Polarisatie is iets anders dan haat zaaien

De cesuur van Oslo

De democratie leeft bij tegenspraak van kritische geesten. Maar polarisatie die zich verbindt met haat is levensgevaarlijk.

GEERT WILDERS MAAKT zich van elke associatie van zijn anti-islamretoriek met de terreurdaad van Anders Breivik af met de bezwering dat de stembus zijn strijdmiddel is, niet de ‘bommen en pistolen’ van de terrorist. Zo relativeert hij de agressie en oorlogsretoriek in het vocabulaire van de PVV, alsof woorden geen betekenis hebben.

In zijn boek De schijn-elite van de valsemunters plaatst Martin Bosma, Wilders’ ideologische fluisteraar, de PVV in de traditie van de kruistochten, in zijn beeld van de historie 'een defensieve maatregel’ van het Westen tegen de 'islamitische verovering’. Bij de presentatie van dat massief geformuleerde schotschrift eind september 2010 kraaide de arabist Hans Jansen, Wilders’ getuige-deskundige over de islam, victorie over de deelneming van de PVV aan de regeringscoalitie. In de campagne tegen de islam is dat keerpunt volgens hem vergelijkbaar met D-day, de dag waarop de oorlog tegen nazi-Duitsland een beslissende wending nam. In navolging van Enoch Powell, de Britse politicus die in 1968 een burgeroorlog voorspelde als gevolg van de immigratie, zag Jansen 'rivieren van bloed’ voor zich.

Hij liet in het midden of hij dat als onvermijdelijkheid beschouwde of als wenselijkheid. Wel duidelijk was de gretigheid waarmee Jansen zijn visioen met zijn gehoor deelde. Ook Bosma refereerde in zijn oproep de immigratie te stoppen aan D-day: 'Wij krijgen geen tweede kans. We moeten onszelf redden. Omdat deze keer de Amerikanen hun zonen niet op de stranden van Normandië zullen offeren voor onze vrijheid.’

Wilders deelt de ondergangsstemming van Jansen. 'Als Europa valt, zal ze ten onder gaan omdat ze, net als het oude Rome, niet langer in de superioriteit van haar eigen beschaving gelooft’, zei hij enkele maanden geleden in Rome. 'Ze zal ten onder gaan omdat ze zo dom is te geloven dat alle culturen gelijkwaardig zijn en dat er als gevolg daarvan geen reden is om te vechten voor onze eigen cultuur.’

Zulke oorlogsbeelden zijn niet onschuldig, zeker niet als Wilders ze gepaard laat gaan met woorden als 'gevecht’ als metafoor voor zijn campagne tegen de islam of met oproepen om Marokkaanse jeugdcriminelen door de knieën te schieten. 'In het doel verschuilen zich de middelen’, schreef Hubert Smeets treffend in NRC Handelsblad. De vergelijkingen met kruistochten en de Tweede Wereldoorlog kunnen niet als een futiliteit worden afgedaan, nu de polarisatie tegen de islam met de terreurdaden van Breivik het gezicht van de dood heeft gekregen. Het is geen toeval dat een van de zelfbeelden van Breivik dat van Tempelier is, een kruisridder in een heilige oorlog tegen de islam.

De cesuur van 'Oslo’ is dat niet alleen het extreme islamisme maar ook de islamhaat de democratische samenleving bedreigt. Deze haat is al te lang gebagatelliseerd, als een verschijnsel dat onder alle omstandigheden met een beroep op de vrijheid van meningsuiting kan worden gelegitimeerd. In politiek opzicht vond de relativering van de islamhaat tot iets onschuldigs zijn weg in de verklaring waarmee de formatieonderhandelaars Rutte (VVD), Verhagen (CDA) en Wilders vorig jaar de weg naar hun coalitie smeedden. In die verklaring verwierven VVD en CDA de steun van de PVV voor het bezuinigingsprogramma, in ruil voor een vrijbrief aan Wilders’ groepering om de islam als een politieke ideologie te bestrijden.

BREIVIK MAG EEN eenling zijn, in zijn gedachten staat hij niet alleen. Hij kwam niet uit het niets, zoals Wilders en publicitaire bondgenoten in de geschreven pers het doen voorkomen. De koortsige fantasiebeelden over een dreigend 'Eurarabië’ in het manifest van Breivik doen akelig vertrouwd aan. In het manifest resoneert de haatretoriek uit de toespraken van Wilders en het geschrift van Bosma, met inbegrip van de smalende woorden over linkse 'goedmensen’, een van de neologismen uit het vaste repertoire van extreem-rechts.

