Het nieuwe kabinet De Big Society: tijd voor een nieuw politiek verhaal

De burger is aan zet

Zowel Vvd en PvdA keken met interesse naar het Verenigd Koninkrijk, waar twee jaar geleden het idee van de Big Society werd gelanceerd. Niet de staat, niet de markt, maar de lokale gemeenschappen moesten weer aan invloed winnen. Wat kan onze nieuwe regering van dit initiatief leren?

Het Osmani Centre is een spiksplinternieuw gebouw dat aan onder meer een lagere school, huisartsenpost en buurthuis onderdak biedt. In een zaaltje op de derde verdieping verzamelen zich enkele tientallen vrijwilligers van London Citizens, de lokale afdeling van de landelijke koepelorganisatie Citizens UK. Citizens UK is, zo wordt ons uitgelegd, een multi-issue-­_organisatie die werkt aan een groot aantal projecten van, voor en door de _civil society.

Vanavond is een vergadering van een van de stuurgroepen. De meeste vrijwilligers komen rechtstreeks uit hun werk. Sommigen eten gehaast de maaltijd die ze onderweg gehaald hebben, anderen bevrijden zich van hun stropdas of ronden hun laatste beetje werk af op hun smartphones en iPads. Het overvolle programma wordt in anderhalf uur afgewerkt, zodat iedereen op tijd naar huis kan. Geen enkel onderwerp krijgt meer dan het vooraf op de agenda vermelde aantal minuten. De voorzitter ziet er streng op toe dat mensen het kort en bondig houden. De vrijwilligers van Citizens UK hebben een druk bestaan en nemen hun werk zeer serieus. Verschillende campagnes – van eerlijker salarissen voor schoonmakers in hotels tot een zomerprogramma voor studenten – passeren in hoog tempo de revue. Op locatie in het Osmani Centre zijn we in het hart van de Big Society in de praktijk. De Big Society, dat was het paradepaard van de regering-Cameron.

Op 19 juli 2010 hield de kersverse premier David Cameron een speech in Liverpool. De toespraak moest het Verenigd Koninkrijk warm maken voor het nieuwe verhaal van de Conservatieve Partij. Camerons ambities zijn torenhoog: ‘Ik hoop dat als mensen over vijf of tien jaar terugkijken ze zullen zeggen dat we niet slechts de staatsschuld voor een groot deel hebben afgelost en het huishoudboekje op orde hebben gekregen, maar dat we iets opwindends op gang hebben gebracht in onze samenleving.’

Ruim een jaar voor Camerons speech publiceerde de tot dan toe relatief onbekende theoloog Phillip Blond het boek Red Tory, waarin hij de filosofie van de Big Society fundeerde. Na de big state en de big market was het volgens Blond tijd voor een nieuw politiek verhaal. De Big Society vormt in zekere zin een conservatieve ‘derde weg’. Door het hyperindividualisme van de jaren negentig en de kredietcrisis in het wereldwijde economische systeem in 2008 hunkerden de mensen naar iets anders. Blond leverde een alternatief, en David Cameron smeedde het tot een politieke agenda. Het werd de big idea van de premier, en Blond groeide uit tot intellectuele rockster die de hele wereld over vliegt om lezingen te houden.

Sindsdien droegen verschillende denkers en politici bij aan de verdere verdieping van het idee. Het conservatieve parlementslid Jesse Norman schreef in 2010 het boek The Big ­Society: The Anatomy of the New Politics. De Big Society is volgens hem terug te voeren op de filosofie van Edmund Burke, die het gezin, de familie en de lokale gemeenschap als vertrekpunt zag van elke succesvolle samenleving. In Normans ogen is het idee geen modegril, maar een elementair onderdeel van de Britse politieke tradities. Maurice Glasman, lid van het Hogerhuis voor Labour, reageerde op het nieuwe red toryism met het project Blue Labour, het linkse antwoord op de Big Society. Glasman is het met de rechtse Blond eens dat de staat te groot is geworden. Zijn ideaal is een terugkeer naar een ‘deeply conservative socialism’, waar tradities en lokaal verantwoordelijkheidsbesef de solidariteit schragen. In Nederlandse termen lijkt het op een vooroorlogse variant van de sociaal-democratie, die toen nog niet noodzakelijkerwijs via de overheid vorm kreeg, maar ook sterk bouwde op de persoonlijke betrokkenheid van mensen.

