Ze zijn jong en fris, de twee advocaatstagiaires van De Brauw Blackstone Westbroek die het kantoor op ons verzoek heeft gecharterd voor een gesprek. Annette Scholten en Joaquim Roodheuvel – kalm en afstandelijk – vertellen dat ze vanaf de eerste dag in het diepe zijn gegooid. ‘Geen klusjes, meteen echte zaken om te leren dat jij als advocaat verantwoordelijk bent, ten opzichte van je cliënt, maar ook tegenover collega’s en de maatschappij.’

Het is begin vorig jaar. We zijn opgestegen met een glazen lift waarin je geen last van hoogtevrees moet hebben – je kijkt dwars door de 24 verdiepingen heen. Een weids uitzicht over de stad, onder ons een file op de A10, iets verderop de nieuwe rechtbank in aanbouw. Dit is The Rock, een van de hogere gebouwen van de Amsterdamse Zuidas. Het kantoor heeft machtige cliënten als Philips, Shell en de Nederlandse Aardoliemaatschappij (nam), en machtige tegenpartijen, maar er zijn er ook met minder diepe zakken. Zoals de gedupeerde burgers en boeren in Groningen, die met een mager budget voor juridische bijstand de aardbevingsschade aan hun eigendommen claimen en een team van De Brauw tegenover zich vinden – een ongelijk speelveld dat je ook tegenkomt in schadezaken bij andere grote advocatenkantoren.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch De Groene-journalisten Margreet Fogteloo en Annerie Smolders over (on)ethisch gedrag in de bedrijfsadvocatuur. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Zo’n rechtsgang vergt van de aanklagende partij een lange adem, waarbij steun van de publieke opinie onmisbaar is. Milieudefensie en Nigeriaanse boeren boekten vorige maand na dertien jaar procederen in hoger beroep een spectaculaire overwinning op Shell Nigeria; het olieconcern is aansprakelijk voor de gevolgen van olielekkages en moet de slachtoffers financieel compenseren.

De meeste advocaten van grote bedrijven – corporate lawyers – zijn in Nederland gevestigd op de Zuidas, op loopafstand van de financiële wereld die tot de vaste clientèle behoort. Hét kenmerk van hun beroepsethiek is dat ze eenzijdig opkomen voor de belangen van de cliënt, en dat die erop mag vertrouwen dat het besprokene geheim blijft. ‘Dat is beschaving’, zeggen advocaten. ‘Als we dat niet zouden hebben, zouden er veel meer conflicten zijn.’ Die positie geeft hun behalve privileges, zoals procesmonopolie en verschoningsrecht, ook plichten: je houden aan de wettelijke beroepsregels en de kernwaarden, zoals de waarheid dienen en je partijdig, integer, onafhankelijk, deskundig en fatsoenlijk gedragen. Hoe heilig zijn die richtsnoeren?

Na de kredietcrisis in 2008 lagen de banken, de accountancy en het notariaat zwaar onder vuur. In de Angelsaksische wereld richten de pijlen zich sindsdien ook op corporate lawyers: hoe zij hun cliënten adviseren bij belastingontwijking, Panama-constructies of hen helpen bij het opzetten van brievenbusfirma’s – nog net binnen de wet, maar vaak in strijd met de geest ervan. In Nederland bleven de corporate lawyers buiten schot, wel werd ethiek hot binnen de advocatenopleidingen, en op de grote Zuidas-kantoren traden filosofen toe om intern te reflecteren op dilemma’s.

‘Advocaten zijn belangrijke spelers in de rechtsstaat, als hoeder van het recht. Ze hebben privileges en vertegenwoordigen machtige partijen. Dus de vraag mag gesteld worden hoe ze daarmee omgaan en tot beroeps-ethisch juiste keuzes komen’, zegt Diana de Wolff, hoogleraar advocatuur in de werkkamer van haar advocatenkantoor in Utrecht. Maar het is lastig, vindt ze, want vertrouwelijkheid is wezenlijk voor dit beroep en daarmee ingebakken in de kantoorcultuur. ‘Als je ergens een uitspraak over doet, gaat het al gauw over een zaak – en dat kan natuurlijk niet. Toch is openheid gewenst.’

Actieve bijdrage aan malafide of moreel verwerpelijke doelen van een cliënt kwam in Angelsaksische rechtstelsels ‘bij toeval’ uit: door geruchtmakende rechtszaken of klokkenluiders. In Nederland zijn die er niet. Hoewel het Parmalat-schandaal wel voor politieke ophef zorgde. In 2004 kwam advocatenkantoor NautaDutilh in opspraak vanwege mogelijke betrokkenheid bij fraude door het Italiaanse zuivelconcern Parmalat – dat na de val een schuldenput achterliet van veertien miljard euro. 135.000 kleine beleggers waren de dupe. Het ging om miljarden aan obligatieleningen, zonder reserves om die terug te betalen, en een aanzienlijk deel zou in Nederland zijn uitgegeven. Dat gebeurde door vennootschappen die mede werden bestuurd door een trustkantoor dat eigendom bleek te zijn van advocatenkantoor NautaDutilh, bij wie Parmalat tot 2002 óók cliënt was. Het eigenlijke werk zou echter zijn overgelaten aan trustkantoor Amaco, aldus het advocatenkantoor

Had NautaDutilh onderzocht of de obligatieleningen ‘reëel’ waren? Mocht het kantoor vertrouwen op de accountants van Parmalat? Dat waren indertijd de politieke vragen. Antwoord kwam er niet. De politiek zocht hierna steun bij wetenschappers als de rechtsfilosoof Marc Loth, die de advocatuur verweet de erecodes te hebben uitgekleed tot een puur juridisch-technische houding: alles mag wat niet is verboden. Volgens Loth moest de maatschappelijke verantwoordelijkheid opnieuw gestalte krijgen. Onder luid protest van de advocatuur dreigde zelfs extern toezicht op de beroepsgroep. Dat werd op het nippertje afgeschaald tot structuurtoezicht en de eis van een pro-actiever intern toezicht. De autonomie ten opzichte van de staat was gered.