Ook de politieke vijand is dezelfde. Anders dan terroristen als die van al-Qaeda koos Breivik zijn slachtoffers niet willekeurig, met het doel zo veel mogelijk angst te veroorzaken. Hij had het voorzien op de sociaal-democraten, tegen wie zowel zijn bom in Oslo als zijn moordpartij op het eiland Utøya was gericht. In Nederland gaan de rechtspopulisten ver in hun afkeer van de sociaal-democraten en hun voorman Job Cohen, in wie zij de zaakwaarnemers van het multiculturalisme zien. Tekenend is de subtiele manier waarop de PVV met enkele haakjes in haar verkiezingsprogramma het socialisme gelijkstelt met het nazisme: 'Op 4 mei gedenken wij de slachtoffers van het (nationaal) socialisme.’

Maar ook in gematigder vorm komen de denkbeelden van Breivik onrustbarend bekend voor, zoals in de vanzelfsprekendheid waarmee politici poneren dat de multiculturele samenleving is 'mislukt’. Dat geldt in de heersende opinie in Europa niet meer als een stelling, maar als een zekerheid die getuigt van verdiept inzicht. In een essay in Die Zeit schrijft Carolin Emcke dat de terreurdaden in Noorwegen voor heel Europa een les moeten zijn: 'Wat zegt het over Europa, die samenleving van velen, wanneer culturele homogeniteit tot voorbeeld is geworden? Wat zegt het over onze verlichtingsidealen wanneer geloofsvrijheid alleen nog voor het eigen geloof mag gelden? Wat zegt het over onze democratische cultuur wanneer haatpredikers niet als haatpredikers gelden, zolang zij zich tegen moslims richten?’ Emcke is zelf slachtoffer van terreur. Zij was 22 toen extreem-linkse terroristen van de Rote Armee Fraktion in 1989 haar peetoom Alfred Herrhausen doodschoten, een misdaad waarover zij achttien jaar later een prijswinnend essay schreef. In dat verhaal over de onbevattelijke onrechtvaardigheid van die moord klinken alle trauma’s door die de moordpartij van Breivik op de naasten van de slachtoffers zal veroorzaken.

De politieke conclusie uit de wandaden van links- zowel als rechts-extremisme is dat polarisatie een dodelijk gif kan zijn zodra ze is verbonden met vijanddenken. Kenmerkend voor vijanddenken is dat het kwaad altijd van buiten komt, nooit van binnenuit. Voor linkse extremisten was 'de kapitalist’ de vijand, voor rechts-radicalen 'de moslim’ of 'de vette volgevreten links-liberale grachtengordelelite’ (Wilders in de Algemene Beschouwingen van september 2008). In het schematisch denken van 'wij’ versus 'zij’ is zelfreflectie of zelfkritiek onnodig, zelfs ongewenst, want zo'n houding van twijfel kan als zwak overkomen en afbreuk doen aan de pose van kordaatheid waarmee politici van de daad zichzelf graag aan de kiezers presenteren.

Ook Wilders immuniseert zichzelf nu voor zelfreflectie en zelfkritiek, door elk mogelijk verband tussen zijn agressieve retoriek en wandaden van anderen verontwaardigd van de hand te wijzen. Hij heeft geen enkele boodschap aan het beroep dat Breivik in zijn manifest op zijn denkbeelden doet. Sterker, in reactie op Cohens oproep aan 'alle politici’ om hun woorden te matigen, gaf hij zijn retorische hysterie de vrije loop en creëerde hij nieuwe vijandbeelden. In De Telegraaf haalde hij uit naar de 'islamknuffelaar Cohen’, sprak hij van 'de Partij van de Arabieren’ en betitelde hij moskeeën als 'haatpaleizen’. Wilders: 'Links grijpt dit aan om te proberen af te rekenen met de PVV en demoniseert er flink op los met een bijna ziekelijke gretigheid. Ze kunnen de boom in. Allemaal.’