In het Verenigd Koninkrijk erkent zowel links als rechts dat de staat te dominant is geworden, terwijl tegelijkertijd het besef heerst dat niet meer alles aan de markt overgelaten kan worden. Over de gedachte dat er meer belang moet worden gehecht aan lokale gemeenschappen en mensen onderling bestaat brede consensus. Het ‘grote idee’ van David Cameron kon, zeker in het jaar van zijn verkiezing tot premier, tot ver buiten het Verenigd Koninkrijk op belangstelling rekenen.

In het Osmani Centre spreken we vlak voor de bijeenkomst begint met Neil Jameson, oprichter en directeur van Citizens UK. Jameson vertelt dat het idee van een nieuwe vorm van politiek met een centrale rol voor lokale gemeenschappen, initiatiefrijke burgers en vrijwilligers- en liefdadigheidsorganisaties hem in eerste instantie aantrok. Ruim twee jaar na de lancering is zijn enthousiasme echter flink bekoeld. Hij wijst de zaal in: ‘Voor de meeste mensen hier is de Big Society nooit méér geworden dan een gelikt idee van de overheid.’

Het is vooral de grote teleurstelling in de overheid als partner in business die Jameson van mening heeft doen veranderen. De koers die de Conservatieve Partij had ingezet leek veelbelovend. Mensen zouden lokaal meer zeggenschap krijgen over het beheer van publieke gebouwen, huisvesting en openbaar vervoer en via de Big Society Awards zou de regering ambitieuze lokale projecten gaan belonen.

De aftrap van de regeringsplannen was ook voor Jameson zélf hoopgevend. Zijn 21 jaar ervaring in community organizing in binnen- en buitenland, onder meer in de Verenigde Staten, werd zeer gewaardeerd. Zo was hij meermalen te gast op 10 Downing Street om mee te praten met en advies te geven aan regerings­functionarissen. Het leek erop dat de regering het radicaal anders zou gaan doen dan het aan de macht gewend geraakte Labour, en dat Citizens UK een grote rol zou gaan spelen bij het invullen van de nieuwe koers. Twee jaar na de lancering kan Jameson echter tot geen andere conclusie komen dan dat Whitehall toch vooral over regels en procedures gaat en dat de echte ideeën van onderop moeten komen. ‘Eigenlijk is het nooit meer geweest dan een campagne­slogan’, zegt hij.

Ook Valerie Voak, een zachtmoedige, gepensioneerde vrouw met een groot montuur en dikke brilglazen die de vergadering voorzit, moet weinig hebben van de overheid. Voak is betrokken geraakt bij London Citizens via haar werk als parochiaan in Westminster. Ze vertelt ons enthousiast over de energie en de nieuwe mogelijkheden die ontstaan als er wordt samengewerkt tussen organisaties die zich willen inzetten voor hun lokale gemeenschap, of dat nu kerken, moskeeën of vakbonden zijn.

Als we haar vragen naar de Big Society en de regering verandert ze echter van toon: ‘Wíj werken hier samen met talloze instellingen, maar wat weet Whítehall nou?’ Voak legt uit dat Big Society voor haar niet hetzelfde betekent als civil society, simpelweg omdat de term ‘van boven komt’. ‘Bovendien’, zegt Voak strijdbaar , ‘hebben we de overheid bij London Citizens helemaal niet nodig.’

De houding van Voak belichaamt het uitgangspunt van Citizens UK dat zelfredzaamheid en onafhankelijkheid de civil society sterk maken. Opvallend is dat Citizens UK volgens de Britse regering juist een schoolvoorbeeld is van wat bedoeld wordt met de Big Society, terwijl de organisatie er zelf niets meer mee te maken wil hebben. Op een bijeenkomst tijdens de verkiezingscampagne in 2010 zei Cameron tegen een grote groep Citizens UK-vrijwilligers: ‘Ik práát over de Big Society, jullie zíjn de Big Society.’

