Emotionalisering van het strafrecht (slot)

De burger als dam tegen ‘het volk’

Nu de ‘rechtsorde’ steeds vaker ‘ernstig geschokt’ is en alom de roep klinkt om strengere straffen is het misschien tijd voor burgerparticipatie in de rechtspraak. Maar daar willen de rechters niet aan.

De verdachte van de moord op de krantenbezorgster Anita van Dijk (51), vorig jaar in Rotterdam, wilde op 31 mei 2017 niet naar de rechtszaal komen voor zijn zaak. De rechtbank vond dat wel nodig en hij werd met gillende sirenes aangevoerd. Daar hoorde hij het relaas aan van de zus van Anita, over de moord, de gevolgen voor de nabestaanden en over de gewenste straf. De zus zei dat het aan de zonen van Anita was om de straf te bepalen. Een van die zonen sprong toen over het hekje om de pertinent ontkennende verdachte Biko M. (30) aan te vallen: ‘Ik maak je dood, kankerjong!’ Twee politieagenten voorkwamen dat de straf ter plekke werd voltrokken.

Binnenkort komt Mike J. vrij die als stiefvader in 2001 de vierjarige Rowena tegen de muur doodgooide, daarna in de vriezer stopte, in stukken zaagde en enkele lichaamsdelen in de Maas en de romp in het Randmeer bij Flevoland dumpte: het ‘meisje van Nulde’. Eind vorig jaar kreeg de biologische vader van Rowena niet van het OM maar van Slachtofferhulp een appje dat Mike J. begin januari op onbegeleid verlof zou gaan. De reactie van vader Martin Hulsman tegenover Hart van Nederland: ‘Dat komt dan vrij, zo’n varken. Als ik met hem kon doen wat ik wil, dan zou hij hetzelfde ondervinden als mijn dochter. Ik schaam mij daar ook niet voor. Dat zou iedere normale ouder voor zijn kind doen.’ Als dit soort schaamteloze vergeldingszucht normaal wordt, zijn we dan niet op weg naar een sfeer waarin een gesundes Volksempfinden dominant wordt?

Ik begon mijn speurtocht naar de emotionalisering van het strafrecht omdat ik strafrechters steeds vaker de woorden ‘ernstig geschokte rechtsorde’ hoorde uitspreken als onderdeel van de motivering van hun vonnis. Wat was het verschil eigenlijk tussen ‘gezond volksgevoel’ en de ‘ernstig geschokte rechtsorde’? Het juridische verschil was direct duidelijk. In ons strafrecht kan niemand worden bestraft als er geen wet is die de afgekeurde daad verbiedt. In nazi-Duitsland hoefde er (nog) geen wet te bestaan. Als het ‘gezonde volksgevoel’ zei dat iets bestraft moest worden, dan moesten rechters dat doen. Maar begint deze scheidslijn niet op een stippellijn te lijken?

Small 17 09 22 emotio 1crop

En wat zou een remedie kunnen zijn tegen deze ‘vervolksing’ van het strafrecht? Tientallen gesprekken, boeken en onderzoeksrapporten verder luidt mijn antwoord: ‘het volk’ zelf, in de vorm van inschakeling van burgers in de rechtspraak. Nederland is ongeveer het enige land in het Westen dat deze burgerparticipatie niet kent. Misschien zijn Amerikaanse jury’s niet gewenst, beter is de ‘gemengde rechtspraak’, zoals zoveel Europese landen, bijvoorbeeld Duitsland, die kennen: twee lekenrechters zitten naast drie beroepsrechters.

Toegegeven, het lijkt paradoxaal om ‘het volk’ te gebruiken om een dam op te werpen tegen een ‘verkeerd populisme’ (Mark Rutte). Maar lekenrechtspraak is een meer belovend medicijn dan te wachten tot de broden van menselijkheid en gezond verstand als manna uit de hemel zullen vallen. En zonder herijking van de rechtspraktijk, en de daarin gebruikte theorieën, begrippen en argumenten, zal deze het huidige all sail, no anchor-karakter houden, waarbij ‘de publieke opinie’ het zeil is, met het ooit terechte maar nu doorgeslagen geroep om wraak van ‘het slachtoffer’ als krachtigste windstroom.

