Duitse herinneringen

De canon van het herdenken

Herinneringen aan de boekverbranding van 1933 bevestigen het belang van het Duitse herdenken. Ook al zijn er steeds minder ooggetuigen van de nazi-tijd.

De historische geluidsband is al oud en knakt, ruist en dreunt. Schril doorbreekt een stem de stilte: «Tegen decadentie en moreel verval! Voor tucht en zeden in gezin en staat! Ik werp in de vlammen de geschriften van Heinrich Mann, Ernst Glaeser en Erich Kästner!» Zodra de kreet eindigt, zwelt gejuich aan. «Tegen brutaliteit en aanmatiging!» gaat de stem door. «Voor achting en eerbied van de onsterfelijke Duitse volksgeest. Verteer, vlam, nu ook de geschriften van Tucholsky en Ossietsky!»

Het was in de regenachtige avonduren van 10 mei 1933 toen in de Duitse universiteits steden boeken van politieke tegenstanders en joden werden verbrand. Ook al leven de stem en het merendeel van de juichende studenten inmiddels niet meer, de geluidsbanden werken zeventig jaar na de enscenering nog steeds benauwend. Het lijkt alsof de rookwolken van de Opernplatz in Berlijn de komst van Auschwitz verkondigden.

Hans Keilson was toen student medicijnen aan de Humboldt Universiteit. Zijn eerste roman was net bij Suhrkamp verschenen, Oskar Loerke was zijn lector. Maar de boekverbranding vond Keilson niet bijzonder opmerkelijk: «Ik maakte me toen meer zorgen over mijn examen en over de dagelijkse barbarij op straat.»

Dat is verbazend om te horen van iemand die de gebeurtenissen van toen nog steeds belangrijk vindt. De brandstichters verdreven immers Keilson uit zijn vertrouwde omgeving. In 1936 emigreerde de nu 94-jarige man samen met zijn vrouw naar Nederland omdat hij joods was. Beiden overleefden de Duitse bezetting met «zeer goed vervalste» paspoorten. Ook al is Keilson, die nu in Bussum woont, uiteindelijk een van de weinigen die over de nazi-dictatuur kunnen vertellen, hij maakt zich daar niet druk over: «Tijdgenoten vertellen hun verhaal. Je wordt als getuige benoemd en krijgt een soort aureool. Je moet zelfkritisch zijn om deze toebedachte rol goed te vervullen.» Hij hoopt wel dat de emotionele kanten redelijk worden geduid en de continuïteit kenbaar wordt gemaakt: «Want antisemitisme hoort bij de Duitse geschiedenis sinds de kruistochten.»

Keilson legt de nadruk op de tegenstrijdigheid van de tijd toen. Bedaard vertelt hij hoe hij de eerste keer Hitler zag: «Velen hebben niet begrepen dat ik pas in 1936 het land uit vluchtte. Maar in Berlijn heerste niet alleen het Kwaad, er waren ook mensen op straat die hulp aanboden.»

Je moet ook kunnen vergeten, meent Keilson en citeert een dichtregel van hemzelf: «Gedenk, vergiss, im Abschaum der Geschichte.»

Benauwd kijkt zijn jonge gesprekspartner op. Er zijn twee generaties met verschillende ervaringen bij elkaar gekomen. Want hoe kunnen we herdenken als er geen tijdgenoten meer zijn? Die vraag kan Keilson niet beantwoorden: dat is de taak van de jongeren.

Rainer Wahls van het Berlijnse Stiftungsinitiative 10. Mai vindt wel dat herdenken zonder ooggetuigen moeilijker wordt. Wahls, geschiedenisstudent aan de Humboldt Universiteit in Berlijn: «Maar de tijd mag niet worden vergeten. Er zijn verschillende strategieën om dat te bereiken. Sommigen willen hét boek schrijven dat de historische waarheid vastlegt, maar ik vind dat iedere generatie zich opnieuw met die tijd bezig moet houden. Dat is de reden waarom we de stichting hebben opgericht.»

Stiftungsinitiative 10. Mai werd in 1993 door studenten van de Humboldt Universiteit in het leven geroepen en wordt gefinancierd door de studentenraad. Ze archiveren documenten van de boekverbranding en stellen ruimte ter beschikking voor wetenschappelijk onderzoek. «Net als vandaag vind je ook in die tijd tegenstrijdigheden. Als je daar op zo’n manier naar kijkt, zie je de dynamiek van de geschiedenis en vind je ook antwoorden voor het heden.»

Voor deze benadering heeft William His cott, studiegenoot van Wahls, eveneens gekozen. «Natuurlijk is de boekverbranding een voorbeeld van moderne barbarij, die politieke en economische middelen wist te bemachtigen. Maar we besteden te veel aandacht aan de gruweldaden. Daardoor geven we mensen de kans zich volledig van de tijd af te wenden», aldus Hiscott. Deze manier van herdenken heeft volgens hem al sporen nagelaten: «Ik hoor vaker mensen zeggen: ‹Ik ben in 1968 geboren en heb geen schuld aan de nazi-dictatuur; daarom mag ik Israël bekritiseren.› Dat noemt zo iemand dan het doorbreken van een taboe. Dit taboe bestond echter nooit. Deze persoon heeft alleen de als historisch gevoelde ballast afgeworpen. Het fascisme is voor hem verleden tijd, zonder betekenis voor de dag van vandaag.» Want Hitler en zijn partij zijn niet met een ruimteveer ter aarde verschenen en hebben de aarde evenmin weer op die manier verlaten.

Maar het fascisme als eeuwig politiek strijdbegrip werkt ook averechts, meent Hiscott: «Op echte fascisten maak je daarmee sowieso geen indruk. En anderen zuchten alleen maar als je iedere politieke beslissing als volgende stap naar een nieuwe nazi-dictatuur afschildert.»

Minder emotionaliteit zou het thema van de nazi-dictatuur ten goede komen, stelt Hiscott: «Te veel emoties ontnemen het zicht op de nuances.»