Dat de overheid heeft afgedaan voor Jameson en zijn collega’s stond verder succes voor London Citizens echter niet in de weg. De afgelopen jaren is er een breed scala aan geslaagde projecten gestart. Het ondersteunen van sociaal geïsoleerde immigranten was lang een prioriteit, evenals het geven van financiële voorlichting op middelbare scholen. Ook startte dit jaar de CitySafe-campagne waarmee onder meer een dialoog op gang werd gebracht met probleemjongeren om zo de veiligheid in Londense wijken te verbeteren. De organisatie weet voor haar projecten telkens weer een groot aantal vrijwilligers op de been te brengen.

Ook de bijeenkomst in het Osmani Centre laat een grote betrokkenheid van een diverse groep vrijwilligers zien. Studenten, mensen met een drukke kantoorbaan, vrijwilligers uit religieuze en culturele groepen, gepensioneerden, lokale politici en een handjevol betaalde community organizers in dienst van Citizens UK zitten samen aan tafel. Ze brainstormen over de Living Wage Campaign, een project dat voor werknemers die het minimumloon verdienen een levensloon wil realiseren. Het minimumloon waar veel mensen voor werken is een poverty wage, legt Jameson uit. Het wordt geacht de ondergrens te zijn, maar in de praktijk blijkt dat mensen er nauwelijks van kunnen rondkomen. Inmiddels is een groot deel van de Britse universiteiten dankzij de campagne van London Citizens van het gewone minimumloon afgestapt. Onder anderen de schoon­makers krijgen er nu een living wage. Nu wordt er hard gewerkt om hotelketens hetzelfde besluit te doen nemen.

Bij de campagne om hotelketens te overtuigen is ook Hugh O’Shea betrokken, afgevaardigde van Unite, de grootste vakbond van het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Door samen te werken met leden van London Citizens is het voor O’Shea eenvoudiger om de werknemers te bereiken en, zelfs bij het lage ledental binnen de sector, druk te zetten op de ceo’s van de grote hotels. ‘Ik kan steeds wijzen op de betrokkenheid van gewone mensen zonder direct eigenbelang. Dat helpt enorm’, zegt hij. De aanpak is zo succesvol dat de vakbond net vijf mensen in dienst heeft genomen om de civil society te betrekken bij hun werk. ‘Mensen hebben een hoop goeds in zich’, zegt O’Shea, ‘maar ze houden er niet van als anderen ze vertellen wat ze moeten doen. Samenwerken en overleggen met burgers die zich betrokken voelen is democratischer, en daarom succesvoller.’

Een van de ambities van de regering-­Cameron in het kader van de Big Society was het (laten) opleiden van enkele duizenden community organizers. Toen dit plan in 2010 bekend werd gemaakt probeerde Citizens UK nog zaken te doen met de overheid. De opdracht ging echter tot verbazing van velen aan hen voorbij. De keuze viel op Locality (volgens Jameson ‘niet de beste, maar de goedkoopste’), een landelijk netwerk dat bestaat uit meer dan zevenhonderd lokale gemeenschapsinstellingen, sociale ondernemingen en trusts. Locality legt de nadruk op de zelfredzaamheid van organisaties, zodat hun werk ook zonder steun van de overheid gewoon voortgezet kan worden. Eventuele winst verdwijnt niet in de zakken van beleidsmakers, maar wordt besteed aan nieuwe projecten.

We bezoeken Steve Wyler, de zachtaardige chief executive van Locality, in zijn kantoor in een klein en onopvallend gebouw in een achterafstraatje in de wijk Hackney. Het doet ietwat surrealistisch aan als je bedenkt hoe omvangrijk Locality’s organisatie is. Tussen de entree en de receptie passen met enige moeite twee stoelen en op een klein tafeltje liggen wat folders met informatie over het werk dat Locality doet.

Tijdens het gesprek blijkt Wyler een stuk milder over de Big Society dan Jameson. De term is beschadigd, maar de kerngedachte spreekt nog altijd veel mensen aan. Wat mis is gegaan, stelt Wyler, is dat overheid te kort is geschoten in de uitvoering van haar plannen waardoor het momentum is verspeeld. Hij ziet twee grote fouten. De eerste heeft te maken met schaalgrootte. Wyler zet uiteen hoe de onderklasse door de grootschaligheid en massaliteit van instituties ernstig is benadeeld. Mensen die niet ‘bureaucratisch vaardig’ genoeg zijn, raakten tussen wal en schip. Volgens Wyler is decentralisatie nodig om dat te veranderen, maar de verleiding voor de centrale overheid om controle te houden is groot. Ze stoot weliswaar taken af, maar dat komt vaak niet ten goede aan de lokale gemeenschappen of kleinschalige organisaties. De regering besteedt de taken liever uit aan gevestigde giganten dan aan kleine instellingen die dicht bij de gemeenschappen staan waarbinnen ze actief zijn.

