De calculerende gelovige

Nietzsche en Pascal, het zijn de grote tweelingbroers van de strijd om de waarheid in het moderne denken. Maar terwijl Nietzsche inmiddels vertrouwd is geworden, is de steile Pascal nog altijd verontrustend. Zijn ‘Gedachten’ zijn opnieuw vertaald.
Blaise Pascal, Gedachten. Vertaling en aantekeningen van Frank de Graaff. Boom, Amsterdam, 480 blz. 359,50
DE NACHT VAN de 23ste november 1654 is waarschijnlijk de beroemdste nacht van de zeventiende eeuw. Rond half elf ‘s avonds kreeg Blaise Pascal een visioen dat twee uur duurde. 'Vuur. God van Abraham, God van Isaac, God van Jacob, niet van filosofen of geleerden’, tekende hij op in haastig neergekrabbelde zinnen. Ze werden teruggevonden na zijn dood, op een stuk perkament dat hij had ingenaaid in de voering van zijn jas. Hij had ze acht jaar lang onafscheidelijk met zich meegedragen.

Het Memoriaal, zoals de tekst al snel ging heten, was nauwkeurig gedateerd - Pascal vermeldde zelfs zorgzaam dat het een maandag was - en daarmee ging die 23ste november de geschiedenis in. Het korte formulier werd Pascals beroemdste geschrift en een klassieker van de mystieke literatuur. Een kleine veertig regels, zonder kennelijke orde en met de nodige herhalingen, die lezen als een geheimschrift.
Veel betekenen de zinnen, op de keper beschouwd, niet (‘Uw God zal mijn God zijn./ Vergeten de wereld, en alles, behalve God’), maar hun urgentie is onmiskenbaar. Het is alsof iemand een boodschap op leven en dood probeert over te brengen, maar - tragisch of komisch, al naargelang - alleen maar gemeenplaatsen kan uiten. Irritante gemeenplaatsen bovendien: 'Volledige onderwerping aan Christus en aan mijn geestelijke leidsman.’ Of: 'Totale en zoete verzaking’, een aansporing die Pascal voor zo vanzelfsprekend moet hebben gehouden dat hij er simpelweg 'Etc.’ achter kon schrijven.
Toch staat er, halverwege het Memoriaal, die ene regel die de exaltatie plotseling een gezicht geeft: 'Vreugde, vreugde, tranen van vreugde.’ Het is een uitroep die op een vreemde manier ontroert. Niet voldoende om sympathie te wekken, want dat gevoel komt jegens Pascal niet gemakkelijk op. Eerder is er sprake van een korte herkenning die lotsverbondenheid suggereert. Tranen van vreugde: die ken ik goed genoeg om me erdoor te laten overtuigen, ondanks de diepe kloof die ons in de daaropvolgende zin onmiddellijk weer scheidt.
Die tweeslachtigheid is kenmerkend voor bijna alles wat Pascal bij zijn dood in 1662 naliet. Ruim duizend notities werden teruggevonden, variërend van enkele woorden tot kleine verhandelingen van een paar pagina’s lang. Pascal had de vellen papier met stukjes touw aan elkaar geregen en gedeeltelijk naar thema geordend. In 1670 werden ze voor het eerst uitgegeven als Gedachten van Dhr. Pascal over godsdienst en andere onderwerpen, die na zijn dood tussen zijn papieren werden aangetroffen.
DIE BEPERKENDE BIJZIN in de titel stond er niet voor niets. Veel werd weggelaten van wat men te beknopt, te heftig of gewoon onbegrijpelijk vond. Pas halverwege de negentiende eeuw verscheen een eerste 'volledige’ editie, die inmiddels - steeds verder aangevuld - door een tiental andere gevolgd is. Soms is het Memoriaal erin opgenomen, soms niet, met name niet in de uitgaven die een reconstructie wilden geven van het boek dat Pascal oorspronkelijk voor ogen heeft gestaan. Een apologie van het christelijk geloof moest het worden en daar pasten deze hoogst persoonlijke ontboezemingen, op zo'n merkwaardige wijze teruggevonden, minder goed in. In de Pleïade-editie van Pascals werken is het Memoriaal afzonderlijk afgedrukt in de afdeling Opuscules, en ook de veel gebruikte editie van Brunschvicg uit 1897 hield het buiten de eigenlijke tekst.