Per 1 juli 2016 is het spreekrecht voor slachtoffers van ernstige misdrijven of hun nabestaanden aangescherpt. Het wetsvoorstel hield aanvankelijk ook het adviesrecht in over een passende straftoemeting. Maar dit zou de facto een juridisch driepartijenstelsel opleveren: naast het eisende OM en de verdediging ook een tweede eisende partij. Daarom werd het adviesrecht een ‘onbeperkt spreekrecht’. Dit betekent in de praktijk dat slachtoffer of nabestaande ook kan zeggen wat er met de verdachte moet gebeuren, op een moment in het proces waarop de rechter nog niet heeft besloten dát de verdachte schuldig is. Dat gebeurt immers pas in het vonnis.

Het spreekrecht voor slachtoffers, hoe goed bedoeld ook, verslechtert de toch al beroerde positie van de verdachte nog verder. Niet alleen ontstaan er steeds vaker gewelddadige situaties in de rechtszaal, in het algemeen gaat de lengte van de straf omhoog als slachtoffer/nabestaande aanwezig is. De Leidse criminologe Sigrid van Wingerden toonde aan dat in de VS na afgelegde slachtofferverklaringen de kans op de doodstraf groter wordt. Zij verwacht daarom dat emotionele slachtofferverklaringen ook in Nederland tot zwaardere straffen zullen gaan leiden. Waarom zouden rechters daar immuun voor zijn? ‘Onbewust laten zij zich toch ook beïnvloeden door emoties.’ En zij is niet de enige die zich afvraagt of de onschuldpresumptie van de verdachte niet te veel wordt geschonden nu het slachtoffer kan spreken alsof de verdachte de dader ís.

De ‘moraalsocioloog’ Emile Durkheim noemde meer dan een eeuw geleden de strafrechtspraktijk een ‘ _celebration of morality’_. Als een individu zijn moraal tot zichzelf beperkt, is dat geen moraal. Moraal gaat boven het individu uit, heeft zicht op het belang van het collectief. Ook religie kan helpen om het egoïsme in te tomen. Als er geen moraal of religie is volgt sociale desintegratie. Om dat te voorkomen moet de staat sancties treffen, zoals via het strafrecht, de heilige mis van de viering van de collectieve norm.

De uitingen van nabestaanden van Anita en Rowena laten zien hoe weinig collectiefs er tegenwoordig te vieren is. En hoe zeer de moraal inzake onrecht en straf binnen drie, vier decennia radicaal is veranderd – lees: verhard – terwijl het rechtssysteem formeel precies hetzelfde is gebleven. Toen nodigden medewerkers van Reclassering Nederland delinquenten bij hen thuis uit voor het kerstdiner. Immers, van het padje af raken, dat kon iedereen overkomen. Nu is ‘reclassering’ bijna een besmet woord. De dader is van een ongelukkige medeburger een vijand geworden. Wat doen we met een vijand? Ook na de straf weren uit buurt, stad en land.

‘Dat komt dan vrij, zo’n varken. Als ik met hem kon doen wat ik wil, dan zou hij hetzelfde ondervinden als mijn dochter’

Veel rechters zeiden me dat het steeds minder vaak voorkomt dat een verdachte in de rechtszaal zegt dat het hem of haar spijt. De advocaat zegt ook meestal dat het beter is te blijven ontkennen. Mediation (door praten tot elkaar komen) en herstelrecht (materiële schadevergoeding in plaats van straf) lijken in opmars om het antagonistische ‘toernooispel’ in de rechtszaal te vermijden. Maar in alle gevallen komen woorden als ‘vergiffenis’ en ‘verzoening’ door die verharding steeds minder vaak voor, ook niet bij de ‘ruzie-over-de-heg’-zaken die De rijdende rechter op tv halen.

Als iemand zegt dat het hem spijt en om vergiffenis vraagt, kan de gedupeerde besluiten die te schenken: vergiffenis is een gift. Die kan voortkomen uit hoge morele beginselen of uit de praktische overweging dat je toch gezamenlijk verder moet om een leefbare toekomst te hebben. Bij slachtoffers is het gevoel voor het tragische element in het leven verdwenen, en dus ook het idee dat je je moet verzoenen met het lot. Wie dat wél doet na dodelijke ongelukken of misdrijven waarbij een familielid is omgekomen, en zich ook van de rechtszaak afwendt, wordt door het spreekrecht benadeeld. De dader kan dan een lagere straf krijgen. De vraag is of hierdoor niet nieuwe rechtsongelijkheid wordt geïntroduceerd. Sommige critici gaan nog verder en noemen het onbeperkte spreekrecht op het verkeerde moment in het strafproces ronduit ‘het begin van een race naar de bodem van de wraakzucht’.