De tweede kostbare fout werd gemaakt met de zogenaamde ‘year zero approach’. De regering had blijkbaar het idee dat er vóór 2010 niets bestond dat aan hun definitie van de Big Society voldeed. ‘De natuurlijke bondgenoten van de Big Society zijn vrijwilligersorganisaties en liefdadigheidsinstellingen’, zegt Wyler. ‘Zij wantrouwen het idee nu echter massaal.’ Wyler vertelt over het in 2010 door de regering opgerichte Big Society Network, dat bestaande organisaties – in hun woorden de ‘usual suspects’ – vooral vijandig benaderde. Veel mensen voelden zich hierdoor geschoffeerd. Wyler vreest dat binnen een paar jaar kan blijken dat het project, dat toch met de juiste motieven begon, uiteindelijk meer slechts dan goeds heeft voortgebracht, niet in de laatste plaats door de beroerde uitvoering.

Giles Gibbons, verbonden aan het Big Society Network, is het volstrekt met Wyler oneens. We spreken hem als hij in zijn auto de stad ontvlucht voor het weekend. Gibbons is chief executive van goodbusiness.co.uk, een onderneming die organisaties en bedrijven helpt duurzaam en maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Hij wijst de kritiek van Wyler op de year zero approach ongeduldig van de hand.

‘De Big Society zoekt nu juist een breder publiek dan alleen de huidige organisaties’, begint hij zijn betoog. Hij stelt dat de ‘oude mechanismen’ niet meer voldoen. De uitdaging is om búrgers te betrekken bij de samenleving. Niet alleen vrijwilligers, maar juist individuen die zich betrokken voelen bij hun eigen gemeenschap. Gibbons vindt de Big Society een kans om buiten de gebaande paden te treden: ‘Er is een nieuwe groep mensen die zichzelf niet als ­vrijwilliger ziet, maar veel zelfstandiger opereert. Ze organiseren zichzelf anders, vaak met behulp van het internet, en willen wat doen met hun eigen ideeën, in plaats van zich aan te ­melden als vrijwilliger voor de ideeën van een ander.’

De oude organisaties zijn volgens Gibbons dan ook te ouderwets. ‘Laat ik een voorbeeld geven. In mijn straat is geen fietspad, en ik vind dat er wel een moet zijn’, zegt hij. ‘Ik kan kiezen. Ga ik me aansluiten als vrijwilliger bij een fietsersorganisatie, of ga ik er zelf wat aan doen en zoek ik persoonlijk contact met de lokale autoriteiten? Dat is een fundamenteel verschil en in mijn opvatting gaat de Big Society over het laatste.’

Hij ziet dat jongeren zelfstandiger zijn en zich makkelijker in losse verbanden organiseren. Sociale media spelen een doorslaggevende rol, omdat ze mensen in staat stellen de wereld veel meer naar hun eigen hand te zetten. ‘In het verleden had je de staat, het bedrijfsleven en de vrijwilligers en liefdadigheidsinstellingen. Nu heb je een vierde concept in de vorm van burgers die zich actief betrokken voelen bij hun gemeenschappen.’

Het blijft onduidelijk wat precies de essentie is van de Big Society. In Gibbons houding schemert het individualistische wereldbeeld van het Big Society Network door. Toch is het de wat traditionelere organisatie van Wyler die de komende jaren zo’n vijfduizend community organizers zal opleiden. Voor Locality is dat spannend en Wyler vertelt ons enthousiast wat er de komende tijd staat te gebeuren.

