Klasseverschuivingen in India

De buurman heeft de schuld

Pulitzer Prize-winnares Katherine Boo sprak drie jaar met bewoners van een sloppenwijk bij Mumbai om erachter te komen hoe ze zich onttrekken aan de armoede. Veel succesverhalen trof ze niet.

The bird of gold’, zo wordt India genoemd in het rapport dat consultancybureau ­McKinsey Global in 2007 uitbracht over de groeiende Indiase consumentenmarkt. Voorspeld wordt dat de middenklasse in India de komende twee decennia zal groeien van vijf procent tot meer dan veertig procent van de bevolking, van vijftig miljoen naar 583 miljoen mensen. In 2025 zullen meer dan 23 miljoen mensen in India (meer dan de bevolking van Australië) tot de rijkste mensen van de wereld behoren. India zal tegen die tijd ’s werelds vijfde consumentenmarkt zijn. Dergelijke jubelberichten vormen voldoende reden voor bedrijven om deze markt zo snel mogelijk te willen bestormen.

Maar niet alleen wordt meer rijkdom voorspeld, ook wordt verwacht dat er verschuivingen gaan plaatsvinden binnen de inkomens­piramide. Zo staat in het rapport te lezen dat 291 miljoen mensen zullen ontsnappen aan wanhopige armoede en een zekerder bestaan zullen krijgen. Ze zullen opschuiven naar een fel begeerde plek in de middenklasse.

Katherine Boo is staff writer voor het weekblad The New Yorker en schrijft al haar hele leven over stedelijke armoede, onder andere voor The Washington Post. Voor haar werk ontving ze diverse prijzen, waaronder de Pulitzer Prize.

Ze trouwde met een Indiër en besloot te gaan schrijven over zijn land. Hij drukte haar op het hart niet op haar eerste indrukken af te gaan. In 2007, hetzelfde jaar dat het McKinsey-rapport werd uitgebracht, begon Boo met een onderzoeks­project. Het resulteerde in haar boek Een beter bestaan (onlangs uitgebracht door Nieuw Amsterdam) dat inmiddels over de hele wereld is uitgegeven. ‘In de Verenigde Staten gaat het als men het over India heeft altijd over mensen die in een callcenter werken’, zegt Boo. Zij wilde laten zien hoe het er in werkelijkheid aan toeging. Het had er in India nog nooit zo veel­belovend uitgezien. ‘De economische ont­wikkeling en al het circulerende geld hadden het land in een roes gebracht’, schrijft Boo. Ze wilde graag onderzoeken hoe al die mensen zich onttrekken aan de armoede.

Ze besloot haar onderzoek te doen in Annawadi, een slum bij het vliegveld van Mumbai, pal naast de luxe hotels voor internationale reizigers. Dat was een minder gekke plek dan je zou denken. Katherine Boo: ‘65 procent van de Indiërs woont in slums. De armoedegrens ligt fenomenaal laag en bijna niemand in de slums is dan ook nog arm volgens de officiële Indiase criteria.’ Dat neemt niet weg dat ziekte en vervuiling een centraal onderdeel zijn van het leven in Annawadi en dat enkele slumbewoners ratten en kikkers bakken en gras eten aan de rand van het rioolmeertje. Boo schrijft: ‘Ellendig als ze eraan toe waren, ze bewezen hun buren hiermee een onschatbare dienst. Ze waren voor de slumbewoners die geen gebakken rat en gras aten het levende bewijs van hun eigen stijging op de maatschappelijke ladder.’

Meer dan drie jaar praatte ze met de inwoners van Annawadi. Ze had er het liefst zelf gewoond, maar dat lukte niet. ‘Ik heb een handicap en kon niet elke dag naar de pomp lopen en mijn eigen water pompen. Daar had ik iemand voor in moeten huren en dat zou mijn project verpest hebben.’ Wel bracht ze veel tijd door in Annawadi en was ze in staat om de levens van een aantal mensen, vooral jongeren, indringend neer te zetten.