Door de secularisatie en de teleurstelling over het falen van de meeste dogma’s van gisteren – resocialisatie moet en kan, straf helpt sowieso niet – wordt het huidige strafrechtbeleid niet langer gesteund door religieuze en morele kaders of ideologieën, en wordt daar dus ook niet meer door geremd. Daardoor komen ook vroeger van cruciaal belang geachte disciplineringsmechanismen als berouw, vergeving en begrip voor de dader in het luchtledige te hangen. Sociaal-psycholoog Hans Boutellier bouwde al in 1993 zijn dissertatie op rond deze stelling: ‘Het slachtoffer is de centrale figuur in de moraliteit van een postmoderne cultuur.’

Dat het feministen waren die als eersten actie voerden om meer aandacht te schenken aan het slachtoffer (van aanranding, verkrachting en huiselijk geweld) was meer dan terecht. Het slachtoffer was tot dan een non-entiteit in het strafrecht, nu is het slachtoffer bijna de spil ervan.

De samenleving is volgens veel onderzoeken veiliger geworden. Maar volgens de ‘veiligheidsparadox’ levert dit juist meer gevoelens van onveiligheid op. We willen maximale vrijheid en maximale veiligheid tegelijk. De emancipatie van de burger – met niet ‘inspraak’ maar ‘individuele autonomie’ als nieuwe god en uiterlijk succes als enige maatstaf voor een geslaagd leven – kan de almaar toenemende emotionalisering verklaren als het onverhoopt toch misgaat in het leven. En ook de groeiende roep om vergelding. Misdaad en misdadiger moeten hard, ja ‘keihard’ worden aangepakt, zo vertaalde ‘de politiek’ op basis van zowel voortschrijdend inzicht als ook angst voor ‘de boze burger’ deze toenemende uitbarstingen van ‘maatschappelijke onrust’ over dit of dat incident of misdrijf.

Zo kroop de strafmaat langzaam maar zeker omhoog, en zitten nu meer delinquenten een levenslange straf uit dan in de hele vorige eeuw bij elkaar.

Zo ging het van resocialisatie naar principiële vergelding. Is mijn kind doodgereden? Dan moet de veroorzaker levenslang, ‘want dat hebben wij ook’. Het bijbelse adagium ‘oog om oog, tand om tand’ was meer verbod dan gebod, want bedoeld om te voorkomen dat er méér leed werd toegebracht dan er was geleden. Het wordt nu gehanteerd om escalerende strafeisen te rechtvaardigen.

Die nieuwe moraal van harde vergelding is om diverse redenen zorgwekkend. Je hoeft er maar een rechtbankbestseller van John Grisham, zoals The Confession, op na te slaan om te weten dat nabestaanden die hard ijverden voor de doodstraf van de dader ook na de executie níet automatisch tevreden terugkeren naar hun leven. Veel activistische nabestaanden leven vanaf het moment van het drama geen eigen leven meer, maar het leven van de dode.

De andere reden voor zorg is dat de emotionalisering van het strafrecht het nog minder duidelijk maakt wat rechtvaardigheid eigenlijk is. Alles tussen vrijspraak, een veroordeling zonder straf (Geert Wilders II), een boete van drie euro en levenslang is mogelijk. Alle rechters en oud-rechters die ik sprak zijn trots dat zij zoveel vrijheid hebben (gehad) om ‘maatwerk’ te kunnen leveren. Probleem is wel dat er geen ijkpunt voor rechtvaardigheid is. De schrijver Gerrit Krol heeft daarom ooit eens een pleidooi gehouden voor de doodstraf. De gedachte dat de straf evenredig moet zijn aan de toegebrachte schade – dus ook doodstraf bij moord – lost het probleem echter ook niet op. Is de enkelvoudige doodstraf dan een rechtvaardige straf bij een massamoord, zoals door Anders Breivik of een terrorist gepleegd?

De dader is van een ongelukkige medeburger een vijand geworden. Wat doen we met een vijand? Weren uit de stad

Een probleem bij de emotionalisering van het strafrecht is dat in het recht altijd ratio én emotie zitten. Door de kniepeesreflex van ‘het weldenkende deel der natie’ als het om emoties gaat – ‘onderbuikgevoelens!’ – is het bewustzijn weggeëbd dat volk en tijdgeest al eeuwen samen als de kern van het recht zijn beschouwd. Zoals de beroemdste Duitse rechtsgeleerde van de negentiende eeuw, F.C. von Savigny, schreef: ‘De eigenlijke zetel van het recht (is) het gemeenschappelijke bewustzijn van het volk.’ De vraag is dus wie bepaalt wat rechtvaardig is in onze maatschappij. De communis opinio is geworden: niet God of de vorst, maar ‘de politiek’, als uitkomst van een geordende, rationele, publieke discussie over de res publica. Met aan de randen ervan wat sociale bewegingen en actievoerders die mogen proberen hun invloed uit te oefenen.