Tijdens de intensieve trainingen wordt de aanstaande community organizers met name geleerd om eenvoudigweg te luisteren naar wat mensen nodig hebben en aan te voelen wat er speelt in lokale gemeenschappen, zodat er actie ondernomen kan worden. De deelnemers worden streng geselecteerd: ze mogen geen eigen ‘agenda’ hebben. Het is immers hun taak om te luisteren, niet te preken. Wyler strooit met voorbeelden en vertelt geanimeerd over een flat­gebouw waarin de bewoners allemaal ontevreden bleken over de afwezigheid van een goed werkende intercom om de deur op de begane grond mee te openen, maar dat niet van elkaar wisten. De mensen in de flat leefden langs elkaar heen. Dankzij door Locality opgeleide community organizers die van deur tot deur gingen, werd plotseling duidelijk dat die ergernis door de hele flat gedeeld werd. ‘Nu heeft de flat een uitstekende intercom’, zegt Wyler met een glimlach. ‘En het aardige is: wíj hebben dat niet gedaan. We hebben slechts de mensen bij elkaar gebracht en het ze vervolgens samen laten oplossen. Dat is wat ons betreft de kracht van de Big Society. Je moet alleen af en toe een handje helpen.’

Het is echter de vraag of de Big Society ook in staat is om veeleisende taken als thuiszorg bij Alzheimer of eenzaamheid onder ouderen structureel over te nemen. Kunnen lokale gemeenschappen wel omgaan met meer, en grotere verantwoordelijkheden? ‘We weten het nog niet’, zegt Wyler wat weifelend. ‘Het zal moeten blijken uit de praktijk. De staat en de private instellingen die de taken nu op zich nemen doen het ook niet goed. Als het wil slagen moet het van onder komen, uit de wereld van de community organizers zelf.’

De zorg over de grenzen van wat gemeenschappen aankunnen raakt aan een bredere kritiek die in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten te horen is. De Big Society is een schitterend ideaal op papier, maar kan het wel overal even goed werken? Julia Slay, onderzoekster bij de links georiënteerde denktank New Economics Foundation (nef), heeft de afgelopen jaren geprobeerd om deze vraag te beantwoorden. We spreken haar in het kantoor van nef, in een bescheiden pand niet ver van The City, het financiële hart van Londen. Slay vertelt dat de term Big Society door veel Britten vooral geassocieerd wordt met bezuinigingen. In het rapport Cutting It, dat ze samen met collega’s schreef, muntte Slay de term ‘new austerity’: de nieuwe soberheid. Ze vat dit begrip samen als een combinatie van de diepe economische recessie en de enorme bezuinigingen die daarbovenop kwamen. In welvarende wijken zijn de problemen nog te overzien, maar Slay is bezorgd over de armere gebieden. ‘Het is angstaanjagend om te zien hoe de bezuinigingen ingrijpen in de levens van sommige mensen.’

Met het oog op de rellen die een jaar geleden in onder meer Londen, Birmingham en Manchester uitbraken, is haar zorg niet onterecht. Destijds meenden veel politici en beleidsmakers dat de enorme bezuinigingen van de regering er mede de oorzaak van waren. In de Londense wijk Tottenham zijn de littekens van de geweldsexplosie een jaar na dato nog steeds zichtbaar. Om de wijk er bovenop te helpen werd in het najaar van 2011 een lokale campagne gestart. Politici, ondernemers en de voetbalclub Tottenham Hotspur werkten samen aan een positieve benadering van de getroebleerde wijk. Zo werd er een sticker ontworpen die lokale ondernemers op hun ruit konden plakken, met daarop het motto ‘I love Tottenham’. De sticker is met name te vinden bij winkels die luxe(re) goederen aanbieden, bijna als talisman: beroof mij niet, ik houd ook van deze buurt. In het naastgelegen Hackney, waar de ergste rellen plaatsvonden, werd een gelijk­soortige campagne begonnen. ‘Het is vooral belangrijk om de vraag te stellen waarom de overheid niet naar de voorwaarden heeft gekeken die burgers in staat stellen om actief mee te doen in de samenleving’, zegt Slay. ‘Niet iedereen heeft dezelfde middelen tot zijn beschikking om op een volwaardige manier te kunnen meedoen, dus daar zou eerst iets aan gedaan moeten worden. Als je nachtdiensten draait is participeren niet zo makkelijk. En hoe zit het met de daklozen en ernstig zieken?’