Dat gebeurde ook in de meest recente Nederlandse vertaling van de Pensées, die in 1962 - driehonderd jaar na Pascals sterfdag - als Prismapocket verscheen en die zich op Brunschvicg baseerde. Het boekje, dat slechts een selectie van de Gedachten bevatte, is alleen antiquarisch nog te vinden, en terecht, want het orthodox-katholieke vermanende voorwoord van de vertaler en uitlegger J.A.C. Lenders (werkzaam in Rolduc) oogt meer dan belegen. Met de jansenistische, en dus al bijna protestants-ketterse, Pascal heeft de katholieke mainstream het altijd moeilijk gehad en dat ongemak was in 1962 kennelijk nog niet over.
Het omgekeerde geldt trouwens ook. In de nu verschenen, rijk geannoteerde nieuwe vertaling van Pascals Pensées - op basis van de in 1951 verschenen en daarna meermalen herziene kritische editie van M.L. Lafuma - wemelt het van de uitvallen tegen de katholieke laksheid in geloof en moraliteit. Vooral de jezuïeten moeten het ontgelden: zij zijn hem te werelds, te optimistisch, te zeer van eigen kunnen overtuigd. Tegenover God geldt slechts volledige onderwerping en een diep besef van eigen nietswaardigheid, op het misantropische af: 'Dat wij het verdienen door anderen bemind te worden is niet waar’, schrijft hij.
Beminnenswaardig worden we volgens Pascal alleen door het geloof en de goddelijke genade, niet op grond van eigen kunnen en verdienste. Het modernisme van de jezuïeten, die een wat minder sombere blik hadden op de 'verdorven’ menselijke natuur, was hem een doorn in het oog, vooral omdat ze binnen de katholieke kerk (waartoe Pascal koste wat kost wilde blijven behoren) de wind in de zeilen hadden. 'Telkens wanneer de jezuïeten de paus overrompelen, laat men het hele christendom meinedig worden’, schreef hij grimmig.
Pascal is niet de enige geweest die de jezuïeten een kwaad hart toedroeg, maar zoveel venijn heeft een averechtse uitwerking. Onwillekeurig steekt er bij het lezen van zijn banvloeken een zekere sympathie de kop op voor de orde die de kerkpolitiek in de moderne tijd niet alleen het diepst heeft beïnvloed maar die ook het heftigst is vervolgd.
PASCAL HEEFT HET VERLICHTE humanisme dan ook bepaald niet aan zijn zijde. De trots waarmee de Renaissance had ontdekt dat de mens op eigen kracht in staat was de wereld te verkennen en te bestieren, moest in zijn ogen wel leiden tot het skepticisme, waarom hij Montaigne veroordeelde, en het cynisme, dat hij bij de jezuïeten verafschuwde. De mens, meende hij, is geen heer over het heil van de wereld en nog minder over dat van hemzelf.
Om aan die moderne dwaling te ontkomen, liet hij zich inspireren door de vijfde-eeuwse kerkvader Augustinus, die elke zelfrechtvaardiging van de mens had verworpen. Geïnspireerd werd hij daarbij door de Nederlandse theoloog Cornelis Jansen, die als Jansenius een grote studie over Augustinus geschreven had en in Frankrijk weerklank had gevonden in een godsdienstige kring rond het klooster Port-Royal. De soberheid en religieuze eerlijkheid van deze 'jansenisten’ overtuigden Pascal en dat bracht hem vanzelf in het polemisch vaarwater waarin de golven na de (postume) veroordeling van Jansenius hoog opsloegen.
De finesses van die theologische genadestrijd waren ook toen al zo ingewikkeld dat het Vaticaan vruchteloos probeerde de hele discussie eenvoudigweg te verbieden. Nu zijn ze nauwelijks nog uit te leggen en even exotisch geworden als de strijd om de twee-naturenleer van Christus of het dogma van de eucharistische transsubstantiatie. Interessant zijn Pascals Gedachten dan ook al lang niet meer om hun theologische polemiek, die hij in zijn Brieven aan een provinciaal trouwens zo veel briljanter beoefende dat ze sindsdien in de Franse letteren gelden als een schoolvoorbeeld van het genre.