Is er in de huidige rechtscultuur een open en kritische uitwisseling van gedachten tussen de togaberoepen onderling en met de politici, professionals en burgers daarbuiten? Verre van. Minister van Staat Tjeenk Willink is er uitermate somber over, zo betoogde hij begin mei 2017 tegenover de rechters op de Rechtbank Noord-Nederland (zie ivorentoga.nl). Hij begon zo: ‘De democratische rechtsstaat is geen rustig bezit. Door gebrekkig onderhoud vindt er een sluipende uitholling (betonrot) plaats. Die uitholling bedreigt ook de rechterlijke macht. Rechters bieden daartegen tot nu toe zelf onvoldoende inhoudelijk tegenwicht.’ Op alle overheidsterreinen is de inhoudelijke deskundigheid ‘dramatisch afgenomen’. Ook bij de magistratuur, waar ‘bedrijfsmatig werken’ alfa en omega is geworden en niet een woord als ‘kwaliteit’, want bezinning is er niet meer bij. Door die inhoudelijke leegte groeit het ‘bestuurlijk overwicht’: zo ondervindt de rechter ‘de weerslag van zijn eigen meegaandheid’.

Ten gunste van de zittende togadragers moet worden gezegd dat automonteurs ook geen overzicht hoeven te hebben van alle verkeersstromen in het land, als ze maar een kapotte uitlaat kunnen vervangen. En de meeste rechters zijn nog best in staat om recht te spreken. Bij de meeste rechters zag ik inderdaad meer elegante bedachtzaamheid dan een acute bereidheid om te reflecteren over de grondslagen van het recht. Op mijn vraag of de steeds vaker te pas en te onpas door hen gebruikte term ‘ernstig geschokte rechtsorde’ niet ook de emotionalisering van de rechterlijke macht zelf kan bevorderen was meestal het antwoord: ‘Ach, het is maar een juridische term, meneer.’ Of: ‘Tja, aan het systeem mankeert wel wat hier en daar, wat u zegt, maar het geheel kan er toch wel mee door. We staan internationaal goed aangeschreven, hoor!’ Maar niemand kon mij een bevredigende definitie en het nut van het gebruik ervan geven.

En dat was mijn uitgangsvraag: de inhoud van het begrip ‘ernstig geschokte rechtsorde’ en de mogelijke relatie met het in de volksmond al even vaak te pas en te onpas gebruikte begrip gesundes Volksempfinden. Het recht is altijd het vinden van een balans, tussen afwijzing en toewijzing, tussen vrijspraak en doodstraf. Maar als je niet meer weet wat een begrip inhoudt, en hoe het wordt gebruikt in de praktijk, dan is er de kans dat die stippellijn tussen het ene en het andere begrip helemaal vervaagt.

Het begrip ‘gesundes Volksempfinden’ was tot in de twintigste eeuw een synoniem van het Britse begrip ‘common sense’ en onze uitdrukking ‘gezond verstand’. Tot de nazi’s het begrip perverteerden en gebruikten om het hele strafrecht te veranderen. Niet langer was de wet – noelle poena sine lege (geen straf zonder wet) – dominant, maar ‘het recht’, dat wil zeggen ‘het volk’. De eerste Duitsers die hiermee te maken kregen waren zij die het seksueel hadden aangelegd met ‘den Juden’. Zij werden, zonder dat er een wet over bestond, soms tot levenslang veroordeeld, ter bescherming van ‘het volk’. Maar het was niet ‘het volk’ dat besliste, en ook niet de rechter, maar ‘die Partei’ of ‘der Führer’ zelf.

Sinds de bezetting zijn we in Nederland allergisch voor alles wat riekt naar termen die raken aan ‘Volksempfinden’. Maar als Montesquieu en Tocqueville gelijk hadden dat geen wet duurzaam kan zijn als die niet verankerd is in de zeden en gebruiken van een volk, kortom in ‘het volk’ zelf, dan zijn er maar enkele mogelijkheden om met dat volk rekening te houden. De eerste is het volk inschakelen bij de rechtspraak. De tweede is die term ‘ernstig geschokte rechtsorde’, en niet de daad zelf, te gebruiken als ijkpunt voor rechtvaardigheid.

