De buik van amsterdam

Ze zijn gemoderniseerd en voorzien van fatsoenlijke koelsystemen. Maar het is nog steeds een markt. Met alle verhalen, geroddel, gesjacher en geruzie die daarbij horen. Max Arian haalt herinneringen op aan de Centrale Markthallen.
VOOR HET EERST in veertig jaar wilde mijn moeder dit jaar op 4 mei niet naar de Centrale Markthallen. ‘Het is allemaal zo naargeestig geworden’, klaagde ze, ‘het ziet er verwaarloosd uit, het stinkt er en er komt tijdens de dodenherdenking niemand meer naar het monument toe. Vorig jaar hoorde ik dat ze die grote hal gaan afbreken. Ik wil er niet meer heen. Ga jij vanmiddag maar in mijn naam een bosje bloemen neerleggen.’

Dat was nogal wat. Sinds in 1959 het kleine monument van Hildo Krop - met de fraaie tekst ‘Gedenk het leed, maar niet om stil te staan’ - is aangebracht op de zijkant van een bakstenen trap, was er tijdens de twee minuten stilte altijd iemand van onze familie geweest. Eerst mijn oma, toen mijn moeder, en als zij helemaal niet kon, ging ik er zelf zuchtend heen.
Het had iets vreemds. Eerst was er nog een klein groepje mensen dat daar op 4 mei de doden herdacht - vooral de joodse marktkooplieden die 'niet teruggekomen waren’ zoals dat eufemistisch heette - maar in de loop van de jaren waren wij alleen overgebleven. Als mijn moeder niet ging, zou niemand dat meer op 4 mei doen. Zelf weet ik op die dag immers ook wel iets gezelligers te bedenken.
Want zij had gelijk. Toen ik ’s middags de grote hal binnenfietste, rook het inderdaad muf, in de muur achter het monument was een gat ruw dichtgemetseld, erachter was een groot gebouw afgebroken, de hele zaak leek in verval. Er was blijkbaar een vrachtauto tegen het monumentje aan gereden en die had de onderkant ervan vernield. Drie maanden later bleek dat dat nog niemand was opgevallen.
Het stemde mij zonder dat ik het wilde toch een beetje mistroostig. Ik ben in de jaren na de oorlog zo'n beetje opgegroeid in die enorme markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam-West, waar mijn moeder en mijn grootmoeder samen een groothandel in fruit dreven. We woonden er ook zo'n beetje naast, in een treurige straat met veel oude mensen, als tamelijk eenzame overgeblevenen van een uitgebreide familie. Erg nostalgische herinneringen heb ik nou ook weer niet aan de toenmalige groothandelsmarkt. Anderen mogen door weemoedige gedachten worden bevangen bij het eten van een Madeleine-cakeje, mijn geheugen gaat spreken bij de geur van beschimmelde sinaasappels, vastgekoekt op de bodem van houten kisten, die moeten worden overgepakt: de sinaasappels die niet verrot zijn, kunnen dan weer voor een krats verkocht worden.
AL ALS KLEINE jongen hielp ik ’s winters mijn grootmoeder met dat overpakken. Later mocht ik op maandag in een piepklein kantoortje zitten om geld te ontvangen van de klanten. En nog weer later sjouwde ik stoer met die kisten rond, als de knecht met vakantie was.
Zwijg, herinnering, zwijg alsjeblieft! Het was helemaal geen mooie tijd. Het was een tijd van armoede, ruzie, eenzaamheid, gepest worden op school en je nergens thuis voelen. Ook niet, zeker niet op die markt, in die gigantische hal, tussen al dat fruit, bij die grote kerels, de grossiers, zakenmannen met hun gleufhoeden wat naar achteren op hun hoofd, sjouwende knechten met ribfluwelen jekken.
Alles was er dubbel. De grossiers deden onderling heel kameraadschappelijk, maar waren intussen toch elkaars concurrenten. Ruzies tot in de dood konden daaruit voortkomen. En ook de relatie met de klanten zat vol tegenstrijdigheden. Vaste klanten die op hun leverancier vertrouwden, betaalden vaak meer dan de scharrelaars die af en toe kwamen opdagen. Het ergste was het om geld los te krijgen van een klant die niet kon betalen. Mijn grootmoeder moest als een oude vrouw uit een roman van Dickens naar zo'n huis van een klant toe. Altijd ruzie, maar ook dat had iets dubbelzinnigs. Je kon dat ook weer uitspelen. Meermalen hoorde ik mijn moeder tegen m'n grootmoeder schreeuwen: 'Hoe kunt u dat nou voor die prijs weggeven! Denkt u dat het geld me op de rug groeit? U wordt langzamerhand te oud voor deze handel.’ De klant was tevreden en nam nog tien kistjes extra voor die prijs.