Ze praat vol empathie over de gesloten en sombere Abdul, een tiener die zijn ouders, broers en zussen onderhoudt door het afval van de luchthaven op te kopen, te sorteren en te verkopen aan recyclebedrijven en die als levensmotto hanteert: ‘Hoe meer ik je ken, hoe meer ik je niet mag.’ Als gezocht wordt naar een huwelijkskandidaat voor hem is een van de belangrijke criteria dat het meisje gewend moet zijn aan de continue stank die hoort bij de afvalbusiness. Volgens Boo vindt Abdul het moeilijk dat het boek nu is uitgekomen, omdat alle herinneringen hem zo’n pijn doen. ‘Jij stopt het in je computer, maar ik wil alleen maar vergeten’, zegt hij haar.

Sunil, een twaalfjarige afvalraper, is opgegroeid in het weeshuis bij zuster Paulette, een non die het tehuis runt zonder enig gevoel van medeleven voor de kinderen. Sunil vindt zichzelf wereldwijs, want hij begrijpt waarom hij alleen ijs krijgt als fotografen van kranten het weeshuis bezoeken. En hij weet dat het voedsel en de kleding die grote bedrijven schenken aan zuster Paulette ten behoeve van de kinderen stiekem worden verkocht buiten het hek. Sunil is klein van stuk en heeft geen hoogtevrees, waardoor hij het afval van een richel boven een afgrond naast de snelweg durft te pakken; een plek waar andere afvalrapers zich niet wagen. Een belangrijk concurrentievoordeel op de keiharde afvalmarkt.

En dan is er Asha, de moeder van drie kinderen die slumbaas wil worden. Ze geeft les op een school waar ze vrijwel nooit komt opdagen. Via een microkrediet ontvangt ze geld voor de school in de sloppenwijk. Asha weet hoe de corrupte samenleving in elkaar steekt en deinst er niet voor terug om een alleenstaande vrouw met kinderen haar huis uit te laten zetten als haar connecties dat van haar eisen. Daardoor is ze in staat om haar dochter Manju naar school te laten gaan. Manju moet de eerste vrouw van Annawadi worden die gaat afstuderen.

Manju’s beste vriendin, Meena, werd strak gehouden. Ze mocht vrijwel nooit de deur uit en werd voortdurend geslagen door haar broers. Op een dag werd ze geslagen omdat ze weigerde een omelet voor haar broer klaar te maken. Ze nam rattengif om een eind aan haar leven te maken. ‘Het was mijn eigen beslissing’, zei ze in het ziekenhuis, waarna de dokters de familie nog wat geld aftroggelden voor onnodige injecties. Haar enige eigen beslissing zou het zijn. ‘Ze had er genoeg van, van wat de wereld te bieden had’, concludeerden de vrouwen in Annawadi.

Manju is de enige die het Engelstalige boek kon lezen. Hoewel ze het moeilijk vond om te lezen over de immorele acties van haar moeder, is ze blij dat Boo het boek heeft geschreven. ‘Het is geen armoedeporno, het is kijken naar wat er fout zit’, zegt Boo. Ze laat in haar boek nauwelijks ruimte voor veroordeling. Wat zou jij doen als je je in deze situatie bevindt? Die vraag werpt ze de lezer telkens in de schoot en meestal is het antwoord dat de omgeving zo verziekt is dat het een wonder is dat er überhaupt nog morele keuzes worden gemaakt. Dat bijvoorbeeld een meisje als Manju naast haar eigen schoolwerk, tegen de zin van haar moeder, het schooltje in Annawadi draaiende houdt.

Boo had eigenlijk verwacht dat ze een aantal succesverhalen zou kunnen beschrijven. Er zouden in Annawadi zeker mensen zijn die bij die 291 miljoen ‘opschuivers’ zouden behoren. Wat Boo in plaats daarvan laat zien is een intiem en schrijnend verslag van een genadeloze survival of the fittest, gekenmerkt door voortdurende onzekerheid over het eigen bestaan. ‘Van de drieduizend mensen in Annawadi hebben er zes een vaste baan. Iedereen weet wie dat zijn en ze worden behandeld als royalty’, vertelt Boo. De rest weet vandaag niet of hij morgen wel werk heeft. Zodra iemand iets meer verdient, komt de politie geld aftroggelen.