Wie door Tottenham loopt, valt op dat op veel straathoeken borden hangen met posters die mensen van advies voorzien bij dreigende huisuitzettingen. Op de posters staat een samenvatting van hun rechten en een telefoonnummer waar ze informatie kunnen inwinnen. Het sociale weefsel van de wijk is zwak, en veel mensen hebben moeite om voor zichzelf te zorgen. Zelfredzaamheid is een moeilijk hanteerbaar begrip in een wijk waar schreeuwerige postercampagnes mensen moeten wijzen op basale zaken als de rechten van huurders. Hoe komt een Big Society, die zo zwaar leunt op de zelfstandigheid en betrokkenheid van mensen, hier van de grond?

Slay stelt dan ook dat de Big Society met name goed werkt in de groene voorsteden waar de werkloosheid laag is. Een blik op de statistieken van een wijk als Hampstead Garden Suburb, waar in april een uit geldgebrek gesloten bibliotheek opnieuw werd geopend door vrijwilligers, leert dat daar bij lange na niet de problemen voorkomen die er wel zijn in Tottenham, Hackney of Croydon. Slay benadrukt desondanks dat veel mensen zich goed voelen bij de kern van de gedachte van Big Society. Maar de Big Society kan alleen levensvatbaar worden gemaakt als de regering inziet dat het een kwestie is van en-en, en niet of-of. ‘Het moet een coproductie zijn van overheid én civil society’, betoogt ze, ‘maar we moeten nog zien of dat gaat gebeuren.’

De grote vraag is waar de balans moet liggen tussen een terugtredende overheid en een samenleving die meer verantwoordelijkheden krijgt. Zolang de Big Society primair een kwestie van bezuinigen blijft, zullen er organisaties zijn die financieel kopje onder gaan, ook als zij werk deden dat op papier aansluiting vindt bij de filosofie van de Big Society. Het afgelopen jaar moesten liefst zevenduizend liefdadigheidsorganisaties gedwongen de deuren sluiten, en uitzicht op verbetering is er nauwelijks.

De Community and Voluntary Sector Forum (cvsf) in het district Brighton and Hove in het landelijke zuiden van Engeland is een voorbeeld van een organisatie die slachtoffer dreigt te worden van de bezuinigingsdrift van de regering. We spreken met bestuursvoorzitter Sally Polanski, die een litanie van geldzorgen over ons uitstort. De cvsf coördineert en ondersteunt vanuit haar kantoor in het centrum van Brighton het werk van een aanzienlijk deel van de kleine vrijwilligersorganisaties en maatschappelijke instellingen rondom het district. Veel organisaties verkeren er in zwaar weer. Ze zijn (deels) afhankelijk zijn van de overheid (ook cvsf ontvangt overheidsgeld) en hebben te lijden onder de enorme bezuinigingen. Ook private geldschieters haken af en de kleinere organisaties blijken kwetsbaarder dan gedacht.

Toen de gemeenteraad in Brighton aankondigde dat er flink gesneden zou gaan worden in de uitgaven reageerden Polanksi en haar collega’s aanvankelijk strijdvaardig. ‘In het begin voelden we ons optimistisch’, zegt ze. ‘We zouden meer moeten gaan doen met minder geld, en besloten er dus maar het beste van te maken.’ Polanksi vertelt hoe er gelobbyd werd bij lokale raadsleden om niet te rigoureus te bezuinigen, en hoe haar collega’s op zoek gingen naar nieuwe manieren om hun activiteiten te financieren met behulp van fundraising events.

Hoewel de initiatieven wat opleverden, blijft het voor Polanski een pijnlijke gewaarwording om te zien dat juist de organisaties die de Big Society belichamen moeite hebben om overeind te blijven. Ze noemt het ‘de grote contradictie’ in het overheidsbeleid. Het bouwen aan een Big Society vergt een overgangstijd en in veel gevallen is daarin de helpende hand van de overheid onmisbaar.

Polanksi zucht als we haar vragen hoe ze de toekomst van de Big Society inschat. Ze ziet de term steeds meer als synoniem voor tough times en een overheid die blut is. ‘Over het algemeen creëert de Big Society niet de nieuwe mogelijkheden die we ervan verwachtten en de lokale overheid is niet voldoende uitgerust om er iets aan te doen’, zegt ze.