Aangrijpender dan de vraag hoe de mens rechtvaardig en beminnenswaardig wordt, zijn in de Gedachten Pascals voortdurend onderhuids voelbare twijfel over de vraag of hij zèlf wel voldoende gelovig en dus beminnenswaardig was. En niet ten onrechte; aan zijn beminnelijkheid wordt nogal eens getwijfeld. Pascal was, zoals zo veel bevlogenen, geen gemakkelijk en vermoedelijk ook geen prettig mens. De geest van de naastenliefde, die hij in zijn laatste jaren zo hartstochtelijk probeerde na te leven, moet hem moeilijk gevallen zijn. Moeilijker nog ging het zijn innerlijke strijd tegen zijn eigen hoogmoed af. Pascal had bepaald geen lage dunk van zichzelf, en hij had daartoe ook alle reden.
Zijn zuster Gilberte noemde hem in haar beknopte levensbeschrijving, die samen met de eerste uitgave van de Pensées verscheen, al vóór zijn twaalfde niet minder dan een genie. Op eigen kracht maakte hij zich de euclidische meetkunde eigen, tot verbijstering van zijn vader, zelf een vooraanstaand wiskundige, die met het onderricht in de mathematica liever nog wat had gewacht. In de geleerde Parijse kringen kreeg de kleine Pascal al snel enige faam. Alleen Descartes, wetenschappelijk correspondent in Holland, leek aanvankelijk niet erg onder de indruk. Hartelijk zou hun relatie, zelfs nadat ze elkaar - inmiddels op voet van gelijkheid - in 1647 hadden ontmoet, nooit meer worden.
Zijn eerste grote triomf oogste Pascal met het ontwerp van een rekenmachine waaraan hij enkele jaren werkte en die hij in 1645 met onverholen trots presenteerde. La pascaline noemde hij het ding, ontworpen om zijn vader - inmiddels belastinginspecteur in Normandië - te helpen bij zijn berekeningen. Vergeefs hoopte Pascal het ontwerp ook commercieel te kunnen uitbaten. De machine was veel te vernuftig en gevoelig, en dus onmogelijk in grote hoeveelheden te fabriceren. Maar zijn naam, in vakkringen al bekend door een baanbrekende publikatie over kegelsneden, was er definitief door gemaakt.
OOK IN DE NATUURKUNDE behaalde hij successen. Voortbordurend op de experimenten van Torricelli liet hij zien hoe de luchtdruk verantwoordelijk was voor de stand van een vloeistof in een van boven afgesloten buis. Hij liet er experimenten voor verrichten op de Puy de Dôme en klom er zelf de Parijse Tour St-Jacques voor op. Daarmee was ook het eeuwenoude idee van de horror vacui weerlegd: in de natuur kan een volstrekt lege ruimte (een vacuüm) wel degelijk voorkomen, hoezeer de filosofen er ook hamerden op haar onoverwinnelijke 'afschuw’ daarvan. Pascal haastte zich zijn bevindingen in 1647 wereldkundig te maken om concurrerende publikaties voor te zijn en zich de roem niet te laten ontgaan.
Die eerzucht is hem altijd blijven plagen en het moet hem regelmatig tot wanhoop hebben gebracht over zijn ontvankelijkheid voor de goddelijke genade. Want vanaf die Normandische jaren begon ook zijn religieuze onrust. Deze werd aangewakkerd door het bezoek van een paar jansenisten die zijn vader - bedlegerig na een ongelukkige val - kwamen verzorgen en die op het hele gezin een diepe indruk maakten. Pascals oudste zuster Jacqueline trad kort daarna in de orde van Port-Royal. Bij hem zelf duurde het langer; er was na die eerste 'bekering’ eerst nog een 'mondaine’ periode nodig voordat het heilig vuur in zijn nuit de feu van 1654 definitief ontbrandde.
Erg lang had hij toen niet meer te leven. Acht jaar later stierf hij, negenendertig jaar oud. De oorzaak van zijn dood is nog altijd niet duidelijk, maar erg gezond was hij nooit geweest. Hij leed aan hoofdpijnaanvallen en zenuwaandoeningen die hem bij perioden het lopen onmogelijk maakten. In zijn laatste jaren beoefende hij een streng ascetisme, het vlees verstervend met een gordel vol prikkels en sterk aangedaan door de religieuze controverses waarin hij verwikkeld was. Onwillekeurig dringt zich de vraag op of hij, na die beroemde nacht, ooit gelukkig is geweest.