Behalve mijn moeder en mijn oma waren er nauwelijks vrouwen op de markt. Mijn grootmoeder werd door iedereen op z'n Jordanees tante Mietje genoemd. Toen zij 75 jaar werd, in 1961, werd zij met een open koets van huis gehaald en werd er op de markt gewalst bij een draaiorgel van Perlee. Het was een heel volksfeest, waar de kranten over schreven. We vonden het zelf te onwaarschijnlijk om het jubileum te vieren, maar in 1969, toen zij 83 jaar was, was zij precies 75 jaar fruitkoopvrouw. Zij ventte al als meisje van acht jaar (haar moeder was jong weduwe geworden) met fruit, eerst in een grote mand, later met de handkar. En nog tot zes weken voor zij stierf ging zij elke ochtend vroeg naar de markt. Wij hebben nooit begrepen waar zij, na alles wat zij in haar leven had meegemaakt, toch zoveel levensvreugde en vrolijkheid vandaan haalde.
PLOTSELING IS ER toch een andere smaak dan beschimmelde sinaasappelen. Ik proef de koffie met veel te veel melk die zij altijd in een thermosfles bij zich had en waar iedereen die een praatje met haar kwam maken, een beker van kon krijgen. Voor mij had zij altijd wel zo'n ouderwets slap kadetje met oude kaas over. Of op z'n minst een pepermuntje. En ik ruik de citroen die zij door midden breekt om haar handen mee te wassen.
Het is in mijn herinnering altijd een drukte en een warboel voor haar stal, die midden in die hal was. Klanten verdringen zich om te kijken of er iets goedkoop te krijgen is. Een smid beslaat een paard dat voor een fruitkar staat. Auto’s waren er nauwelijks in die eerste jaren na de oorlog. Mannen met petten achter handkarren of op bakfietsen komen de gekochte handel ophalen. Een bijna middeleeuwse rommeligheid. Overal kisten met fruit en groente. Steekwagentjes waarop je enorme stapels kisten kon vervoeren. Je werd uitgedaagd om er nog één bovenop te zetten, in de hoop dat de hele toren om zou vallen. Botte, rare grappen, die toch ook weer een soort weemoedigheid inhielden omdat ze deden denken aan de grappen van vóór de oorlog, in de Amsterdamse Jodenbuurt.
Voor mijn gevoel waren het bijna allemaal joodse mannen, die grossiers na de oorlog. Dat kan bijna niet, maar relatief waren er misschien meer gespaard dan in andere beroepen. Omdat ze nodig waren voor de voedselvoorziening, mochten ze langer in Amsterdam blijven en dat gaf een grotere kans op overleven. Maar daar werd nimmer over gepraat. Hoogstens ving ik een snier op achter iemands rug om. Die joviale ome A was ooit Kapo geweest in een concentratiekamp, die vrolijke ome B met z'n grapjes was rijk geworden door z'n werk bij de Joodsche Raad.
Over een van de vriendelijkste omes die daar rondliepen (een gesjiewes noemde mijn oma hem op z'n Jiddisch) hoorde ik pas veel later dat hij in het begin van de oorlog tegen z'n innig geliefde dochtertjes had gezegd: 'Als de Moffen komen, spring je van twee hoog van het balkon af, zorg dat ze je niet levend in handen krijgen.’ Gelukkig hebben ze kunnen onderduiken. Dat Jopie Groenteman in het verzet had gezeten, begreep ik ook pas uit een televisie-uitzending van Loe de Jong.
Over zulke dingen had je het niet in die tijd. De paar kinderen die de handelaren nog hadden - niet zelden neefjes of nichtjes van omgekomen broers en zusters - of na de oorlog kregen, wilden later niets met die markt te maken hebben. Niemand van hen heeft de zaak van z'n ouders voortgezet, al die joodse namen zijn nu van de markt verdwenen. Ze zijn drummer, marktonderzoeker of journalist geworden. Alles, maar geen koopman. Al die ellende, de rotzooi, de ruwe manier van met elkaar omgaan, het bedorven fruit en de onderlinge nijd, we zijn het maar zo gauw mogelijk vergeten.