Ik ontleen deze gedachte aan dr. M.J.M. Brand-Koolen die hierover medio jaren tachtig als raadsheer van het onderzoeksbureau van het ministerie van Justitie (wodc) eens een notitie schreef. Het idee is als volgt: de rechtsorde wordt door het misdrijf geschokt, loopt een ‘deuk’ op. Na elk delict moet het doel zijn de samenleving weer tot rust te brengen. Soms is de deuk zo licht dat deze zich vanzelf herstelt. Soms kunnen de direct betrokkenen het zelf regelen.

Als de school, buurtregisseur, politie of de reclassering een zaak kan afhandelen, prima. Alleen als iets niet op lager niveau afgehandeld kan worden dient het justitieapparaat in actie te komen. Elke reactie die méér doet dan herstel van de rechtsorde vereist is overbodig en ongewenst.

Wel moet het justitiële apparaat altijd beschikbaar zijn. En elk geschil – ook burenruzie en kruimeldiefstal – dient altijd te worden afgehandeld. Want als willekeur wordt ervaren tast dit het vertrouwen in rechtspraak en overheid aan. Zaken terzijde leggen of seponeren zonder bericht is in deze theorie géén afhandelen. Een dader berispen (‘parketstandje’) en het slachtoffer berichten over de gang van zaken wél.

‘Leken in de rechtspraak? Die weten nergens van! Laat staan van het wettelijk systeem en bewezenverklaringen’

De ‘tijdgeest’ werd vanaf de jaren tachtig een andere. Harder straffen, meer gevangenissen, dat werd de eis, want naast het krakersgeweld kwam er meer ‘kleine criminaliteit’ en ook meer grote. Maar de invalshoek van de ‘geschokte rechtsorde’ kan een betere invalshoek zijn dan de factoren die nu dominant worden bij het bepalen van de straf voor een misdrijf: de heisa die slachtoffers en nabestaanden maken, geholpen door politici, ‘de media’, het getier op Twitter, en de strafpleiters. En ook beter dan de factor van de toenemende onzekerheid van de rechterlijke macht zelf, die het gevoel heeft ‘klem in de draaideur’ te zitten van al diegenen die er een duw aan geven: de politiek, de eigen bazen, de advocatuur, de media.

Een verdere emotionalisering van het strafrecht kan worden voorkomen met een methodiek voor het vaststellen van de omvang van de ‘deuk’ die moet worden hersteld. Maar, tja, hoe meet je dat? Het probleem met de opvatting uit de Verlichting dat ‘de geest van het volk en de geest van de tijd ook de geest is van het recht’ is dat de aanhangers zich nooit veel moeite hebben getroost om methoden te ontwikkelen om deze ‘geest’ te bestuderen of te meten. Daarvoor kwam in twintigste eeuw hooguit de opiniepeiling.

Dat voor het meten van geschoktheid de rechter niet voldoende is, is duidelijk. De rechter van nu is een integere maar verlegen, zo niet verwarde figuur geworden. Maar dat geldt niet minder voor ‘de politiek’ die zich de afgelopen decennia steeds meer is gaan bemoeien met de rechtspraak, zonder al te veel kennis over het wezen en de ontwikkelingsgang van het recht. Voor ‘de media’ geldt dat laatste nog meer, en voor de ‘sociale media’ nog weer meer. ‘De wereld is een gekkenhuis geworden. En Twitter is haar hoofdkantoor’, twitterde iemand. Die tweet vat de kern van ‘de publieke opinie’ redelijk samen: het is een publiek gemaakte opinie, of die onderbouwd is of niet doet er bij een mening niet toe. Je hebt er geen diploma voor nodig.

In deze tijden van onzekerheid en gebrek aan oriëntatie lijkt een nieuwe duidelijke visie op de relatie tussen volk, recht en rechtsbewustzijn dus dringender nodig dan ooit. Want als we in onze democratie eenmaal op de glijbaan naar de ‘dictatuur van de meerderheid’ (Tocqueville) zitten, onder het uitroepen dat dit of dat ‘niet meer van deze tijd’ is of dat ‘de publieke opinie’ dit of dat wil, moeten we ook beseffen waar die tocht kan eindigen: op de harde tegels van een autoritaire Big Brother-staat. Concretisering van de ‘deuk in de rechtsorde’ zou een mengsel kunnen zijn van de dominante publieke opinie, de mening van het slachtoffer en zijn/haar omgeving, het oordeel van deskundigen van buiten de rechtbank, en van leken, de gewone burgers.

