H.J.A. Hofland

De burgeroorlog in het Westen

Onbegrijpelijk dat de club van Nederlandse neoconservatieven er niet meteen boven op is gesprongen: het schandaal Alain Hertoghe. Althans, ik heb nog niets noemenswaardigs over de lotgevallen van deze adjunct-hoofdredacteur, intussen ex-adjunct, van het progressieve Franse dagblad La Croix gelezen. Hertoghe heeft een boek geschreven, La Guerre á Outrances, waarin hij nagaat hoe vijf Franse kranten, waaronder Le Monde, Le Figaro, Libération en Ouest-France, in hun verslag geving en commentaar het verloop van de oorlog in Irak stelselmatig hebben vertekend in het nadeel van de Amerikanen. De vijfde krant is, of was, die van hemzelf. Hertoghe had zijn hoofdredacteur niet gespaard. Deze, Bruno Frappat, heeft hem een paar dagen voor Kerstmis op straat gezet.

Verdiend? Ik weet niet wat eraan vooraf is gegaan. Hertoghe beschrijft hoe zijn vakgenoten met onmiskenbare gretigheid Amerikaanse tegenslagen in Irak hebben opgeblazen, onophoudelijk een «nieuw Vietnam» voorspelden, om te beginnen Bagdad als «Saddamgrad» zagen, alle successen van de Coalitie kleineerden en, zoals hij nu zegt, dat nog doen. In zijn statistiek vermeldt hij 29 koppen met een negatieve strekking voor Saddam en 135 voor Bush en Blair. Le Monde gaat het verst. Vandaar dat hij die krant de Saddam’s Gazette noemt. Deze collectieve vertekening wordt veroorzaakt door het ingekankerde Franse anti-amerikanisme, het heimwee naar de tijd dat Frankrijk een wereldmacht was en door de «Arabofilie» onder Franse opiniemakers en politici.

Dit alles ontleen ik aan de anderhalve kolom interview met de schrijver, in de International Herald Tribune (29 december). Op het ogenblik dat ik dit schrijf, heeft Le Monde negen regels aan het ontslag gewijd, en Libération is met een grote bespreking gekomen waarin het geschut wordt gekeerd. La Croix had zijn adjunct niet moeten ontslaan; het was een zeldzame gelegenheid geweest om een noodzakelijk debat te openen.

Heeft Hertoghe gelijk? Ja. Door zich tot Frankrijk te beperken is hij hoogstens te bescheiden geweest. Als hij een stuk of wat Amerikaanse, Britse en Duitse kranten in zijn onderzoek had betrokken, had hij nog veel meer bewijzen gevonden. En had hij de publicaties in boekvorm mee gerekend, dan was hij nog niet klaar geweest. Al die auteurs en verslaggevers hebben, zoals hij schrijft, niet gerapporteerd over de oorlog zoals die werkelijk is verlopen, maar over de oorlog die ze graag hadden willen zien.

Die vertekening blijft trouwens niet tot de anti-oorlogs partij beperkt. Het kamp van de neo’s onderscheidt zich door al vóór de oorlog een oorlog te hebben beschreven die niet gevoerd is, namelijk de oorlog die op 1 mei 2003 was afgelopen. Het zou een kleine moeite zijn een bloemlezing samen te stellen uit de inmiddels ontmaskerde leugens, opzettelijke vertekeningen, gewone, partijdige verslaggeving en regelrechte scheldpartijen uit de media die de neo’s welgezind zijn.

Het hoeft niet meer. Lees Michael Moores Dude, Where is my Country? Of Lies (and the Lying Liars Who Tell Them) van Al Franken. Of voor het onbewerkte materiaal in zijn rauwste vorm vandaag nog Rupert Murdochs New York Post, de website.

Hertoghe heeft eindelijk in een behoefte van de neo’s voorzien: bewezen dat ze aan de andere kant ook liegen. Daarmee heeft hij impliciet een bewijs extra aangevoerd voor wat we allang wisten: dat sinds het aantreden van George W. Bush in het Westen een politieke cultuurstrijd woedt en dat die sinds het begin van de oorlog verder escaleert. Het «gelijk» heeft zichzelf als het ware overstegen: het gaat nu niet meer om wie het heeft, maar om de verbittering waarmee het aan beide kanten dagelijks wordt bevochten.

Het denkend deel van het Westen is in een burgeroorlog gewikkeld. Aan de ene kant staan de neo’s, met een mondiaal programma waarvan het einde uit het zicht verdwijnt. En terwijl ze dat ervaren, zich aanpassen, blijkt dat ze daarmee verder in de trechter komen, vol problemen die in het oorspronkelijke plan niet waren voorzien. Aan de andere kant hebben we de anti-oorlogspartij die geen programma heeft, behalve het achterhaalde standpunt dat ze tegen de oorlog was. De wereldpolitiek van Bush wordt beschreven als imperial lite, waarmee ongeveer bedoeld wordt dat de hypermacht de wereld probeert te beheersen zonder de methoden van het kolonialisme. Er zijn theorieën over het Europa van Venus en het Amerika van Mars, over gedegenereerde Europeanen et cetera. Maar het inzicht in het geheel ontbreekt: de diagnose dat het Westen in zijn geheel in een politieke burgeroorlog is gewikkeld.

In de Koude Oorlog zijn er onnoemelijk veel menings verschillen tussen Amerika en Europa geweest, en niet minder binnen de bondgenoten onderling. Tenslotte waren die altijd ondergeschikt aan de perceptie van de gemeenschappelijke tegenstander. Nu dringt het tot het Westen door dat het in een nieuwe strijd is gewikkeld, de «asymmetrische oorlog». Het bondgenootschap is inmiddels uitgebreid, maar het is er niet sterker op geworden. Zoals Martin van Creveld in dit nummer van De Groene Amsterdammer uitlegt, is Amerika in het Midden-Oosten opnieuw in een guerrilla verwikkeld.

Ik denk dat het ernstiger is. Overal vordert de guerrilla. Op de vliegvelden, om en in open bare gebouwen, de openbare ruimte, de grote havens et cetera. Zoals ik eerder heb geschreven: dit is het begin van de israëlisering van het Westen. Wie goed oplet, ziet dat we ook al een muur om ons heen bouwen. Binnen het grote bastion klinkt het geschreeuw en geschetter van de grote westelijke ruzie.