Maar hoe zit het met de onafhankelijkheid van advocaten ten opzichte van cliënten? Een advocaat mag nooit meewerken aan illegale activiteiten, maar wat zijn de risico’s van gaandeweg meegaan in de belangenwereld van een cliënt, die bereid is tarieven van vijf- tot zevenhonderd euro per uur te betalen en het niet zo nauw neemt met de gelegitimeerde belangen van burgers? Als bedrijfsadvocaten butlers worden, wat zijn dan de gevolgen voor het rechtsgevoel in de samenleving?

We legden deze vragen voor aan advocaten, wetenschappers, (oud-)dekens en (oud-)officieren van justitie. Vriendelijk onderhielden advocaten ons op abstract niveau, maar het beroepsgeheim maakt, begrijpelijk, dat ze niet ingingen op concrete zaken. De mensen die we steevast te spreken kregen, houden zich binnen hun kantoor bezig met ethiek. Met de algemeen deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, Frans Knüppe, hadden we ook een goed gesprek – hij benadrukte de individuele weging van de beroepsregels en de toenemende aandacht voor ethiek, onder andere in de nieuwe beroepsopleiding van de Orde die binnenkort van start gaat – maar voor systeemkritiek stond hij niet open.

Gaandeweg kregen we meer zicht op deze ondoordringbare wereld, ook door gesprekken met oud-Zuidas-advocaten. Bovendien komt langzamerhand tegenspraak op gang van politici, wetenschappers en getergde tegenpartijen van multinationals of in het geval van schandalen in de tabaksindustrie. Staat ethiek alleen maar hoog op de agenda uit angst voor reputatieschade, zoals de financiële wereld is overkomen? Of begint het tij toch iets te keren?

Kijkend in de diepte van het atrium, de grootse uitsparing van licht en ruimte binnen in The Rock, zien we ommegangen van glas waar advocaten in plukjes doorheen zwermen. Helemaal boven in de toren is de oval room waar ze vergaderen. Het beeld van dit type advocatenkantoor is ingevuld door filmseries als Zuidas en Suits, die een wereld tonen van harde concurrentie onder collega’s en een tachtigurige werkweek, maar ook van kosmopolitische glamour. Bijnamen als ‘De Snuifas’ en ‘Urenfabriek’ raakten in zwang. De twee jonge stagiaires herkennen zich er totaal niet in: dat is fictie. ‘Men moest eens weten wat voor een lullige kantoorbaan we hebben’, zegt Scholten ironisch.

Om die baan beter te kunnen plaatsen keken we naar de ontwikkeling van de commerciële advocatuur. Die veranderde zo fundamenteel dat mensen die het meemaakten er met lichte verbazing op terugkijken. Zoals Floris Bannier, emeritus-hoogleraar advocatuur, die in 1966 stagiair werd bij Van Haersolte. ‘Dat was een oud, deftig Amsterdams kantoor in de binnenstad. Er werkten toen vijftien advocaten.’ Van Haersolte, voor de jonge Bannier in rangorde ‘boven God’, legde tijdens een kantoorborrel zijn hand op de schouder van de stagiair en zei: ‘Met jou erbij zijn we nu het grootste kantoor van Nederland.’

Enkele fusies later heette het kantoor NautaDutilh. In 1990 verhuisde het naar de Zuidas. Het kantoor telt inmiddels honderden advocaten en fuseerde onderweg met notarissen en fiscalisten. Kantoren als Stibbe en Houthoff vestigden zich eveneens op die paar vierkante kilometers voormalig niemandsland, vlak bij de ringweg, Station Zuid en Schiphol, waar ook bedrijven in de financiële sector, zoals het World Trade Center, belastingadvieskantoren en banken waren neergestreken.

In de halve eeuw na Banniers entree in het beroep groeide de Orde van Advocaten uit van circa tweeduizend naar zeventienduizend advocaten. Van groei is vooral sprake op de Zuidas. Hier zitten volgens de recent gepubliceerde Stand van de Advocatuur de tien grootste kantoren van Nederland, die vorig jaar, tijdens de coronacrisis, bijna allemaal in omvang zijn gegroeid. De Brauw staat met 329 advocaten op nummer één. De economische globalisering ging gepaard met – niet altijd zachtzinnig verlopen – fusies, overnames, investeringen, beursgangen, ontslagen en faillissementen. Alles op grote schaal, en bestreken door het recht van meer dan één land. De vraag naar faciliterende, juridische dienstverlening explodeerde.

Staat ethiek alleen maar hoog op de agenda uit angst voor reputatieschade, zoals de financiële wereld is overkomen? Of begint het tij toch iets te keren?

De komst van Angelsaksische kantoren versterkte die trend. Hogan Lovells, Baker McKenzie, Clifford Chance, Linklaters en Simmons & Simmons, steeds meer Angelsaksische kantoren openden hier de afgelopen decennia vestigingen. Overnames en fusies verengelsten tot mergers & acquisitions, advocaten tot corporate lawyers, procederen tot corporate litigation. De torens werden hoger en prestigieuzer. Nederlandse kantoren zetten zelf vestigingen op in het buitenland. In De Stand van de Advocatuur werden vorig jaar voor het eerst lawyers of foreign associates uit het buitenland meegeteld. Bij De Brauw kwamen ze uit de VS, Engeland, China en Turkije.

Oud-advocaat Carel Adriaansens herinnert zich hoe van zijn oude kantoor na fusiebesprekingen met het Londense Allen & Overy slechts ‘een zootje ongeregeld’ overbleef. Dat clubje groeide alsnog als Loyens & Loeff uit tot een van de grote succesvolle kantoren van de Zuidas. Het Londense kantoor koos voor de ‘Angelsaksische route’, zegt hij, en daarin voelde hij zich niet thuis. ‘Procederen zagen ze niet zitten. Het ging hen om consultancy-werk, mergers en acquisitions, dat soort dingen, en ja, ik was een ouderwetse advocaat die met wapperende toga voor de rechter mijn potje wilde winnen.’ Adriaansens, die specialist was in bouwrecht en vastgoedzaken, hield het in 2004 voor gezien.

