De bulderende kolos

Utrecht, 23 maart 1978. Burgemeester Henk Vonhoff (met mitella) met zijn Rotterdamse collega André van der Louw © Bert Verhoeff / HH

Wie Henk Vonhoff ooit ontmoet heeft, zal dat niet licht vergeten. Dat lijf dat zich beweegt als dat van een mastodont, alles en iedereen het zicht ontnemend. En dan die stem: als een klok vanuit een kelder. Ik althans herinner me nog goed hoeveel moeite het me kostte, in mijn studententijd, toen Vonhoff burgemeester van Utrecht was, mijn ogen van hem af te houden. Wat een bulderende kolos. Maar ik geloof niet dat Vonhoff in zijn gebulder veel bijzonders te berde bracht in de zin van opmerkelijke analyses, verrassende daden of creatieve oplossingen. Die heb ik ook in deze biografie niet kunnen ontdekken. Wat onaardig zou je kunnen zeggen dat Vonhoff geen groot licht was. Dat hinderde hem echter persoonlijk noch maatschappelijk, integendeel wellicht. Vonhoff was een echte regelpoliticus, man van duizend contacten, veel doorzettingsvermogen en een reeks simpele principes. Als je die aan elkaar knoopt, kom je ver. Zeker als je over grote sociale vermogens beschikt, leuk kunt vertellen, aardig acteren, goed improviseren.

Hij schopte het dan ook ver, zij het misschien niet altijd zo ver als hij had gewild. Zo probeerde hij ooit voorzitter van de vvd te worden. Dat lukte niet, Wiegel was hem voor. En twee keer kwam hij in aanmerking voor een ministerspost, de eerste keer moest hij genoegen nemen met de functie van staatssecretaris (1971-1973), de tweede keer, onder Lubbers, verkoos hij zijn toenmalige functie van commissaris van de koningin (van Groningen, van 1980 tot 1996). Want zo ver kwam Vonhoff wel, nadat hij van 1974 tot 1980 burgemeester van Utrecht was geweest. Voeg hierbij een lange reeks nevenactiviteiten en je krijgt een fraai beeld van een invloedrijk politicus in de laatste decennia van de twintigste eeuw.

Een soepele start kende deze loopbaan niet. Geboren in een relatief eenvoudig gezin in Amsterdam (de vader klom op tot belastinginspecteur) had Henk Vonhoff veel moeite om scholen en studie te doorlopen. Hbs-b lukte niet, hbs-a wel. Geschiedenis studeren, wat zijn wens was, kon daarom alleen als hij een cursus Latijn deed. Ook dat lukte niet. Hij studeerde sociografie. Dat ging met veel moeite. Later, tijdens zijn diensttijd, deed hij via de loi alsnog een cursus geschiedenis, vervolgens begon hij aan een mo-opleiding geschiedenis bij de Vrije Leergangen. De akte daarvoor behaalde hij in 1958. Vanaf dat jaar tot 1967 was hij leraar geschiedenis aan een hbs.

Vonhoffs gestruikel door het Nederlands onderwijsveld zegt zowel iets over zijn persoon als over zijn ambities. Hij was niet van de theorie. Hij was van het doen. Zo was hij al vroeg geïnteresseerd in de natuurstudie (‘veldonderzoek’), actief als scheidsrechter in het voetbal en druk in het toneel. Hij schijnt zelfs overwogen te hebben acteur te worden. Maar meer toch dan genoemde activiteiten trok hem de politiek. De eerste keer dat hij zich aanmeldde als lid van een partij (1946, pvda) was hij te jong. Vervolgens sloot hij zich op iets latere leeftijd aan bij de partij die hij de rest van zijn leven trouw zou blijven. De vvd werd op dat moment geleid door Oud, een man die Vonhoff enorm bewonderde en als historicus tot op zekere hoogte probeerde te imiteren – hij schreef ook een biografie van hem. Maar diens niveau haalde hij niet. Zo steekt Vonhoffs anekdotische Zindelijke burgerheren uit 1965 (over liberalen) buitengewoon pover af bij Ouds staatkundige geschiedenis van Nederland tussen 1840 en 1940 (Honderd jaren, 1946).

Ondertussen maakte Vonhoff carrière in de, voorlopig nog Amsterdamse, politiek. Daarbij legden twee bijkomstigheden hem geen windeieren. Een daarvan was dat hij zich door een slimme actie bij Oud in de kijker wist te spelen. De andere dat zijn (sinds 1953) vrouw Louise Luijendijk eveneens carrière maakte in de Amsterdamse politiek. Mede daarom ging het vanaf het midden van de jaren zestig snel en goed met die politieke carrière, beter nog nadat Vonhoff de overstap naar de landelijke politiek had gemaakt en in 1967 lid van de Kamer was geworden.

De belangrijkste vraag is vanzelfsprekend wat Vonhoff in zijn bezigheden als, achtereenvolgens, politicus, staatssecretaris, burgemeester en commissaris van de koningin bijgedragen heeft. Om me tot de twee laatste taken te beperken: in Utrecht heeft Vonhoff vooral gefunctioneerd als stootblok – wat gezien de jaren van zijn burgemeesterschap niet zo vreemd is: als vvd-politicus had je het in de jaren zeventig in een studentenstad niet eenvoudig. Als commissaris van de koningin probeerde Vonhoff bedrijven naar Groningen te trekken, een tweede nationale luchthaven te vestigen, een zweeftrein aan te leggen. Dat lukte allemaal slechts gedeeltelijk – of niet.

Tijdens het lezen van deze biografie door Diederick Slijkerman begon ik me na enige tijd te ergeren aan het anekdotisme. Een mens zag ik niet echt te voorschijn komen, analyses ontbraken, het was verhaaltje na verhaaltje na verhaaltje. Aanvankelijk verweet ik dat de auteur, tot ik probeerde Vonhoffs verdiensten op een rij te zetten. Dat zijn er vele, maar ze liggen toch vooral op het, zeg, anekdotische vlak: een echte lijn zit er niet in. Dat weerspiegelt zich in dit boek. Vonhoff was een typische liberaal uit de tweede helft van de twintigste eeuw, niet langer de sjieke mijnheer die wandelt over het Velperplein en klassieke principes koestert, maar een pragmaticus die zich teweerstelt, teweer moet stellen tegen de ideologische, veelal linkse krachten die aan alle kanten opduiken. Daarin slaagde hij behoorlijk. Lichaamsomvang en stem speelden daarbij een niet geringe rol.