Zijn aantekeningen getuigen van een beklemming die hem tot in zijn stervenswoorden bleef achtervolgen: Que Dieu ne m'abandonne jamais… - alsof hij er ook toen nog niet zeker van durfde te zijn. Zelfs in het Memoriaal, op het hoogtepunt van zijn extase, komen die angstige woorden meermalen terug, als een echo van Jezus’ uitroep aan het kruis: Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? Hij twijfelde niet aan het bestaan van God, maar hij twijfelde wel of God er voor hèm was, en dat zette zijn bestaan tot brekens toe onder druk.
In de honderden notities van de Gedachten lijkt hij vaak een drenkeling die zich vastklampt aan een stuk hout dat hem ternauwernood drijvende houdt. Voor zijn hoop op goddelijke redding moet alles wijken, ook de liefde van en voor de mensen en zelfs datgene wat hij niettemin als de hoogste menselijke prestatie beschouwt: de wiskunde.
Dat wil niet zeggen dat hij het praktische en wetenschappelijke leven geheel verlaat. Ook wanneer hij in 1654 zijn visioen heeft gekregen werkt hij stug door aan een verhandeling over kansberekening, waarmee hij het ongewisse van het toeval voor het eerst in mathematische termen weet te vatten. Zijn model is ironisch genoeg het kansspel, waarmee hij kennis had gemaakt in zijn 'mondaine periode’ - waarvan men zich overigens geen overdreven liederlijke voorstelling moet maken. En kort voor zijn dood engageert hij zich nog in zoiets praktisch als het opzetten van een openbaar-vervoersysteem in Parijs (les carrosses à cinq sols), waarvan de opbrengst bestemd is voor de hongerenden van Blois.
Maar het blijven bijzaken. Wiskundigen maken zich belachelijk wanneer ze intuïtieve dingen met een wiskundige geest willen benaderen, schrijft hij in de Pensées, en de bestemming van de mens is bij uitstek een zaak van het hart. En hoewel de menselijke liefde de koninklijke weg is naar God, zoals het evangelie hem voorhoudt, blijft hij tezeer doordrongen van het jansenistische idee dat de goddelijke genade zich niet laat dwingen om helemaal te vertrouwen op de idee dat de liefde tot de mensen uiteindelijk de liefde tot God is.
MET HALVE PRINCIPES en vaagheden was deze radicaal in hart en nieren nu eenmaal niet tevreden. Precies daarin keert hij zich tegen de jezuïeten en, op een heel andere manier, tegen Montaigne, wiens gevoel voor betrekkelijkheid hem te nihilistisch is. Maakt dat de laatste voor ons zo'n aangename gesprekspartner, Pascal blijft in zijn steile ongenaakbaarheid altijd iets ongemakkelijks houden. Hij is een aanstootgevende en irritante denker, niet alleen vanwege zijn religieuze obsessie maar vooral vanwege zijn onwil met minder dan het absolute genoegen te nemen. Het is altijd alles of niets bij hem, hoe vaak hij zichzelf in zijn aantekeningen ook voorhoudt dat de grootheid van de mens ligt in zijn vermogen het juiste midden te houden.
Alles of niets is zelfs de geheime logica achter zijn meest beroemde argument tegen de skepsis en voor het geloof. Wie het geloof weigert uit naam van het verstand, stelt zijn eindige vermogens veilig maar sluit bij voorbaat de mogelijkheid de oneindigheid te winnen uit, schrijft hij. Tegenover die winst, hoe klein de kans ook, valt elk eindig verlies in het niet. Er is dus geen rationeler keuze dan heel zijn vermogen op deze kaart te zetten, besluit hij.
Het theologische va banque van Pascal is geen godsbewijs maar een poging de redelijkheid van het geloof te verdedigen, hoe ver de inhoud van dat geloof zich ook boven elke redelijkheid verheft. Die redenering - een van de langere fragmenten in de Gedachten - is typerend voor de apologie die Pascal voor ogen moet hebben gestaan maar die uiteindelijk moest falen. Niet omdat er tegen de redenering zelf iets in te brengen valt, maar omdat ze al even weinig deugdelijk is om een skepticus tot geloof te brengen als de klassieke godsbewijzen dat waren.
MISSCHIEN KOESTERDE Pascal die verwachting ook niet, net zo min als de godsbewijzen daarvoor bedoeld waren. Maar er kleeft iets onaangenaams en zelfs onwaardigs aan deze calculerende gelovigheid, die Pascal wellicht zelf ook wel heeft ingezien. In ieder geval lijkt hij het plan voor een apologie al vier jaar voor zijn dood te hebben opgegeven. De losse aantekeningen die nu de tekst van de Gedachten uitmaken zijn geen Nachlass, zoals bij Nietzsche, maar zijn de resten van een bewust onderbroken project.