‘Het was natuurlijk een keiharde eis’, zegt hij met enige spot, ‘dat je vijftienhonderd uur declarabel moest hebben. Ik kon in mijn procespraktijk niet de tarieven in rekening brengen die de fiscalisten rekenden, dan hield ik geen cliënten over. Ik was al blij als ik 550 euro per uur haalde. Urenstaten werden centraal gecontroleerd door de zwarte jurken, de inquisitie, zoals we hen noemden. Die kwamen ieder jaar bij je langs, met een fiscalist en een advocaat, en zeiden: “Carel, je hebt te weinig uren gemaakt, dat moet anders.” Ze vroegen niet: “Heb je interessante zaken?” Van huisjes overdragen, daar ging de kachel niet van branden, ze hadden liever vastgoedpakketten van tientallen miljoenen euro’s die van de ene belegger naar de andere gaan. Daar kan zwaar op gedeclareerd worden.’

Hij legt het verdienmodel verder uit. ‘Hoe meer punten je had op basis van gedeclareerde uren, hoe meer winstaandeel je kreeg. Ik heb een collega horen zeggen: “We moeten ons schamen dat we nog niet met één miljoen winstuitkering per jaar naar huis gaan.” Op een gegeven moment dacht ik: ik vind het niet meer leuk, ik zit alleen maar uren te maken.’

Beeldend beschrijft Adriaansens hoe de grote-stadspraktijk zich los zong van die in de rest van het land. ‘Rond de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek zijn we in het kader van Kluwer-cursussen door het land getrokken. Ik deed dat vaak samen met een notaris, en dan kwam je notarissen tegen in de regio die met open mond zaten te kijken van: wat doen jullie daar? Die waren gewoon met huizen bezig, een testamentje, enzovoort. Wij hadden het over dubbeldekkers, een constructie waardoor je een hoop belasting kunt ontlopen. Ik zag de verbazing op die gezichten.’

We hielden ons altijd aan de wet, licht hij toe, het waren legale constructies, bedoeld om de belasting te ontlopen. Vindt hij inmiddels dat handelen in de geest van de wet, in plaats van je te richten op de mazen ervan, niet beter zou zijn? ‘Eh, ja, de ethiek, op zich heel terecht. Maar ik denk dat het geld dan toch wint.’

De overgang tussen de oude stad en het door hoge torens gedomineerde vroegere niemandsland is zo abrupt dat het uitzicht erop doet denken aan Manhattan, vooral ’s avonds, als de gebouwen tegen de horizon oprijzen als donkere wachters, bespikkeld met lichtjes, ten teken dat het werk doorgaat. Dat deze advocatenkantoren grote aantrekkingskracht hebben, snapt hoogleraar Diana de Wolff. ‘Je bouwt een mooi netwerk op, je ziet veel van de wereld en je bent betrokken bij interessante zaken en grote deals. Ze hebben goede opleidingen, de juridische discussie is op hoog niveau. Maar het risico van eenzijdigheid ligt ook op de loer. Het is een harde, zakelijke wereld met een heel dominante cultuur, waarin je gemakkelijk wordt meegezogen.’

Als ze hier iets niet willen, is het een deuk krijgen in de reputatie. Tegelijkertijd: betrouwbaar en degelijk lijken in deze omgeving wat ouderwetse begrippen. Als corporate advocaten zichzelf vergelijken met de dierenwereld, zijn vossen, tijgers en haaien geliefde kwalificaties.

‘Ethiek is een uitdrukkelijker onderdeel van de zakelijke dienstverlening geworden’, zegt Jonathan Soeharno, partner bij De Brauw en hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Klanten vragen ernaar, investeerders eisen er aandacht voor en in de wet zie je steeds vaker ethische begrippen, zoals integriteit, zorgvuldigheid en diversiteit, waarover wij adviseren.’ Soeharno is een voorkomende man, met een zachte stem en open gezicht, die zich binnen het kantoor bezighoudt met ethische vraagstukken. ‘Vijf jaar geleden was dat meer impliciet. Er is toenemende onduidelijkheid over ethische begrippen, vandaar dat er zoveel aandacht voor is.’

Zestien grote Zuidas-kantoren bundelden de krachten in een eigen corporate opleidingscentrum voor advocaat-stagiairs, de Law Firm School (lfs). De Brauw houdt de training van junioren liever in eigen hand met De Brauwerij. Ethiek is bij beide opleidingen een prominent vak. In zijn tijd, zegt Soeharno, werd er in de opleiding hier zo’n drie uur besteed aan ethiek, nu is dat zestig uur. ‘Het gaat primair om het ontwikkelen van de juiste houding, een mindset: horen wanneer de bel rinkelt, maar deels ook om risicobeperking. Waar we hier het meest van wakker liggen, is dat een junior iets ziet en dat niet op tafel durft te leggen.’

Wat dat ‘iets’ zou kunnen zijn, vertelt hij niet, zodat we het moeten doen met wat de publiciteit haalde. Zoals de berichtgeving in 2018 over de curatoren van het failliete megaconcern Imtech, die advocaten van De Brauw ervan beschuldigden vlak voor het faillissement nog een rekening van 4,5 miljoen euro aan cliënt Imtech te sturen. Er kwam een tegenbeschuldiging: de curatoren hadden inbreuk gemaakt op de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt. Daarna volgde de ene procedure na de andere en slonk intussen de pot voor minder gefortuneerde schuldeisers van het failliete bedrijf – vertelde ons een insider die anoniem wil blijven.

De zorgen over ‘niet durven doorvragen’ horen we terugkerend. ‘Sommigen denken dat ze werknemer zijn in plaats van advocaat met een eigen persoonlijke verantwoordelijkheid’, zegt Hendrik Jan Biemond, partner bij het wereldwijd opererende Allen & Overy. Hij ontvangt ons in de vergaderzaal van het Apollo House, een rijksmonument gebouwd in de jaren dertig, aan de Apollolaan. De catering bestelt hij door de intercom aan de muur, even later arriveert de bestelling op een dienblad. ‘Als advocaat moet je je afvragen: voldoe ik aan de gedragsregels? Maar als in Moskou iemand per mail vraagt: “Kun jij dit even uitzoeken?”, denk je daar dan ook aan? Het risico zit bij mensen die zich onvoldoende bewust zijn dat ze misschien onderdeel zijn geworden van iets groters, van iets wat mogelijk heel dubieus is. Wij zeggen voortdurend dat ze onafhankelijk moeten blijven denken.’

