert op ten diepste menselijke gevoelens: hij richtte een hoek van een zaal in als verkleedruimte voor een opera, met kledingrekken vol barokke kostuums, kanten jurken en jassen met roesjes, en presenteert daar een serie videowerken waarin levensechte, computergegenereerde personages pianospelen en in monnikspij bij kaarslicht verschijnen. De melancholie druipt ervan af, Atkins tilt digitaal sentiment naar een volgend niveau.

Anicka Yi werkt ook met kunstmatig leven, maar dan met behulp van de wetenschap. In de Arsenale hangen haar prachtige goudgele sculpturen aan het plafond, zwevend boven plasjes water. Ze doen denken aan bijenkorven, cocons of organen; sommige zijn gevuld met rondzoemende animatronische motten die hun schaduwen werpen tegen de wanden, die zijn opgetrokken uit alg. Yi’s ‘schilderijen’ in de Giardini bestaan uit Venetiaanse aarde en bacteriën die samen een bepaalde geur produceren, aan de hand van groei of verval, processen die gelezen kunnen worden door software die daar weer invloed op uitoefent door de toevoer van licht, vocht en warmte te bepalen. Deze schilderijen veranderen in de loop van de tijd van kleur, onderhevig aan de inzichten van kunstmatige intelligentie. Biologizing the Machine schept nieuw leven waar je bij staat.

Christoph Büchel, Barca Nostra, 2018-2019. Scheepswrak 18 april 2015 © Italo Rondinella

Een sterk verbindend verhaal ontbreekt op May You Live in Interesting Times. In het voorwoord van de catalogus typeert Rugoff onze tijd aan de hand van toenemende klimaatverandering, een groeiende kloof tussen arm en rijk en fake news dat zorgt voor een algehele ondermijning van het vertrouwen. De kunst is er volgens hem niet om andere conclusies aan ‘zogenoemde feiten’ te verbinden, maar om alternatieve lezingen te bieden. ‘Kunst is niet een boodschap die we simpelweg kunnen ontcijferen en begrijpen; sterker nog, interessante kunstwerken bieden ons geen conclusies maar deeply engaging vertrekpunten.’

De tentoonstelling is een waaier van kunstwerken, die raakt aan uiteenlopende onderwerpen, aan eigentijdse problematiek, en waarin verschillende routes te herkennen zijn. Met het klimaat in je achterhoofd valt het aantal kunstwerken op dat in Venetië iets doet met water. Er zijn verschillende kleinere landen, ‘klein’ voor de kunst, die met deelname aan de biënnale aandacht vragen voor het klimaat. Litouwen met het overweldigende strandpaviljoen, eerder in De Groene besproken, waarvoor het land de Gouden Leeuw ontving. Pakistan, dat voor het eerst in de geschiedenis meedoet, met een wonderschone presentatie van Naiza Khan over het schiereiland Manora. De Filipijnen en Malta die op dit wereldpodium op urgente dreiging wijzen, net zoals het kleine en kwetsbare Tuvalu dat de afgelopen edities al deed, een land dat dit jaar afwezig is.

In de robuuste kerk van San Lorenzo opent een nieuw kunstcentrum: Ocean Space, een plek volledig gewijd aan de zee, aan water dat ook in Venetië dichterbij kruipt. De eerste tentoonstelling is van Joan Jonas, in de tachtig, die onderzoek deed in de wateren van Jamaica en zich verdiepte in aquaria wereldwijd. Haar poëtische films en tekeningen van zeedieren in de donkere en koele kerkruimte, die tot voor kort bijna een eeuw lang voor bezoek was gesloten, zijn een bezoek waard.

Maar ook in de hoofdtentoonstelling is water overal: ik heb nog nooit zo veel golven en vissen op een tentoonstelling gezien. Voor de nieuwe installatie van Hito Steyerl loopt de bezoeker over loopplanken zoals die in Venetië worden neergelegd als de stad weer eens onderloopt. Het heet This Is the Future. De film Ocean II Ocean van Cyprien Gaillard wordt vertoond in een uithoek van het Arsenale-terrein, in een historische toren aan het water waarbinnen elk geluid hard galmt. De film toont beelden van fossielen in de marmeren muren van het Russische metrostelsel in combinatie met archiefbeelden van metrostellen uit New York die, eenmaal afgeschreven, in de oceaan worden gedumpt om daar als katalysator te dienen voor nieuw leven. Haaien zwemmen langs de ramen, een schildpad kruipt over de vloer. De zee is een ondoorzichtige wereld waar de geschiedenis zich evengoed voltrekt.