De situatie die Polanksi schetst vormt geen uitzondering, maar achter de dominante stemming dat de Big Society een grote mislukking is schuilen ook positieve berichten. In lokale kranten, zo viel bbc-journalist Mark Easton deze zomer op, verschijnen nog altijd berichten over buurthuizen en jeugdhonken die moeten sluiten, maar ook steeds vaker kleine artikelen over jongeren die zelf het initiatief nemen om de voorzieningen open te houden. De samenleving – in de vorm van private fondsen, bedrijven, liefdadigheidsinstellingen en vrijwilligers – neemt steeds vaker het heft in eigen hand. En hoewel er fors wordt bezuinigd in het Verenigd Koninkrijk zijn er sinds kort hier en daar ook investeringen, onder meer via lokale fondsen en een in april gelanceerde Big Society-bank. Kleinschalige, lokale projecten krijgen uit lokale of landelijke fondsen een bijdrage die varieert van enkele honderden tot enkele (tien)duizenden ponden, zodat maatschappelijke projecten er (tijdelijk) mee gefinancierd kunnen worden.

Ondertussen volgen verschillende ministeries in Nederland de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk met bijzondere belangstelling. Vorig jaar was Phillip Blond op bezoek bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij een lezing hield op de conferentie Ruimte voor burgers en sprak met onder anderen toenmalig cda-minister Piet Hein Donner. Op de conferentie was ook het Landelijk Samenwerkingsverband Aandachtswijken vertegenwoordigd, dat nauwe contacten heeft met Locality. De Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, haalde in januari dit jaar Lord Glasman naar het Amsterdamse debatcentrum De Balie. pvda-wethouder Lodewijk Asscher trad op als co-referent en uitte zijn waardering voor Glasmans ideeën. In het verkiezingsprogramma spreken de sociaal-democraten de ambitie uit om de zorg lokaal te organiseren en de budgetten op het gebied van maatschappelijke participatie aan gemeenten over te dragen.

Mark Rutte onderhoudt op zijn beurt warme relaties met premier David Cameron, die hem tijdens het vvd-congres in augustus, vlak voor de verkiezingen, via een videoboodschap prees. Het pleidooi van de vvd voor minder overheid en meer eigen verantwoordelijkheid sluit naadloos aan op de uitgangspunten van de Britse Conservatieve Partij.

Nu vvd en pvda samen zullen gaan regeren, is het niet de vraag óf, maar wannéér Nederland zijn eigen versie van de Big Society tegemoet kan gaan zien. De komende jaren zal er nog fors bezuinigd moeten worden, en decentralisering is van oudsher een favoriet middel van de Nederlandse regering om dat te doen. Daarbij komt dat lokale bestuurders niet negatief staan tegenover meer bevoegdheden. In september schreven de burgemeesters van de vier grote steden in een opiniestuk in de Volkskrant dat zij graag meer taken willen overnemen, maar dat daar wel meer zeggenschap bij hoort.

De interesse vanuit Nederland verraadt een tweeledig beeld van de Big Society. Aan de ene kant is er de situatie in het Verenigd Koninkrijk, waar het idee twee jaar na de lancering ernstig gemankeerd wordt door fouten en een niet-aflatende stroom kritiek. De meeste Britten associëren de term vooral met ingrijpende bezuinigingen die meer afbreken dan er kan worden opgebouwd. Aan de andere kant lijkt zich een stille revolutie te hebben voltrokken. De kerngedachte van de Big Society, die zoveel waarde hecht aan lokale gemeenschappen en zelfredzame burgers, leeft meer dan ooit en wordt door vrijwel het hele politieke spectrum geaccepteerd, in binnen- en buitenland. Onder de oppervlakte van de Britse twisten over de uitvoering en de hoogte van bezuinigingen is de gedachte dat de overheid niet meer alles kan en moet doen springlevend, ook bij de linkse partijen.

De meeste Britten zijn zich bovendien nog altijd bewust van de onvermijdelijkheid van de bezuinigingen. Het is de Britse regering aan te rekenen dat zij er niet in geslaagd is het vertrouwen van veel maatschappelijke organisaties te winnen, maar de andere kant van het verhaal is ook waar: als de samenleving meer zelf moet oppakken, waarom moet de overheid daar dan in alle gevallen voor betalen? Naast het idee van lokale zeggenschap en eigen verantwoordelijkheid voor bestuur hoort ook het uitgangspunt dat de samenleving meer zelf financiert, in plaats van de kosten steeds weer bij de overheid neer te leggen. Het is in dat opzicht niet vreemd dat de Cameron ervoor gekozen heeft om voornamelijk fors te snijden in de overheidsuitgaven, en dit te combineren met het lanceren van de Big Society-gedachte.