Nora Streep, directeur van de Law Firm School, wijst op hetzelfde. We spreken haar via Facetime, achter haar trippelt een kat heen en weer over de leuning van de bank. ‘We leren jonge stagiairs dat ze verder moeten kijken dan hun eigen minuscule aandeel in het grote geheel. Bijvoorbeeld door te vragen: waarom is het belangrijk die bv op te richten, en waarom daar? Leren vast te houden aan het vraagteken, in plaats van te zoeken naar een punt. Kantoren hebben nu ook vertrouwenspersonen, klokkenluiders-aanspreekpunten. De tijd is voorbij om alles in de doofpot te stoppen.’ Streep vertelt uitgebreid over de jaarlijkse bijeenkomsten van de ‘ethiekpartners’ en dat het voor stagiairs verplicht is deze bijeenkomsten bij te wonen om het lfs-certificaat te krijgen.

Gaat het bij de lfs ook over de omzetdoelen van grote kantoren? Buitenlandse studies laten zien dat hun agressieve omzetgerichtheid onethisch gedrag in de hand werkt; dat het als advocaat dan moeilijk is om onafhankelijk te blijven. In Nederland haalt oud-notaris Hubert-Jan van Boxel, die werkte bij diverse grote kantoren, in zijn boek De groenteboer uit Den Haag (2018) hard uit naar ‘de op geld beluste cultuur binnen grote advocatenkantoren, die je als jonkie zouden leren om op facturen direct al wat “bij te plussen”’. Hij zag er helaas van af om met ons te praten. Streep zegt: ‘Het is aan de kantoren zelf om dat te regelen, en ook kleinere kantoren hebben omzetdoelen.’

De twee stagiaires bij De Brauw Blackstone Westbroek vertellen dat er inderdaad veel aandacht is voor ‘bewustwording’ en ‘vragen durven stellen’. Clemens Lokin, die een driejarige stage afrondde bij een ander kantoor, Van Doorne, zegt dat hij die houding herkent. ‘Als er iets opmerkelijks is gebeurd binnen de advocatuur wat niet door de beugel kan, gaat het als een lopend vuurtje rond – het wereldje is niet zo groot – en dat wordt dan vaak besproken tijdens de lunch. Als het te gortig is, wordt het hele kantoor bij elkaar geroepen. Dan komt er vanuit het bestuur een centrale richtlijn hoe men dit kan voorkomen – hoe ermee om te gaan, bij wie je terecht kunt.’ Lokin komt over als zachtaardig, reflexief – het tegendeel van strak of gewiekst. ‘Er wordt op gehamerd dat je niet op korte termijn maar op lange termijn moet denken, niet in een tunnelvisie moet gaan zitten. Altijd kritisch op jezelf blijven. Anders loopt de beroepsgroep het risico dat men het vertrouwen in je verliest, zoals dat gebeurde bij bijvoorbeeld de bankiers in 2008.’

Onmiskenbaar is er een ethische opleving op de Zuidas. Hoe verhoudt die zich tot ‘daar gaat de kachel niet van roken’, zoals onder meer oud-advocaat Carel Adriaansens zegt? Rechtsfilosoof Iris van Domselaar, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, vindt: ‘Kantoren zijn grote marktspelers, met een eigen dynamiek en structuur, en in hoeverre de ethiek dan nog gestalte kan krijgen is de vraag.’ We spreken haar op een zonnige dag, voordat de coronacrisis uitbreekt. In de hal van de rechtenfaculteit lopen drommen studenten met boeken onder de arm, buiten zitten ze in groepjes aan de gracht kwetterend te lunchen. Als specialist in beroepsethiek voor juridische beroepen pleit Van Domselaar voor meer tegenwicht in het marktdenken van bedrijfsadvocaten. In haar werkkamer legt ze uit waar de schoen het meeste wringt: het verschil tussen een advocaat en een bedrijfsadviseur. ‘Een bedrijfsjurist mag zijn cliënt helpen doelen te realiseren – vaak is dat winstmaximalisering – en daarbij te kijken hoe hij alles uit het recht kan halen om dit te bereiken, inclusief alle trucs. Zo iemand functioneert dan uitsluitend als dienstverlener. Een advocaat daarentegen is er én voor zijn cliënt én voor de rechtsstaat en geniet daarom bepaalde privileges. Bij het afleggen van de eed onderschrijft hij in feite een sociaal contract. Als hij ziet dat het handelen van zijn cliënt grondrechten kan schenden, moet hij hem daarop wijzen.’

Corporate advocaten gaan in de praktijk uit van een juridisch-technische positie waarin je per definitie mag gaan ‘tot het gaatje’. Het ‘nog net pleitbare’ standpunt hoort daarbij

Het risico is dat hij zich te veel ontwikkelt als een bedrijfsadviseur, maar wel met behoud van privileges, procesmonopolie en verschoningsrecht, die het uurtarief omhoogstuwen. ‘Als hij zijn rol dan beperkt tot het afwegen van risico’s – de pakkans, de reputatieschade – wordt het een calculus. Mag een advocaat tot het gaatje gaan en verregaand meedenken met het bedrijfsbelang? Dan bestaat de kans dat het een soort free ride wordt, met partijdigheid als verdienmodel.’

Ze wikt en weegt haar woorden, want een groot obstakel bij dit onderwerp is dat empirisch onderzoek ontbreekt. ‘De corporate advocatuur is in Nederland een black box. Dat is zorgelijk, want via transacties, schikkingen en adviezen worden op grote schaal rechten gecreëerd én geraakt. Er is dan geen rechter die kritisch meekijkt of het recht wel zegeviert.’ Onderzoek naar corporate law firms heeft wel duidelijk gemaakt hoe de onderlinge concurrentie is verhard, zegt ze. ‘Vroeger gold het idee van een huisadvocaat, die wijze vertrouweling, om even mee te sparren. Nu hebben bedrijven hun eigen, grote juridische afdelingen, ze kopen advocaten pas in als dat nodig is. Het levert een heel andere markt op. En de partners van een advocatenkantoor spreken af dat ze een bepaald bedrag per jaar moeten omzetten; er is een bedrijfsmatige opzet.’