Small strafrechtcrop

Dat burgers in de Nederlandse rechtspraak meer kunnen betekenen dan een ‘klankbord’, of ‘data’ voor een opiniepeiling, en ook kunnen worden ingeschakeld als lekenrechter of jurylid, is een idee dat in juridisch-bestuurlijk Nederland anathema is. Koning Willem-Alexander riep in zijn eerste Troonrede in 2013 ertoe op te komen tot actief burgerschap in wat hij de ‘participatiesamenleving’ doopte. Dat burgerschap was al eerder deze eeuw van stal gehaald om de ‘opstand der burgers’ in 2002 te beteugelen. Wat er sindsdien gebeurde is wat politicoloog Menno Hurenkamp in juni 2017 schreef in zijn proefschrift Met opgeheven hoofd: Sociaal burgerschap aan het begin van de 21ste eeuw: die burgers moesten gaan zorgen voor elkaar en voor de buurt, politiek mocht het niet worden. ‘Burgers die lastig doen, daar wilde men in het perspectief van doorgeschoten individualisering en onbeheersbare globalisering nu juist van af.’ Burgers die de macht wilden controleren, of vroegen wie eigenlijk de baas is in een democratie, dat waren zeurkousen, querulanten.

Pim Fortuyn was net als zijn held Joan Derk van der Capellen tot den Pol (leider der Patriotten aan het eind van de achttiende eeuw) voor radicale democratisering van het overheidsbestuur, dus ook van de rechtspraak. Fortuyns leerling Joost Eerdmans kreeg de Tweede Kamer in 2005 zo ver een motie aan te nemen om de invoering van het gemengde tribunaal – beroepsrechters plus lekenrechters – te laten onderzoeken. Het kabinet-Balkenende liet hoogleraar strafrecht Theo de Roos een vergelijkend onderzoek doen. Dat deed hij, aldus juridisch publicist en oud-rechter Annerie Smolders, ‘met licht verduisterde bril’, zodat de conclusie was dat er in Nederland geen noodzaak was tot democratisering van de rechtspraak. Minister Ernst Hirsch Ballin (cda) nam dat oordeel direct over.

Sindsdien is het weer muisstil over het onderwerp. Ten onrechte. De rechter is opgeleid in het recht, niet in het met gezond verstand evalueren van bewijsmateriaal in strafzaken. Smolders voert in haar essay over de burger als mederechter (De Groene, 7 mei 2014) het eerste proces-Wilders in 2010 aan als argument voor de legitimatie versterkende werking ervan: ‘Als in het Wilders-proces naast de rechters gewone burgers zonder toga hadden gezeten, zou dit een verschil hebben gemaakt? Dat lijkt mij eigenlijk evident. Alleen al door hun aanwezigheid en hun stem in de raadkamer op voet van gelijkheid hadden ze gezorgd voor een grotere democratische legitimatie. Wilders had zijn retoriek dat de rechterlijke macht uit elitaire, bevooroordeelde d66’ers bestond op z’n minst moeten aanpassen.’

Het volk als dam tegen ‘de populist’. Het is dezelfde redenering als hierboven is gegeven bij de vraag hoe je de ‘ernstig geschokte rechtsorde’ vaststelt: dat moet je niet alleen aan rechters overlaten, daar moet je een ad random selectie van Nederlanders bij betrekken. Maar als ik in gesprekken met magistraten en rechtsgeleerden het woord ‘lekenrechtspraak’ liet vallen, als mogelijk hulpje bij het bestrijden van de legitimiteitscrisis van ‘de overheid’, vlogen de meesten subiet naar het puntje van de stoel. En zeiden wat procureur-generaal Rinus Otte in drie zinnen zei: ‘Leken in de rechtspraak? Die weten nergens van! Laat staan van het wettelijk systeem en bewezenverklaringen.’

‘Alleen al over lekenrechtspraak beginnen wekt irritatie bij de rechterlijke macht. Zo bang zijn ze voor de burger’

Onderzoeken als van wijlen rechtspsycholoog Willem Wagenaar uit 2008 die aantoonden dat burgers niet veel anders redeneren of oordelen dan beroepsrechters worden het liefst doodgezwegen. Als je zijn naam noemde, klonk het: ‘Als burgers niet veel anders oordelen, kunnen ze het toch ook gewoon aan ons overlaten!?’ Het professionele karakter van de Nederlandse rechtspraak werkt al sinds de stichting van het koninkrijk geslotenheid, ontoegankelijkheid en onbegrip bij de burger in de hand. Dat de rechters in 1813 blij waren dat de door de Franse bezetters in 1811 ingevoerde juryrechtspraak weer werd afgeschaft is logisch: zij snapten heel goed dat hun macht dan minder groot is. Want lekenrechtspraak hoort bij revolutie en democratisering.