EN TOCH, ALS IK op een ochtend vroeg om zeven uur naar de Jan van Galenstraat ga, lijkt alles heel even onveranderd. Ik heb een oude jekker aangetrokken, en als ik bij het hek m'n hand opsteek kan ik zo doorfietsen, alsof ze me na dertig jaar nog herkennen. In de markthal staat het fruit weer breeduit uitgestald, kriskras over de straat. Er wordt ouderwets onderhandeld, afgedongen, gepraat en geruzied.
Pas langzamerhand zie ik dat het andere klanten zijn dan vroeger: veel allochtone winkeliers, mannen met grijze baarden en Turkse namen: 'islamitische slagerij Gülüm Punjar’ staat er op een bestelbusje. Er lopen naast die mannen ook weer van die ernstige jongetjes zoals ik was. Ze kijken afwerend, alsof ze bang zijn net zo voor de gek te worden gehouden als ik vroeger. Het is nog steeds een mannenwereld. De ouderwetse, dubbele sinaasappelkisten die in de jaren zestig alle studentenkamers meubileerden, zijn er niet meer. Lichtere blauwe plastic kratten en kartonnen dozen zijn er voor in de plaats gekomen. En ik zie vreemd gevormde wortels en kruiden waar ik de naam niet van ken, paddestoelen en wonderlijke vruchten, enorme watermeloenen en paprika’s in alle mogelijke kleuren. Het is anders geworden en daardoor juist even hetzelfde. Heel even.
DE GROTE markthal, in 1934, toen de groothandelsmarkt hier geopend werd, de architectonische trots van Amsterdam - er werd zelfs gezegd dat het het grootste gebouw van Europa was zonder dragende pilaren - staat op het punt afgebroken te worden. Hij is niet functioneel meer, of liever, zegt directeur van het marktwezen J.E. Thedinga; hij is eigenlijk nooit functioneel geweest. Ontworpen vanuit het vooruitgangsidee van ruimte en licht, was hij al verouderd toen hij werd gebouwd. Die enorme hal viel ’s zomers niet te koelen, het zonlicht kan niet worden geweerd, vogels vliegen rond, de hygiëne laat erg te wensen over en voor het autoverkeer is de hal al helemaal onmogelijk.
Vandaar dat nu al het grootste deel van de handel naar buiten de markthal is verplaatst. De oude insteekhavens, waar vroeger de bootjes van de tuinders groente en fruit aanvoerden, zijn al lang geleden gedempt en op die 'pieren’ zijn grotere distributiecentra gebouwd, waar de detailhandelaren met hun auto’s vlakbij kunnen komen om te laden. De meeste detaillisten hebben nu hun vaste leveranciers en gaan niet meer de hele markt over om te kijken wie er het goedkoopste is. De klanten willen kwaliteit en efficiëntie. Alleen de allochtone handelaars komen nog als vanouds kijken wat er te halen valt. Zij verkopen dan ook zo goedkoop, dat die kleine buurtwinkels om de haverklap op de fles gaan.
Achter de markthal is een groot gebouw gesloopt. De fundamenten voor een groot bedrijfsverzamelgebouw zijn al gelegd. Daar komen vijf grossiers in, die nu nog in de hal zitten; als die verhuizen betekent dat dat tachtig procent van de handel uit de hal daar naartoe gaat. In april volgend jaar zou dat al klaar moeten zijn en dan kunnen er, volgens directeur Thedinga, definitieve plannen gemaakt worden voor de sloop van de grote markthal en voor de bouw van wat er voor in de plaats moet komen.
Moet dat nu echt? Die hal was toch ooit een soort tiende wereldwonder, een modern monument? Sinds jaren geleden de aardige klokketoren - waarvan de klok trouwens nooit de juiste tijd aanwees - is gesloopt, is het monumentale karakter er aardig af. Er zijn plannen geweest om er parkeerdekken in aan te brengen, maar die zijn alweer achterhaald. Het zou een prachtige hal zijn voor popconcerten, gigantische tentoonstellingen of eventueel voor overdekte tennisbanen, maar dat kan weer niet omdat het terrein van de groothandelsmarkt niet openbaar toegankelijk is.