Samen met onder anderen Cees van Dam, hoogleraar internationaal ondernemen en mensenrechten in Rotterdam en Londen, schreef ze een indringend opiniestuk in NRC Handelsblad over de rol van advocaten bij schadelijke praktijken van concerns als Tata Steel in IJmuiden en de nam in Groningen. Ze werpen daarin retorische vragen op als: wat mogen samenleving en slachtoffers verwachten van de advocaten die deze bedrijven bijstaan? Waarom betoogde bijvoorbeeld de nam jarenlang dat de aardbevingen in Groningen niets met de gaswinning te maken hadden? En toen dat onomstotelijk werd vastgesteld, waarom betoogde zij vervolgens dat de schade aan gebouwen niet door de aardbevingen werd veroorzaakt? Welke rol hebben de advocaten hierin gespeeld?

Volgens Van Dam, die vanuit Londen via Zoom met ons spreekt, loopt de Nederlandse advocatuur zwaar achter op de Angelsaksische die zich actief bezighoudt met richtlijnen van de Verenigde Naties, die bepalen dat bedrijven mensenrechten moeten respecteren. ‘Advocatenkantoren worden internationaal ook gezien als bedrijven’, licht hij toe. Als voorbeeld geeft hij de advisering aan Shell Nigeria, waar wetgeving zwak is en handhaving nog zwakker. ‘Wat doe je dan als advocaat-adviseur van zo’n bedrijf: richt je je op die zwakke regelgeving en geringe pakkans, of is het respecteren van de mensenrechten van de plaatselijke burgers je bottom line?’

Advocaten weten zich tegen die kritiek hermetisch te verdedigen. ‘Het is goed om de discussie breed te voeren, maar het toont te weinig begrip voor wat de advocatuur inhoudt’, zegt bijvoorbeeld Soeharno, ‘namelijk het behartigen van het belang van de cliënt. Ook grote bedrijven hebben recht op rechtsbescherming. Een advocaat die de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt niet ten volle behartigt, komt in strijd met wet en gedragsregels.’ En zijn oud-kantoorgenoot Evert-Jan Henrichs, momenteel deken van de Orde in Amsterdam, zegt: ‘Partijdigheid is ethisch minimalisme. Dat is geheel in lijn met het klassieke concept: een advocaat moet zo vurig mogelijk opkomen voor zijn cliënt en zijn professionele geweten niet verwarren met zijn burgergeweten.’

In straf- of asielzaken is dat nog wel een verdedigbare opvatting, vindt rechtsfilosoof Iris van Domselaar. ‘Dan is rechtsbescherming tegen de machtige staat van groot belang, en dient een felle verdediging de veelal kwetsbare cliënt én de rechtsstaat. Maar het snijdt gewoon geen hout in de corporate context. Een one size fits all voor de beroepsethiek is in de literatuur allang achterhaald. Bij dienstverlening aan grote bedrijven is de rechtsstaat er juist bij gebaat dat advocaten ook handelen in de geest van de wet. En in procedures gaat het vaak om Goliath tegen David, geld is nooit een belemmering.’

Dat doet denken aan de woorden van de Amsterdamse advocaat Phon van den Biesen, die na jarenlange ervaring met internationale zaken nu als ‘eenpitter’ optreedt voor belangengroeperingen als de antitabakslobby en Greenpeace. Een team van zo’n zes, zeven advocaten heeft hij dan tegenover zich, dat, zegt hij, op zich overzichtelijke claims beantwoordt namens een megaconcern, met dikke ordners en stapels producties, alles keurig geniet en glanzend van uiterlijk. ‘In de war praten’, noemt hij die tactiek.

Hoe de kaarten op tafel liggen, is ons duidelijk: een verschil in benadering tussen de advocatuur en de wetenschap. Wetenschappers zien het advocatenvak als een balanceeract, waarin ook het publieke belang en de belangen van derden een rol spelen. Niet dat een impopulaire cliënt geen behoorlijke verdediging meer zou kunnen krijgen – ‘het lekenstandpunt’, noemt de advocatuur dat spottend – maar wel met meer ethische afwegingen.

‘Vanuit deze meer inclusieve benadering maak je als advocaat geregeld vieze handen, en het probleem is dat het een enorme morele volwassenheid vergt om je daarvan bewust te zijn en te zien dat je ook verantwoordelijk bent voor de morele kosten van wat je doet’, aldus Van Domselaar – en dat betekent: vaker handelen ‘in de geest van de wet’. Corporate advocaten daarentegen gaan in de praktijk uit van een juridisch-technische positie waarin je per definitie mag gaan ‘tot het gaatje’. Het ‘nog net pleitbare’ standpunt hoort daarbij, evenals het traineren van procedures als verdedigingsstrategie. Het is immers niet aan de advocatuur maar aan de wetgever om mazen te dichten, en aan de rechter om een cliënt te corrigeren. Allen & Overy-partner Hendrik Jan Biemond, bijvoorbeeld, wil ondernemingen wel wijzen op mogelijke reputatieschade, maar is geen zedenmeester. ‘Dat is niet mijn taak. Maar ik adviseer cliënten wel degelijk vanuit een maatschappelijke context, nu meer dan ooit.’

Voorafgaand aan de nieuwe Advocatenwet (2015) was er ook al een stevig debat over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de advocatuur. Sinds de Britse wetenschapper Richard Moorhead in 2017 op basis van eigen onderzoek corporate firma’s ethisch minimalisme verweet, komt er soms onverwachte bijval uit de praktijk. Zoals van Jos Silvis, hoogste adviseur bij de Hoge Raad, die in een recente opstellenbundel ethisch minimalisme ‘een kniebuiging voor de belangen van de cliënt’ noemt.

Toch blijft het te theoretisch, we zoeken verder naar concrete voorbeelden. Oud-deken Germ Kemper ontwikkelde samen met anderen de cursus ethiek voor de Law Firm School. ‘Casussen met steeds verder uitdijende vragen – dat wordt door de kantoren zelf uitgevoerd, omdat er dingen besproken kunnen worden die tot de geheimhouding behoren. Dat kan alleen als er geen pottenkijkers bijzitten.’ Ook voor ons, pottenkijkers, blijft geheim welke argumentatieboom meer bewustzijn van ethiek moet geven.

