Rafaël in Haarlem

De buigzame lijn

Rafaël is de meester van de loepzuivere perfectie van de lijn, scherp en buigzaam. Zo kan een opwaartse beweging van de arm van een sibille rijmen met de linkerarm van een engel.

Toen hij daar begin jaren negentig met een tentoonstelling bezig was, in het Museum für Angewandte Kunst, trof ik Donald Judd een paar dagen in Wenen. Een andere liefhebber van zijn werk was de toenmalige directeur van de Albertina, Konrad Oberhuber – tevens een eminent kenner van de kunst van Rafaël. Diens tekeningen in hun collectie wilde hij ons graag laten zien. Zo zaten wij op een rustige morgen in een stille studiezaal met hoge ramen. Buiten was het nog winters vriesweer, het licht was dus koud en helder. Wij bekeken de tekeningen, aangedragen door een zwijgzame beambte in stofjas, in dat klare daglicht – op de hand ook en zonder glas ervoor. Zo scherp had ik de fijnzinnigheid van de lijnvoering, en de beheersing ervan, nog nooit kunnen zien. We hadden de tijd.

We keken bijvoorbeeld naar een klein blad met, in dun rood krijt, een studie van een engel die, in volle vlucht, een schriftrol openhoudt. Een andere arm, die van een sibille, reikt van onderen naar boven alsof die het papier wil aanpakken. In de uitgevoerde versie van het fresco waarin dit motief terechtkwam (Capella Chigi, in de Santa Maria della Pace, Rome) is er meer ruimte tussen de aanzwevende engel en, beneden hem, de sibille die zich rechtsom achterwaarts draait en tegelijkertijd met de rechterarm naar het papier boven haar grijpt.

Natuurlijk kon dat ook eenvoudiger worden uitgebeeld, met minder verdraaiingen – maar het thema van de schildering (vier sibillen ontvangen goddelijke instructie) was een beschouwelijk leerstuk en geen dramatische gebeurtenis. Bovendien moest de uitbeelding passen in een lage, brede strook boven aan de wand, net onder de kroonlijst. Aan de onderkant, in het midden, stak de boog van de nis (voor het hoofdaltaar) nog in het beeldvlak. Die complexe en nauwe ruimte moest plaats bieden aan vier kloeke, volwassen vrouwen (sibillen) die vanuit de lucht worden benaderd door vier slanke jongelingen (zoals engelen werden weergegeven) die op hun beurt nog door mollige putti begeleid werden. Omdat de voorstelling zo hoog aan de wand zat, moesten de figuren, om nog effect te hebben, ongeveer levensgroot worden.

Dat was voor Rafaël, schilder en regisseur van figuren, de artistieke opgave. In de groepering van gestalten moest een beweeglijkheid worden gearrangeerd die, zoals zijn reputatie was, aangenaam kunstig moest zijn en tegelijk leesbaar. Het ging dus om energieke houdingen en passende gebaren in perfecte beheersing. Ook moesten die nog worden gevat in een oogstrelend spektakel van plooiende en golvende gewaden – het middel immers om in een stilstaand beeld toch iets van beweging te toveren en tussen de kleuren allerlei schakeringen van licht en schaduw te laten ontstaan.

In een andere tekening voor dit fresco, ­voorstellend de Sibille van Cumae, heeft hij een alerte draaiing aangebracht in haar ­boven­lichaam, met daaronder, als een stevig basement, de plooiende gewaden over haar knieën. In deze tekening zien we ook hoe, door wisselende druk op het krijt bij het tekenen, de lijnen levendig en soepel zijn. Echt grote tekenaars ontwerpen niet zomaar een volume van een vorm, om daarna de omtrek ervan met een lijn te omvatten. Dat levert maar een beeld op van droge, dorre lijnen. Integendeel, zij zijn er meesterlijk in de lijn zo te laten lopen en meebuigen, dikker en dunner of strakker, slepender en buigzamer, dat die door haar souplesse een plastische vorm zal vinden.

De Sibille van Cumae treedt helemaal rechts in het fresco op en dus zien we haar, op de tekening, naar links gedraaid. De opwaartse arm, in de andere tekening, hoort bij de laatste van de vier sibillen die zich helemaal links bevindt. Tussen die twee gestalten heeft Rafaël zijn mise-en-scène gearrangeerd, tegen de achtergrond van een in donkere tonen geschilderd gordijn, als op een soort proscenium een rei van figuren die door middel van houdingen en gebaren aan elkaar geschakeld zijn. Wat we in de tekening zien uitgetest is precies zo’n verbindende schakeling, maar nog in een compacte versie.