VOLGENS DIRECTEUR Thedinga is het hele sociaal-democratische denken waar het tezamen brengen van de handel in zo'n grote hal op is gebaseerd, nu achterhaald. De overheid moet zulke gebouwen niet in eigendom willen hebben.
In de jaren dertig wilde het Amsterdamse gemeentebestuur af van de chaos, de rommeligheid, de fraude ook op de toenmalige groothandelsmarkten bij de Marnixstraat en op de Prinsengracht. Het moest allemaal bijeengebracht en gecontroleerd worden in een mooi, groot, modern gebouw. Nu zou, volgens Thedinga, de Dienst Marktwezen beter verzelfstandigd kunnen worden. De overheid dient zich immers terug te trekken, de wensen van de ondernemers te eerbiedigen en het gebeuren over te laten aan de markt.
Geruchten zijn er overigens ook nu nog aan een stuk door. Er wordt gezegd dat de hal onmiddellijk zou worden afgekeurd bij een strikte controle op de hygiënevoorschriften. Ratten schijnen er ’s ochtends weg te schieten. Iemand beweert dat er asbest onder de grond zit en dat de hal daarom niet gesloopt kan worden. Volgens de directie is dat onzin. Maar oorspronkelijk was er op deze plaats toch een vuilnisstortplaats, de Aschbelt? Boringen hebben uitgewezen dat er niettemin geen grondvervuiling te bespeuren is. Iemand anders beweert met grote stelligheid dat dat kleine oorlogsmonumentje de boosdoener is; daarom kon de hal niet worden gesloopt. Maar de directeur verzekert me dat dat monumentje elders op het terrein een nette plaats kan krijgen.
HET IS NOG STEEDS een markt, met alle verhalen, geroddel, geklaag, geruzie en geprotesteer die er, zeker in Amsterdam, bij horen. Toen de groothandelsmarkt hier in 1934 werd geopend waren er ook protesten: 'concentratiekamp’ werd er zelfs geroepen, het concentreren van de handel zou de dood van de grossiers betekenen. Er is inderdaad steeds weer een tendens tot stroomlijning. Kleine familiebedrijfjes verdwijnen. Grote bedrijven blijven over. Die moeten nu zelf gaan bouwen volgens het Marktwezen. Wie niet kan investeren, schakelt zichzelf uit. Moderne units met eigen koeling, waar de klant zijn bestellingen kan doen voor niet alleen fruit, groente en aardappelen, maar liefst een 'totaalpakket’. De overheid geeft de grond in erfpacht uit, stelt milieu-eisen en heeft verder geen bemoeienis meer met de handel.
Ook de straatmarkten, waarvan er in Amsterdam nog altijd heel veel zijn, veranderen. Ze zijn niet genoeg met hun tijd meegegaan. De kramen op de Albert Cuyp bijvoorbeeld zijn te klein om een redelijk assortiment op uit te stallen. De marktkooplieden zullen zich meer moeten specialiseren en meer service bieden om potentiële klanten te trekken, die op zaterdagochtend het marktbezoek als een uitje zien. Kortom, ze zullen zich moeten instellen op yuppen als klanten, die niet op een dubbeltje hoeven te kijken en die kwaliteit voor hun geld willen.
Maar waar blijft dan de losse handel, het gescharrel met fruit dat bijna overrijp is en dat goedkoop van de hand moet? Vroeger, in de tijd van de groothandelsmarkt aan de Marnixstraat, waren er de 'piekeniers’ die als de markt ten einde liep, het overtollige fruit voor een schijntje kwamen opkopen. Er is nu wel een veel beter koelsysteem, maar er moet toch nog altijd fruit zijn dat minder goed verkoopbaar is. En ook nu wonen er toch niet alleen maar yuppies in Amsterdam. Er zijn nog altijd mensen (tien procent van de bevolking) die op overgeschoten fruit en groente zijn aangewezen. Of eten die nog alleen maar pasta met kaassaus?
Het paradoxale is dat die grote, moderne hal, nu, na zestig jaar nog de rommeligheid en de chaos van de vooroorlogse markt vertegenwoordigt. En zo herinner ik het me ook. Hij staat er nog, onttakeld en verwaarloosd. Hij is nooit onderhouden of opgeschilderd, mopperen de grossiers die er nog zijn. Een lege huls voor herinneringen aan een verdwenen stuk Amsterdam.