Een bruisende fontein in het midden van een zaal met werk van collectief Slavs and Tatars spoort bezoekers aan tot het drinken van gefermenteerde augurkendrank, een oud drankje uit het Oosten dat nu in het Westen wordt gepromoot als ‘energizer’. De kunstenaars van het collectief, dat zichzelf omschrijft als afkomstig uit Eurazië, zijn geïnteresseerd in het brouwproces van de vloeistof, ‘behoud door gecontroleerd rotten’, en trekken een parallel met een ‘non-binaire’ kijk op geschiedenis en vooruitgang.

Een andere route om te volgen is die van wat in de tentoonstelling wel de ‘black experience’ wordt genoemd. De zelfportretten van Muholi keren een aantal keren terug, een lopende serie met als doel ‘365 beelden van een jaar uit het leven van een zwarte lesbienne in Zuid-Afrika’ te verzamelen. Muholi verschijnt met een scheepstouw om haar nek, of met een vlinderstrik; haar huid is op de ene foto zwarter dan op de andere. Er hangen schilderijen van Henry Taylor en Michael Armitage en, een ontdekking, van Njideka Akunyili Crosby, die de deur openen naar huiselijke taferelen in Nigeria.

En dan is er Kahlil Joseph, een kunstenaar afkomstig uit de muziekscene (hij produceerde onder meer een videoclip voor Kendrick Lamar en werkte samen met Beyoncé). BLKNWS was oorspronkelijk bedacht als televisieprogramma en bedoeld om traditionele media omver te werpen, staat in de catalogus. Een stroom van beelden van ‘Black American life’ verschijnt op twee schermen, met rapmuziek, op hoog volume: schokkende nieuwsberichten, filmpjes van sociale media, beelden van Serena Williams: elementen van zwarte cultuur waar we niet of weinig over spreken of waar we niet uitgepraat over raken. Black American life is een smakelijke mix die als tegengif moet dienen voor de media die aan de knoppen draaien.

Nam jij een selfie met die fotogenieke boot? Foei. Respectloos. Shame on you

Het is hier dat de kunst enigszins door het ijs zakt. De (vrijwel uitsluitend) witte bezoekers verdringen zich voor de schermen van BLKNWS en deinen mee op de beat, de een voorzichtig, de ander uitbundiger, als op een feestje. Niet alleen zou je hier een kanttekening over culturele toe-eigening kunnen plaatsen, het toont op welke manier geëngageerde kunst buiten de werkelijkheid kan staan. De drukke zaal met het werk van Joseph is een vleesgeworden bubbel.

Want buiten wordt de bezoeker deze openingsweek bediend door een vloot van zwarte mensen, die ik mij uit voorgaande jaren niet kan heugen. Zij legen de prullenbakken en poetsen het toilet; heb je je broodje op dan neemt een van hen je het bord uit handen. Ze spreken geen Engels en geen Italiaans en staan in de drukte van het café in de weg. Over black experience gesproken.

Een statig paviljoen dat op het terrein van de Arsenale het woord ‘Neverland’ draagt, blijkt slechts een façade, met achter de grote houten voordeur alleen een steiger. Het front werd opgetrokken door de Turkse kunstenaar Halil Antidere als het eerste paviljoen voor vluchteling-kunstenaars, mensen die niet thuishoren in het land waar ze verblijven. Alsof die aanblik niet cynisch genoeg is, zit in het bloemperk voor het paviljoen een zwarte man op zijn knieën onkruid te wieden. Hij maakt geen deel uit van de show, maar van de arbeiders. Wat zouden zij denken van Barca Nostra, de vluchtelingenboot die een kunstenaar even verderop op de kade heeft gezet?