In ons gesprek aan een ronde tafel in Kempers zitkamer komen we desondanks wat verder. Kemper wijst een beetje lacherig – zoals hij zelf zegt: omdat hij onze vragen soms naïef vindt – op een rapport uit 2008, geschreven in opdracht van de Australian Law Association. ‘Die liet een commissie onderzoek doen naar bijzondere ethische bedreigingen bij grote advocatenkantoren. Nou, dat was buitengewoon nuttig om te lezen.’ Het ‘meest beangstigend’ waren volgens Kemper ‘het sturen van de organisatie op winst’ en ‘dat er op grotere kantoren wordt gewerkt met kleinere deelopdrachten en er maar een of twee personen zijn die het geheel overzien’.

Het rapport blijkt een keiharde evaluatie te zijn van de cultuur binnen corporate firms, waar teams van advocaten, net als in Nederland, werken onder leiding van een of meer partners. De basis ervan is een vracht aan onderzoek naar gevallen van illegaal, onethisch of ten minste dubieus gedrag, van zowel de advocaten als hun cliënten in de VS en Australië. Kemper zag het ‘als een wake-upcall’ – een oproep die zich indirect richt op de met de Angelsaksische cultuur verweven kantoren op de Zuidas. De geruchtmakende zaken tegen de tabaksindustrie in dit rapport zouden als scenario voor Hollywood-films kunnen dienen.

In 2002 behaalde een aan longkanker lijdende huisvrouw uit Melbourne, Rolah McCabe, een verbijsterende overwinning op de tabaksindustrie. Dat gebeurde in de discovery fase van het proces, een periode van waarheidsvinding die partijen in de gelegenheid stelt met bewijzen te komen mits die de waarheid dienen. De advocaten van eiseres McCabe claimden dat de tabaksindustrie, in dit geval de Australische tak van British American Tobacco, allang wist wat de gezondheidsrisico’s waren van roken, en cruciale, interne documenten had vernietigd. Daardoor kon McCabe geen eerlijk proces meer krijgen. De rechter, van het Supreme Court van Virginia, gaf de advocaten gelijk en sloot de tabaksgigant uit van verdere bewijsvoering. Maar hij deed nog iets, wat in Australië insloeg als een bom: hij beschuldigde topadvocaten van het deftige kantoor Clayton Utz ervan dat zij het beleid van het laten verdwijnen van bezwarende documenten – document retention policy – hadden vormgegeven.

Naar buiten toe reageerde het advocatenkantoor onmiddellijk: de banden met de tabaksgigant werden verbroken, een van de partners ging de laan uit, en er zou een intern onderzoek plaatsvinden. In hoger beroep werd de uitspraak echter teruggedraaid: het tabaksconcern voerde met succes aan dat de documenten alleen waren vernietigd om huishoudelijke redenen. Intussen stierf McCabe. Toen stond het voormalige hoofd juridische zaken van het tabaksconcern, Fred Ulson, op; hij kreeg gewetenswroeging en meldde zich als getuige, eerst in Australië en daarna in een Amerikaans proces tegen alle grote namen in de tabaksindustrie, waaronder British American Tobacco. Niet lang daarna wees de Amerikaanse federale rechter een vonnis van meer dan zeventienhonderd pagina’s, dat een onthutsend inzicht geeft in de uiterst dienstbare rol van talrijke advocaten wereldwijd. Een oud-advocaat van Clayton Utz kreeg er eveneens gewetenswroeging door en lekte interne kantoordocumenten over de zaak-McCabe naar de pers. De erfgenamen van McCabe begonnen een nieuwe rechtszaak, die eindigde in een schikking. Op een krantenfoto uit 2009 staan ze er tevreden bij.

Het Amerikaanse vonnis laat goed zien waar de glijdende schaal begint. Advocaten beseffen wat zwakke plekken zijn in een mogelijke procedure, zeker advocaten bij grote corporate law firms die de meest briljante juristen weten aan te trekken. Ze speelden een actieve rol in het verdonkeremanen van onderzoeksmateriaal uit de laboratoria van de tabaksindustrie, dat longkanker als gevolg van roken voorspelde lang voordat er procedures over kwamen. Daarbij ‘verdwenen’ documenten van onder andere British American Tobacco in de archieven van de eigen prestigieuze advocatenkantoren, gedekt door het verschoningsrecht, of kregen wetenschappers opdracht alle correspondentie via het kantoor te laten verlopen. Volledige dienstbaarheid aan het doel van de tabaksindustrie was de regel, blijkt uit het vonnis. Het vonnis werd in hoger beroep bevestigd en sloeg de advocatuur hard om de oren. ‘At every stage, lawyers played an absolutely central role in the creation and perpetuation of the Enterprise (de tabaksindustrie) and the implementation of its fraudulent schemes. They devised and coordinated both national and international strategy’, schrijft de federale rechter Gladys Kessler in haar samenvatting.

Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat er Zuidas-advocaten bij betrokken waren, is de stap naar de Zuidas niet groot. In Londen werd British American Tobacco jarenlang bijgestaan door Andrew Foyle, partner bij Lovells, dat na een fusie Hogan Lovells ging heten, met vestigingen overal ter wereld, ook op de Zuidas. British American Tobacco is er klant. Foyle speelde volgens ex-bedrijfsjurist Ulson een belangrijke rol bij het finetunen van de wereldwijde politiek om documenten van dit tabaksconcern te laten verdwijnen. Zijn instructies voor de Australische advocaten van Clayton Utz gingen de geschiedenis in als het Foyle Memorandum (1990). Citaten uit dit document lagen aan de basis van de overwinning op de tabaksindustrie in 2002 door McCabe en droegen ook bij aan het Amerikaanse oordeel. British American Tobacco, bijgestaan door Lovells, voorkwam na een felle rechtsstrijd in de Verenigde Staten algehele openbaarmaking.

‘Veel kantoren kopen hun beroepsmoraal af: ze zijn belangrijke sponsors in de culturele sector, doen een percentage zaken pro Deo, en staan intussen een hele reeks naarlingen bij’

In deze zaak toonden bedrijfsadvocaten zich onmiskenbaar als een hired gun. Alle middelen bleken geoorloofd – van het ‘in de war praten’ tot het actief meewerken aan het laten verdwijnen, desnoods via het verschoningsrecht, van belastende documenten.