Als de nieuwe regering zich waagt aan een Nederlandse variant van de Big Society doet die er goed aan te leren van de ervaringen en gemaakte fouten in het Verenigd Koninkrijk. Nederland heeft in vergelijking met de rest van Europa traditioneel een sterk maatschappelijk middenveld, een waardevolle erfenis uit de verzuiling. Tegelijkertijd leunt dat maatschappelijk middenveld in veel gevallen stevig op (een vorm van) financiering door de overheid, zowel met geld van gemeenten als van het rijk. Ook lijken investeringen in de veerkracht van wijken noodzakelijk, zodat ‘zelfredzaamheid’ geen leus wordt van de communicatie-afdeling om bezuinigingen een wat zoeter smaakje te geven. Zulke investeringen en organisatorische veranderingen kosten echter wel tijd, en het valt nog te bezien of dat geduld te midden van de Haagse bezuinigingsdrift kan worden opgebracht.

Dit stuk kwam mede tot stand met steun van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten

Twee jaar Big Society

Vanaf zijn verkiezing tot leider van de Conservatieve Partij in 2005 had David Cameron al de ambitie om de ‘gebroken Britse samenleving’ te helen, en hamert hij op het belang van sterke lokale gemeenschappen en sociale verantwoordelijkheid. Hij brak definitief met Thatcher door in zijn overwinningsspeech voor het congres van de Conservatieve Partij te benadrukken dat er wel degelijk zoiets bestaat als een samenleving.

De officiële lancering van de Big Society was in juli 2010. De eerste projecten in vier steden in het Verenigd Koninkrijk werden aangekondigd, evenals de wetgeving die vorm zou moeten geven aan het idee in de praktijk. In november 2011 werd de Localism Bill na een lang proces ondertekend door de koningin. De wet delegeert macht vanuit de centrale overheid naar gemeenten, lokale raden en de burgers zelf, waarbij een general power of competence het uitgangspunt is: lokale overheden mogen alles zelf regelen, tenzij het expliciet verboden is in nationale wetgeving. Zo is het de bedoeling dat wijken zelfstandig lokale voorzieningen gaan runnen.

In maart 2012 vond ook de Welfare Reform Act doorgang, die de verzorgingsstaat moet terugbrengen naar waar ze in eerste instantie voor bedoeld was. De werkloosheidsuitkeringen gaan omlaag, een aantal belastingvoordelen sneuvelt en huur- en zorgtoeslagen worden aan banden gelegd om de Britten minder afhankelijk te maken van de centrale overheid. Volgens de regering is een eenzijdig op rechten gebaseerde cultuur ontstaan, waaraan de verzorgingsstaat grotendeels heeft bijgedragen. De Welfare Reform Act moet mensen aansporen zelf verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van elkaar. Het is de bedoeling dat lokale gemeenschappen en autoriteiten zorgtaken overnemen.

Met de Open Public Services Agenda van juli 2011 wil de regering publieke diensten openbreken en toegankelijk maken voor private partijen. Mensen moeten kunnen kiezen tussen verschillende aanbieders, liefst op lokaal niveau. Dat komt volgens de Britse overheid de kwaliteit van publieke diensten ten goede en doorbreekt het _top-down-_monopolie van de staat.

Tot slot introduceerde de regering in april dit jaar het zogenaamde Big Society Capital (of Big Society Bank), een fonds dat gaat investeren in vrijwilligers- en liefdadigheidsorganisaties. Het geld moet in eerste instantie van ongeclaimde bankrekeningen komen die meer dan vijftien jaar niet gebruikt zijn. De grote Britse banken investeerden tweehonderd miljoen pond in het fonds. Het geld is ook bedoeld om de kritiek op de Big Society, dat er vooral wordt bezuinigd, tegemoet te komen. Lokale projecten kunnen bedragen krijgen van enkele honderden tot enkele (tien)duizenden ponden.