Het is een mooie boot, rood met blauw, maar bij nader inzien verkerend in erbarmelijke staat: het schip staat op een wagen die grote grijpers dwars door het staal heeft gestoken. De kunstenaar die hem aan land bracht, Christoph Büchel, koos ervoor geen informatie te verschaffen en de organisatie zelfs te verbieden om een bord te plaatsen. En dus weet ik niet waar ik naar kijk, naar een schip of naar een kunstwerk, als ik langs de kade loop, en lees pas later in de catalogus dat deze boot op 18 april 2015, onderweg van Libië naar Lampedusa, in botsing kwam met een Portugees vrachtschip dat kwam helpen, en verging, met zeven- tot elfhonderd migranten aan boord. De catalogus spreekt van ‘het dodelijkste scheepswrak sinds mensenheugenis’. De kunstenaar onthield zich van commentaar, maar een woordvoerster benadrukte dat het schip geen kunstwerk is maar een project, met de reis die het schip aflegt sinds het boven water werd gehaald als kunst. Ik lees ook dat het schip/kunstwerk van Büchel een titel kreeg, Barca Nostra, ‘onze boot’, waarna ik toch ga voor een kunstwerk.

De controverse is er, commentaar komt van kunstcritici tot aan politici. Sommigen vinden het schandalig, anderen vinden het gebrek aan informatie juist bijdragen aan de zeggingskracht. Ik ervaar het als een vals spel, niet alleen omdat het bezoekers die geen prijzige catalogus kopen uitsluit van informatie, maar ook omdat het opzettelijk bedriegt, en dan beschuldigt. Nam jij een selfie met die fotogenieke boot? Foei. Respectloos. Shame on you. De kunstenaar wil daar ongetwijfeld meer mee zeggen, maar wat?

De ‘deeply engaging’ vertrekpunten van de kunst van Rugoff zijn grofweg in twee groepen in te delen. Er zijn kunstenaars die met hun kunst iets meebrengen van henzelf; een ervaring, een traditie of een element van hun identiteit. Ras, seksualiteit, handicap, geschiedenis. En die dat tonen aan anderen, ten einde bij te dragen aan een veelvormig perspectief dat rechtdoet aan de tijd.

En er zijn kunstenaars die iets meebrengen van een ander, en dat de bezoeker onbewerkt voor de voeten gooien. In dezelfde categorie als Barca Nostra staat in de Giardini een twaalf meter lange muur met een rol prikkeldraad, op de stenen uitgerekt als een lange wokkel. De Mexicaanse kunstenaar Teresa Margolles bracht de muur over uit Ciudad Juárez, een stad geteisterd door georganiseerde misdaad, die daar bescherming moest bieden aan een school. De betonblokken zijn doorzeefd met kogels, op het bordje lees ik over een afrekening met vier personen. ‘In werken als deze’, staat daar ook, ‘weigert ze om geweld zelf te verbeelden, maar biedt een weerbarstig overblijfsel van de nasleep, dat wat blijft hangen in de taaie, kleverige materie van tragedie.’

Als kunstwerken passen Barca Nostra en Muro Ciudad Juárez in de traditie van de ready-made, die in de kunst begon bij Marcel Duchamp en tot de dag van vandaag in trek is gebleven, hoewel ‘gevonden’ materiaal steeds vaker als onderdeel van een groter geheel werd getoond, bijvoorbeeld verwerkt in een installatie. Op deze biënnale tonen kunstenaars het weer zuiver en alleen. Ze maken niet alleen kunst die gaat over onrecht en misstanden, maar overleggen de brokstukken daarvan, als bewijsvoering in de strijd tegen fake news en onverschilligheid.

Kunstwerken, schrijft Rugoff in de catalogus, kunnen zorgen voor verrassing en onzekerheid. ‘Als een kunstwerk complex genoeg is, bestaat de kans dat we onze relatie met het werk nooit helder krijgen.’ De nieuwe ready-mades zijn complex in hun eenvoud. De boot en de muur, ze verwijzen naar echte (maar anonieme) slachtoffers, en ze brengen de biënnale-bezoeker naar plekken waar hij anders niet komt, naar een vlucht op zee of naar het heetst van de strijd van een drugsoorlog. In die zin zijn ze te lezen als kritiek, maar waarop precies blijft onduidelijk. Materiaal dat voor zich moet spreken, laat weinig ruimte voor nuance en dat wekt, bij mij althans, wantrouwen. Het vermoeden ontstaat dat gruwelijkheid hier moet doorgaan voor complexiteit. En dat riekt naar fake news.


De Biënnale van Venetië is te bezoeken t/m 24 november, labiennale.org