Intussen gaat het de bedrijfsadvocatuur voor de wind. In Londen zijn er al law firms met een beursnotering, en men zoekt steeds naar nieuwe markten. Corporate crime is zo’n segment, sinds de bestrijding van witwassen in opmars is. Hendrik Jan Biemond stond als strafrechtspecialist aan het hoofd van het team dat optrad voor ing in de omstreden schikking in 2018. Zijn team doet ook intern onderzoek naar mogelijk strafbare feiten binnen een bedrijf. Maar zo’n opdracht kan kantoren in de problemen brengen. Een partner van De Brauw kreeg een tuchtrechtelijke tik op de vingers nadat er bij een bedrijfsonderzoek bij cliënt NS in opdracht van het spoorbedrijf zelf onvoldoende aan hoor en wederhoor was gedaan. Die dubbelrol advocaat/onderzoeker moet wel voor problemen zorgen, zou je zeggen. De ontwikkeling gaat echter gewoon door.

Een andere markt is het naar Nederland halen van buitenlandse bedrijven die willen herstructureren – het gevolg van een geslaagde lobby van Zuidas-advocaten. Wie uitgekiend opereert, kan Den Haag met enkele bewegingen naar z’n hand zetten, zeggen insiders die anoniem willen blijven. De lobby resulteerde in het meeschrijven aan een nieuwe wet, die op 1 januari van dit jaar in werking trad en die op zich rendabele bedrijven in financiële problemen meer opties biedt voor herstructurering. Voor deze gunstige situatie wordt nu op de websites van Zuidas-kantoren reclame gemaakt in het buitenland.

Nederland staat bovendien wereldwijd bekend als belastingparadijs voor buitenlandse firma’s. Dat ontstond in de jaren tachtig en negentig toen iedereen dacht dat het niet op kon. Van alles was mogelijk met winstbelasting, aftrekposten voor niet-betaalde bedragen, hybride leningen met onbelaste rentebaten, cv/bv-structuren die het geld onbelast oppotten op zee, en brievenbusmaatschappijen waar alleen maar geld doorheen stroomt. Een bedrijf had alleen een belasting-ruling van de Nederlandse Belastingdienst nodig voor maximale zekerheid, en die werd zonder veel omhaal afgegeven.

‘Zeker’, zegt Jan van de Streek, hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit Leiden, ‘we zijn een land dat goed is in belastingrecht, van oudsher is dat hier een universitair vak. We hebben veel constructies bedacht, Nederland is de kraamkamer voor belastingconstructies in de wereld. En Zuidas-kantoren werken eraan mee; ze kennen de gaten tussen de wetten van het ene en het andere land. Ze bedachten: als een Amerikaanse multinational hier zijn Europese hoofdkantoor opzet, kan dat bedrijf alle winst van heel Europa hier afboeken, zonder dat er belasting over wordt betaald. Nike heeft bijvoorbeeld hier regionale hoofdkantoren, maar een heel stuk van de wereldwinst is onbelast. Dat noemen we een stateloos inkomen.’

Het commerciële succes van de belastingadviseurs verklaart waarom advocatenkantoren er brood in zagen met hen te fuseren en de fiscalisten met hen in zee wilden. Van de Streek, in het verleden zelf als fiscalist verbonden aan een internationaal accountantskantoor en ook aan een advocatenkantoor op de Zuidas, ziet de rol van juristen bij fiscale constructies als facilitators. ‘Ze voeren uit wat fiscalisten bedenken, en dat kan scherp aan de wind zijn. Zo worden standpunten ingenomen die nog nét pleitbaar zijn. Het is op basis van jurisprudentie en de stand van de literatuur nog nét geen misbruik van het recht.’

Zijn ervaring is dat er nauwelijks ruimte is voor een discussie over het morele gehalte ervan. ‘Wat een fair share aan belasting is, is lastig te beantwoorden’, zegt hij. Bovendien bemoeilijkt het groepsdenken een discussie hierover. ‘De dominante cultuur is dat het Nederlandse vestigingsklimaat gebaat is bij fiscale constructies. Als je echt iets wil veranderen, moet je de wet aanpassen.’

Is er wel draagvlak voor zulke wetsaanpassingen? Is de politiek, met haar neoliberale tendensen, niet allang te zeer verweven met de financiële wereld en de grote advocatenkantoren? Tegenspraak ontbreekt met name ook in de fiscale wetenschap, stelde de Leidse hoogleraar belastingrecht Jan Vleggeert afgelopen najaar in zijn oratie Hoe onafhankelijk is de fiscale wetenschap? In dit vakgebied zijn veel hoogleraren naast een kleine aanstelling aan de universiteit verbonden aan een commercieel kantoor. Die dubbele petten worden veelal als voordeel beschouwd: zo kan de universiteit meeprofiteren van de praktijk. Vleggeert ziet het als een belemmering voor onafhankelijke wetenschap. Het verklaart volgens hem het ontbreken van een kritischer reflectie op de fiscale cultuur.

We spreken uiteindelijk met mensen die in hun loopbaan hebben geworsteld met hun positie binnen de corporate law, zoals Frank Peters, met een verleden bij De Brauw en nu partner bij het niche-kantoor Brandeis. ‘Veel kantoren kopen hun beroepsmoraal af: ze zijn belangrijke sponsors in de culturele sector, doen een percentage zaken pro Deo, en staan intussen een hele reeks naarlingen bij’, zegt hij. Bij Brandeis staan ze liever niet aan kant van de gevestigde orde, maar aan de kant van benadeelde spelers. ‘Voor hen zijn het make or break-situaties.’

Het kantoor probeert ook bij te dragen aan een betere wereld. ‘Ik treed zelf vaak op voor hedgefunds. Dat zijn relatieve underdogs, zeer vermogende bedrijven die via een klein minderheidsbelang proberen te bereiken dat hun kritiek op de manier waarop een groot concern wordt gerund doel treft. Dat gebeurt op een best wel agressieve manier, deels via beïnvloeding van de publieke opinie.’ Het idee is, zegt hij, om dit arsenaal ook in te zetten voor organisaties die streven naar een betere wereld. Zo stond hij bijvoorbeeld Greenpeace bij in een procedure tegen de staat over de staatssteun aan klm. Ook zegt hij: je kunt niet strijden tegen de groten der aarde zonder enigszins commercieel te zijn. ‘Anders betekent het dat ik zelf betaal voor alle experts die ingehuurd moeten worden om tegengas te kunnen geven. Ook voor organisaties als Greenpeace doen we niet altijd alles gratis.’