De vliegende engelen in een andere tekening, waarin versies van zwevend vliegen getekend worden met het vloeiend wapperen en plooien van ragdunne gewaden, zijn in vorm en houding heel dicht bij hoe ze uiteindelijk in het fresco zijn terechtgekomen. In de andere tekening, iets eerder dus gemaakt, heeft Rafaël eerst de opwaarts gebogen arm getekend en de hand met gespreide vingers, een strak gebogen contour waarvan het volume met subtiel geplaatste arceringen is aangeduid. De arcering begint al rondom de plek waar de arm uit de opgestroopte mouw te voorschijn komt. Daarna is de dromerige engel erbij gekomen.

Dat is logisch omdat in de groei van de compositie de kunstenaar van onderen naar boven heeft gedacht, van de zwaardere, zittende sibillen naar de lichte zwevende figuren. Maar in deze tekening, anders dan in het blad over vliegende figuren en luchtige plooien, lijkt de engel te staan. Hij staat omdat het model (een jongen in het atelier) poseert om te tonen hoe de houding is van twee armen als je die uit elkaar houdt om een schriftrol open te houden. Op het blad papier probeerde Rafaël uit hoe drie armen en drie handen in elkaars buurt komen. Daarbij kunnen we ons goed voorstellen hoe hij de jongen aanwijzingen gaf hoe zijn rechterarm omhoog te houden, te buigen en ook zijn hand licht te openen. Vervolgens, toen dat in het juiste licht genoteerd en getekend was, liet hij de jongen met twee handen een vel papier vasthouden – en toen hij hem dat liet doen, had hij de opwaartse rechterarm, die al getekend was, in zijn hoofd zitten – en hij zag de werkzame verhouding ontstaan die hij wilde tussen die rechterarm en de handen van het model, terwijl die de schriftrol opentrok.

Zo werd stap voor stap de compositie van het fresco in elkaar gezet. De opwaartse beweging van de arm van de sibille bleek ongeveer te rijmen met de linkerarm van de engel. Dat zijn effecten die Rafaël pas goed zag toen hij, na de oefening met het model, intensief verder aan het werk ging met alleen de tekening. Een schemerige ruimte wordt daar gesuggereerd doordat bij de engel de linkerarm het volle licht vangt terwijl de rechterarm in de schaduw blijft. Ook is er bij zijn borst behoedzaam schaduw geschetst, net zoals zich bij de arm van de sibille, in de buiging van haar elleboog, wat luchtige donkerte bevindt.

In de ruimte die zo ontstaat tussen die drie armen is plaats voor het papier van de schriftrol. Wat Donald Judd en ik daar zagen, in de Albertina, was de ongrijpbaar evenwichtige vorm van die ruimte – waarvan de fijnzinnigheid gearticuleerd wordt door de licht gebogen lijn die de rand tekent van het blad papier. Denk, naast de tekening van Rafaël, aan een houtsnede van Judd. Dat aspect van zijn werk lag hem na aan het hart, omdat prentmaken, net als tekenen, een intieme en wendbare manier van werken is waarbij het gaat om details die dichtbij zijn. Van lang met hem naar prenten kijken weet ik dat het voor hem belangrijk was dat de lijnen precies en klaar zijn. In de rood-zwarte houtsnede kun je die obsessieve scherpte van de lijn zien. Omdat Judd wist hoeveel concentratie het vergt om vormen van rood en zwart (met daarover ook nog slanke, gele lijnen) zo verfijnd te laten aansluiten dat ze, op raadselachtige wijze, de kleuren in hun omtrek apart houden en tegelijk ook scheiden.

Van die loepzuivere perfectie van de lijn, scherp en buigzaam, is Rafaël de meester. Ik ben blij dat ik dat verder heb kunnen ontdekken door langzaam loerend met een levende kunstenaar mee te kijken.


Rafaël, de eerste tentoonstelling in Nederland over deze meester. Teylers Museum, Haarlem, t/m 6 januari. Er is een goede, informatieve catalogus