Abdul heeft al op jonge leeftijd door dat de beste manier om te leven in Annawadi neerkomt op het vermijden van problemen in plaats van het leveren van een positieve inspanning. Hoewel hij zijn best doet om niet op te vallen en geen contact te maken met andere mensen, om zichzelf en zijn familie te beschermen, wordt hij uiteindelijk het slachtoffer van een valse aangifte van de buurvrouw, waardoor hij in de gevangenis belandt. En zo leert Abdul ‘hoe het voelt om alleen te vallen’, schrijft Boo. De valse aangifte is de kern van het boek en de kern van het probleem dat Boo voorhoudt. ‘Waarom worden de bewoners van de sloppenwijk niet meer bij elkaar gehouden door gemeenschappelijke belangen en gemeenschappelijke vijanden?’

Abduls moeder heeft het over een ‘tijd waarin het lot op je voorhoofd gekerfd stond’, een ‘vreedzame tijd’ waarin mensen elkaar aardiger behandelden. Boo wil niet ‘sentimenteel doen over het verleden’, zegt ze. ‘We moeten niet nostalgisch worden over de misère die er was.’ Maar tegelijkertijd lijkt het erop dat in de tijd van globaliserend kapitalisme ‘hoop slechts beperkt en individueel wordt opgevat waardoor elke vorm van gemeenschapszin wordt ondermijnd’. De eenzaamheid lijkt net zo grensoverschrijdend te worden als de wereldwijde handel.

Boo schrijft: ‘De onderlinge steun binnen een arme gemeenschap zal snel afkalven als overheidsprioriteiten en de dwang van de markt een wereld creëren die zo onvoorspelbaar is dat je, als je een buurman helpt, het risico loopt je gezin niet meer te eten te kunnen geven en soms zelfs je eigen vrijheid in gevaar brengt. De armen geven elkaar de schuld van de keuzes van regeringen en markten, en wij, die niet arm zijn, geven de armen even hard de schuld, als we niet uitkijken.’

Boo schetst een confronterend beeld van India, maar haar observaties zijn ook breder te trekken. Ze ziet bijvoorbeeld overeen­komsten tussen de armoede en de ongelijkheid in India en de Verenigde Staten. ‘Vooral onder de immigranten in de Verenigde Staten is de individuele Amerikaanse droom nog heel tastbaar.’ Ze vertelt over de dagloners die in Washington DC elke dag staan te wachten om te worden ‘uit­verkozen’ voor werk voor die dag. Net als in India is er competitie tussen jou en je buren. Je moet ervoor zorgen dat je net iets beter bent dan de dagloner die naast je staat, anders wordt hij eruit gepikt en niet jij. Dat zorgt voor jaloezie en concurrentie. ‘Want wie geef je de schuld als je niet wordt gekozen? Je buurman en niet het globaliserende kapitalisme.’

Toen Boo de verdoezeling van een moord op een van de jongeren van Annawadi onderzocht, werd zij zelf hardhandig aangepakt op het politie­bureau. ‘Er zijn geen botten gebroken, maar ze sloegen en intimideerden ons. Ze intimideerden ook de inwoners en waarschuwden hen om niet met mij te praten.’ Als ze erop terugkijkt, is ze eigenlijk nog banger dan op het moment zelf. ‘Nu vraag ik me af waarom ik toch maar doorging. Ik wilde gewoon de waarheid achterhalen, was er geobsedeerd door.’ Als ze dit niet had gedaan, had niemand ooit geweten dat een jonge bewoner van de slum, een van de meest geliefde grappenmakers onder de jongeren, was vermoord en niet overleden aan een ziekte, zoals genoteerd stond in de overlijdens­akte. ‘Het is gewoon zo afschuwelijk dat die jongeren over zichzelf denken: ik ben toch maar een afvalraper. Mijn leven heeft geen waarde.’

Het boek van Boo is over de hele wereld geprezen. Zelfs hoge Indiase regerings­functionarissen hebben Boo geschreven en bedankt. ‘Ik ben verbaasd maar ook dankbaar’, zegt ze, hoewel ze niet weet wat er met haar onderzoek zal worden gedaan. ‘Maar als ik de waarheid niet opschrijf, zal er zéker niets veranderen.’