Lekenrechtspraak en algemeen kiesrecht zijn in het historische proces van democratisering de keerzijden van dezelfde munt. Veel denkers over staat, macht en burger, zoals Tocqueville en Hannah Arendt, zeggen dit ook zo: actief burgerschap is ‘de tweede geboorte’, zonder welke een politieke democratische gemeenschap niet kan bestaan. In de afgelopen paar jaar bezocht ik menige bijeenkomst in het kader van de ‘Democratic Challenge’ om de burger bij het bestuur te betrekken. Toen besefte ik dat medebestuur niet alleen een politiek-morele plicht is maar dat het ook léuk gevonden wordt. Het was telkens de overheid die, zoals Hurenkamp zegt, uiteindelijk over niet meer wil praten dan een wipkip op het grasveld om de hoek. Hetzelfde geldt voor de rechtspraak. Veel frutsels en franje – open dag, ‘de rechter komt naar je toe!’ – en daar blijft het bij.

Kenmerkend voor de irrationele afkeer van lekenrechtspraak – in één rechtsgeleerd artikel zelfs synoniem genoemd met ‘onderbuikgevoelens’ – was de workshop op de laatste Dag van de Rechtspraak erover. De reden, zo stelde het programmaboekje: als burgers toch hetzelfde straffen als rechters, dan is dat toch een mooie oplossing? Om te vervolgen met: ‘Maar is het niet te mooi om waar te zijn? Want iedereen die Making a Murderer heeft gekeken weet dat Amerikaanse juryrechtspraak ook een showelement introduceert. Willen we dat echt?’ Dat was tendentieus, want zo’n systeem bestaat in Europa bijna nergens. En waar jury’s bestaan worden die alleen bij middelzware en zware gevallen – paar procent – gehanteerd.

Dat het tendentieus was leerde ook die workshop, een powerpointlezing door de Noorse rechter Wiggo Storhaug Larssen. Met allerlei grafieken en cijfers liet hij zien dat in Scandinavië het vertrouwen in de onafhankelijkheid en expertise van hun rechtspraak met burgers als juryleden en/of mederechters boven de negentig procent ligt – in Nederland is dat 65 procent – en dat de lekenrechtspraak in Denemarken, Noorwegen en Finland ook nog goedkoper is en veel sneller. Van de zevenhonderd rechters op dit congres waren er krap tien op zijn verhaal af gekomen. En na afloop stelde niemand van hen een vraag. Juriste Marijke Malsch, die in 2009 de vergelijkende studie Democracy in the Courts publiceerde, in Nederland nagenoeg genegeerd, vindt dat niet vreemd. ‘Alleen al over lekenrechtspraak beginnen wekt soms irritatie bij de rechterlijke macht. Zo bang zijn sommige rechters voor de burger.’

Lekenrechters zouden de kennis over de praktijk van de rechtspraak in de samenleving juist kunnen vergroten. In Duitsland bijvoorbeeld zijn er momenteel 25.000 beroepsrechters en ruim 36.000 lekenrechters werkzaam. Die laatsten worden na enkele jaren afgelost, zodat het aantal Duitsers dat als ‘ambassadeur van de rechtspraktijk’ in eigen kring kan vertellen hoe recht wordt gesproken vele malen hoger is.

Lekenrechters zouden de rechtsvoering ook transparanter kunnen maken. Want ondanks de voorgestane ‘transparantie’ als oplossing voor het gebrek aan vertrouwen in de rechtspraak bestaat die in de praktijk helemaal niet. Getuigen worden vooraf en niet in de rechtszaal gehoord, daar worden in vaktaal delen van het dossier voorgelezen. Bij jury- en lekenrechtspraak moeten getuigen en bewijzen op de zitting zelf gehoord en geleverd worden.

Het blijft hoe dan ook vreemd: alles verandert, alles moet veranderen, op z’n minst ‘flexibel’ worden, behalve ‘het systeem’ van het recht. Daarom vroeg ik de Nijmeegse hoogleraar staatsrecht Paul Bovend’Eert, die in 2001 als eerste een vergelijkende studie wijdde aan lekenrechtspraak, waarom lekenrechtspraak ook in de huidige formatie nul aandacht krijgt. ‘Ja, in elke democratische organisatie moet de burger inspraak hebben. Maar het democratische argument weegt niet zwaar in Nederland. Zie referendum, zie gekozen burgemeester.’ Waarom niet? ‘Om twee redenen. Het gaat nu allemaal om bestuurskunde, management en bekostiging. En in Nederland zitten álle juristen in “het systeem”. Veel juristen en rechtsgeleerden zijn tevens plaatsvervangend rechter, en lekenrechtspraak stelt dat allemaal ter discussie.’