Vanuit het perspectief van het geweten van een advocaat is ook de loopbaan van Robert Hein Broekhuijsen van Ivy Advocaten interessant. Hij is van oorsprong transport- en verzekeringsrechtadvocaat, ging in Londen werken en werd er na een fusieronde uitgegooid. Vervolgens was hij zeven jaar officier van justitie in Amsterdam, een periode waarin hij de hele maatschappij ‘in al zijn lelijkheid’ langs zag komen, van moord (‘een kist, met een lijk zonder hoofd en zonder handen, en dat was in de fik gestoken. Daar heb ik weken niet van geslapen’) tot de vastgoedfraude. In 2012 richtte hij zijn eigen kantoor op, tien mensen werken er. Hij koos er, zegt hij, bewust voor om niet opnieuw te werken bij een groot kantoor, ‘bij mensen die erg opgewonden worden van een dure auto. Daar draait het voor mij veel te veel om alleen geld, en ik had daar gewoon geen zin meer in.’ Nu kan hij het zich permitteren om selectief te zijn aan de poort. ‘Sommige cliënten komen er bij ons niet in. Ik ben vrij, dat is een heel groot goed. En dan zullen we ongetwijfeld minder verdienen dan de grote kantoren, maar dat vind ik prima.’

Zijn kantoor ligt op de flank van de Zuidas. ‘Wij accepteren geen invloeden op wat wij vinden deugen of niet’, zegt Broekhuijsen, een lange, rechte man zonder franje. ‘Ook niet van de cliënt. Als ze ons niet accepteren, kunnen ze ons eruit gooien. Onafhankelijkheid is een kernwaarde van ons beroep. Als wij zeggen dat we onafhankelijk optreden, dan doen we dat ook.’ Daarmee onderscheidt zijn proces- en onderzoekskantoor zich van andere kantoren die zich bezighouden met strafrechtelijk advies aan ondernemingen. Hij wordt, zegt hij, gedreven door rechtvaardigheidsgevoel. ‘Het is een mooi vak, optreden voor de mensen die dat nodig hebben – of het nou een groot bedrijf is of een klein bedrijf, een individu of wie dan ook. Het is altijd de strijd van een belang tegen een ander belang. Dan is het natuurlijk vreemd als je niet tegen een groot bedrijf wilt optreden of er alleen maar bent voor de grote bedrijven. Je hebt als advocaat een gereedschapskist, en je bent gehouden om ten opzichte van je klant alles daaruit te gebruiken wat nodig is. Doe je dat niet, dan is dat een beroepsfout. Maar het kán leiden tot het inzetten van onbehoorlijke middelen, zoals steeds opnieuw een deurwaarder op een gezin afsturen om een gerechtelijk stuk officieel te overhandigen, niet omdat het nodig is maar om angst aan te jagen.’

Toen we met ons onderzoek begonnen, draaide de BV Nederland op volle toeren. Nu staat de mondiale economie op een laag pitje, om de hoek loert de crisis ná de coronacrisis. Veel bedrijven die nog door staatssteun overeind blijven, gaan straks kapot of moeten afslanken; er breekt een pijnlijke fase aan van overnames, faillissementen en massaontslag. Voor bedrijfsadvocaten betekent dat werk aan de winkel, waarbij ze voor hun cliënt alles uit hun gereedschapskist zullen halen.

Wat houdt ethiek dan in? Zeker, stagiairs leren een ‘niet pluis’-gevoel te ontwikkelen, er is intern aandacht voor valkuilen. De Nederlandse Orde van Advocaten lanceert binnenkort een self assessment tool waarmee advocaten kunnen reflecteren op hun eigen functioneren, met een focus op ethiek en vaardigheden.

De tuchtrechter lijkt iets scherper te letten op ‘het onevenredig schaden van belangen van derden’ en de beroepsgroep is wel gevoelig voor druk uit de maatschappij. Ten dele om het eigen imago, zoals met de bankiers is gebeurd, niet te beschadigen. Er is ook eigenbelang: als corporate advocaten formeel bedrijfsadviseurs zouden worden, verliezen ze hun privileges en daarmee de basis van hun hoge honoraria. Maar ze zijn niet ontvankelijk voor kritiek uit de wetenschap, om het publieke belang te laten meewegen, of om een cliënt die in Groningen, IJmuiden of ergens in Verweggistan grondrechten van burgers schendt, daarmee te confronteren vanuit een eigen moreel kompas. Het onthutsende Australische rapport heeft niet geleid tot een wake-upcall: systeemkritiek. Althans, wij hebben daar – als pottenkijkers – weinig van gemerkt.

Oud-deken Germ Kemper zei: ‘In de min of meer ideale situatie moet een advocaat eerst training hebben gehad om te weten dat een grote cliënt druk uitoefent. En dan moet je ook nog een klimaat hebben waarin je daarmee terecht kunt op kantoor. Dan heb ik het dus over de ideale situatie. Daar kom je bij in de buurt als je de bewustwording beter ter hand neemt.’

Het zou in de advocatuur maar om een paar rotte appels gaan, horen we steeds, zo’n één tot drie procent glijdt af. Maar om hoeveel advocaten het echt gaat, blijft gehuld in nevelen, gedekt door beroepsgeheimen. ‘Het geld wint het uiteindelijk altijd van de moraal’, constateert Carel Adriaansens. Loyens & Loeff herkent zich desgevraagd niet in het beeld dat Adriaansens – ‘een gewaardeerd oud-collega’ – van hun organisatie schetst.

Keert het tij misschien met een nieuwe generatie die het ‘leren doorvragen’ met de paplepel krijgt ingegoten, zoals de stagiaires Annette Scholten en Joaquim Roodheuvel die binnenkort bij De Brauw senior associate worden en bij wie, zeggen zij zelf, de ethiek hoog in het vaandel staat? Clemens Lokin werkt sinds anderhalf jaar niet meer bij Van Doorne. Hij promoveert nu aan de faculteit rechtsgeschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen. De wetenschap dus. Volgens Kemper mogen de meer reflexieve jonge advocaten meestal niet blijven, of ze willen zelf weg. Dat zou je graag anders willen.


Dit stuk kwam mede tot stand dankzij steun van Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten(fondsbjp.nl)en Fonds 1877