Misschien bleek Pascal er, zoals zo vaak, te ongedurig voor; misschien ook zag hij er, net als Wittgenstein een kleine drie eeuwen later, het hopeloze van in. 'Je filosofeert pas echt als je maling hebt aan de filosofie’, tekende hij in zijn Gedachten aan. Datgene wat een mensenleven werkelijk aangaat kan niet worden gezegd, maar alleen getoond, meende Wittgenstein. En ook hij gaf er, zij het niet definitief, de wijsbegeerte voor op.
Het is ongetwijfeld de redding van Pascals Gedachten geweest dat deze in hun rudimentaire vorm zijn blijven steken. In de afgeronde vorm van een apologetisch betoog waren ze niet half zo prikkelend geweest, nog afgezien van de vraag of Pascal dat ooit rond had gekregen. Nietzsche herkende er zijn geestverwant in: 'De diepste en onuitputtelijkste boeken zullen wel altijd iets van het aforistische en plotselinge karakter van Pascals Pensées hebben’, schreef hij. Voor hem behoorde Pascal tot de sterkste geesten uit de geschiedenis, op onvergeeflijke wijze verpletterd door het christendom.
'Zijn bloed stroomt in mijn aderen’, noteerde hij elders, en niet ten onrechte. Pascals vlijmscherpe psychologie, die onder het ogenschijnlijke recht de macht van het geweld en onder de menselijke illusies en idealen de vlucht voor onzekerheid en verveling herkent, zouden in De vrolijke wetenschap of De genealogie van de moraal niet uit de toon zijn gevallen. En zelfs zijn koppig volgehouden poging het onmogelijke te denken, tot vernietiging van het denken, van de eigen gezondheid en tenslotte van zichzelf, maken Nietzsche en Pascal tot de grote tweelingbroers van de strijd om de waarheid in het moderne denken.
Die waarheid was voor beiden onbereikbaar: voor Nietzsche omdat hij haar uit het denken wegschreef en voor Pascal omdat zijn geloof nooit de zekerheid bereikte dat die waarheid ook zijn waarheid was. Nietzsche gaf haar prijs, en brak daarmee met een filosofische traditie van eeuwen. Pascal behield haar, maar maakte haar tot een onbereikbaar object.
Het lijkt alsof Nietzsche tenslotte de overhand gekregen heeft. Wat in zijn tijd nog schandalig was, is vandaag de dag gemeengoed. Tot hoeveel discussie het postmoderne erfgoed van zijn denken ook aanleiding mag geven, echt aanstootgevend zijn zijn perspectivisme en nihilisme niet meer. Zelfs de ijverigste verdedigers van de wetenschappelijke waarheid en algemeen geldende normen nemen genoegen met pragmatische overwegingen en criteria: omdat de wetenschap of de samenleving nu eenmaal beter werkt wanneer we er allemaal min of meer dezelfde ideeën op na houden. Of die ideeën ook absolute gelding zouden hebben, interesseert ook hen gewoonlijk nauwelijks meer.
NU NIETZSCHE NIET LANGER een schandaal is, is Pascal het des te meer. Hij irriteert niet alleen om zijn soms bijna bigotte vroomheid, zijn naïeve geloof in wonderen en zijn lust- en levensvijandige ascese, maar vooral om zijn aanhoudende vraag hoe het temidden van een bijna onweerspreekbaar skepticisme nog mogelijk is èrgens in te geloven.
Het moet tot Nietzsches eer worden gezegd dat hij die vraag van Pascal onder ogen heeft gezien, al was zijn oplossing - de übermensch - niet erg gelukkig. Of Pascals godsdienstigheid zoveel betere kaarten heeft, mag betwijfeld worden. Maar hoe urgent die vraag is, spreekt wel uit een Gedachte die in geen van beide oeuvres had misstaan: 'Aangezien de mensen niet in staat waren de sterfelijkheid, ellende en onwetendheid te verhelpen, zijn ze op het idee gekomen gelukkig te worden door totaal niet aan die dingen te denken.’
Aan die angel in het denken is Pascal onophoudelijk blijven morrelen. Ons verontrust hij, heimelijk, nog steeds.