Sommige rechtsfilosofen breken een lans voor ‘professionele moed’ – ‘meer moed in plaats van regels’ – en verzorgen daar cursussen over, met veel Aristoteles en Martha Nussbaum in het lespakket. De meeste animo is er onder de rechters, veel minder bij het OM, dat steeds meer als een groep opereert en minder als verzameling individuele professionals. Wie zich in het publieke debat helemaal muisstil houden, zijn de commerciële advocaten. Maar makkelijk en veelbelovend blijkt de deugd van de ‘moed’ niet, kijk naar het ellendige lot van klokkenluiders.

Wie ‘het systeem’ van de rechtspraak in Nederland in beweging wil krijgen moet zich dus beperken tot wat kurieren am Symptom wordt genoemd. Zeker, de afkeer van het huidige systeem – bureaucratisch, antagonistisch, commercieel, stressvol – is bij sommigen die erin werkzaam zijn zo groot dat ze hun baan bij het megakantoor op, metaforisch, ‘de Zuidas’ opzeggen en een eigen bureautje beginnen in conflictbeslechting, mediation, herstelrecht of coaching, of een kunstzinnig project beginnen of iets met ‘ongedocumenteerden’ gaan doen, kortom het werk dat vroeger de ‘sociale advocatuur’ werd genoemd, maar nu in een zzp-shirt.

Op zoek naar die alternatieve wereld in de rechtspraak belandde ik in de kantine van de Bijlmerbajes, waar geen gevangenen meer zitten maar asielzoekers en bedrijfjes die zich tooien met de betiteling start-up of pop-up. Lola Lik heet die vrijbuitersruimte, en daar was de ‘workshop mens en recht’. Een dertigtal vrouwen en een tiental mannen bespraken het thema dat ‘de mens is verloren geraakt in het systeem’ en hoeveel empathie, creativiteit en verbinding er nodig is om het recht menselijker en duurzamer te maken. Ik zag een en al goede wil en hoorde ook nuttige nieuwtjes, zoals het fenomeen van de ‘holistische jurist’.

De Lola Lik-initiatoren, de strafrechtadvocaten en mediators Klaartje Freeke (40) en Wikke Monster (44), ondersteunen in de Verzoenkamer via een ‘geïntegreerde aanpak’ particulieren, sportverenigingen, schoolbesturen en bedrijven bij het oplossen van conflicten. Als het om een herstelgerichte zaak gaat hoeft de wetgeving volgens hen niet te worden aangepast. ‘Ik zie in de rechtszaal ruimte ontstaan voor toenadering en mildheid tussen verdachte en slachtoffer, wanneer advocaten, officieren en rechters elkaar met compassie benaderen.’ Zo zijn er in Nederland overal initiatieven op de begane grond van de rechtspraak. Hier heet het Verzoenkamer, daar Echtscheidingscafé, en sommige holistische juristen hopen ooit een Huis van de Vrede te stichten waarin advocaten samenwerken met psychologen, filosofen en yogadocenten.

Het zou niet juist zijn lacherig te doen over dit soort bloemrijke en ideële initiatieven. Vrijwel alle hervormingsbewegingen in de geschiedenis zijn gestart door een klein aantal mensen met veel wilskracht en creatief demonstratietalent. Maar of Lola Lik-initiatieven de rechtspraak in Nederland fundamenteel kunnen verbeteren op het gebied van legitimatie, efficiëntie en menselijkheid? Ik zou mijn hand er niet voor in het vuur durven te steken. Want één woord valt in al die liefdevolle bekommernis niet of nauwelijks. En dat is het woord ‘politiek’. En zonder politiek, zonder wetswijzigingen en overheidsinitiatieven gaat het niet. Het is echter een illusie dat het parlement snel tot een stelselwijziging zal besluiten die de burgers de bestuurlijke en rechtsprekende taak geeft die hun toebehoort.

Maar een brede maatschappelijke discussie – zoals destijds over kernenergie en genetische modificatie, en nu over ‘duurzaamheid’ – over de relatie tussen rechtspraak en rechtsbewustzijn, en de rol van de burgers, de beroepsgroep, de bureaucratie, de politiek en de media hierin, dat moet toch mogelijk zijn.


Henri Beunders is hoogleraar ontwikkelingen in de publieke opinie aan de Erasmus Universiteit. Deze serie is tot stand gekomen mede dankzij Fonds 1877.