Het is een veeg teken over de toestand van de natie als een ingeburgerde immigrant zegt: 'Ik dacht Nederlander te zijn. Nu weet ik dat niet meer.’ Halleh Ghorashi, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, noteerde deze hartenkreet in een van haar vraaggesprekken met immigranten over hun levensverhaal. De twijfel van ingeburgerde immigranten of zij nog wel thuis zijn in dit land is volgens Ghorashi een alarmerend signaal van de impact die de aangescherpte verhoudingen in Nederland hebben op de menselijke en maatschappelijke relaties. Mede door dit soort verhalen heeft het woord 'polarisatie’ een negatieve klankkleur. Het wekt associaties met opgeklopte toestanden, met fanatisme, een onwrikbaar geloof in eigen gelijk, een bitse omgang met anderen.

IN ZULKE OMSTANDIGHEDEN is het niet verwonderlijk dat de blik op het nuttige effect van polarisatie vertroebeld is. In een onoverzichtelijke samenleving kan polarisatie enige orde scheppen in schimmige tegenstellingen. Dankzij de confrontatie van hun denkbeelden met die van anderen zijn mensen in staat hun horizon te verbreden. Zij worden bovendien gedwongen de eigen inzichten scherper te verwoorden. Dat kan meer diepte aan hun overtuiging geven, of hen juist van die zienswijze doen terugkomen. De horzelfunctie van de tegenspraak kan ook in het politieke debat verrijkend werken. De democratie leeft bij tegenspraak, van kritische geesten die zich bij alles wat de meerderheid vanzelfsprekend acht afvragen: 'Is dat wel zo?’

Polarisatie is op deze wijze een bron van vitaliteit en vernieuwing, mits mensen bereid zijn hun eigen opvattingen, hoe scherp verwoord ook, ter discussie te stellen en mits zij de anderen als volwaardige tegenstanders beschouwen, met dezelfde rechten als zij. Onder die voorwaarden geeft polarisatie een impuls aan de gedachtevorming, zeker als ze mensen bewust maakt van de blokkerende invloed die hun eigen dogma’s en taboes op het denken kunnen hebben.

Vanuit dit perspectief bezien is een zekere mate van polarisatie voor de politiek en de samenleving zo slecht nog niet. Verschillen die in beide domeinen dankzij polarisatie aan de oppervlakte komen, worden daarmee óók verschillen waarover men met het oog op een vergelijk kan debatteren en onderhandelen. 'Politieke polarisatie in de cultureel gedifferentieerde samenleving is nodig en nuttig, voorzover zij bijdraagt aan de verheldering, overbrugging en transformatie van maatschappelijke tegenstellingen’, aldus bestuurskundige Willem Trommel. 'Dit betekent dat de retorische vergroting van tegenstellingen op zichzelf niet kan volstaan, maar ook processen van confrontatie, bemiddeling en verzoening op gang dient te brengen.’

In de politiek kan aan polarisatie dus de ruimte worden gegeven, in de wetenschap dat aan het einde van het proces onherroepelijk een compromisbesluit moet vallen. Dat is de essentie van het politieke proces en tevens zijn specifieke kwaliteit. Een conflict moet in de politiek een vervolg krijgen in de bemiddeling en beslechting van het geschil. Op deze wijze is in de politieke sfeer, zowel inhoudelijk als procesmatig, een cultuur van verschil op vreedzame wijze gewaarborgd. Faalt de politiek, dan kan dat een aanzwiepend effect op maatschappelijke spanningen hebben, want dan faalt de institutie die we in het leven hebben geroepen om zulke spanningen op te vangen en orde te scheppen.

In zijn traditionele jaarlijkse beschouwing over politiek en bestuur schreef de vice-president van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, dit voorjaar een vergelijkbare conclusie op: 'Het open politieke debat in het parlement heeft in een democratie een eigen legitimerende functie. Zonder dat debat kunnen maatschappelijke tegenstellingen voortwoekeren en kan de maatschappelijke polarisatie via de media toenemen. Het debat in de media kent immers géén gemeenschappelijke conclusie.’

In dat licht is de eerder aangehaalde vrijbrief van Rutte en Verhagen aan de PVV om de islam als een politieke ideologie te beschouwen een testimonium paupertatis van de politiek. Het gevolg is dat een brisant maatschappelijk conflict over de religie van een miljoen Nederlanders in de politiek niet wordt geabsorbeerd in een vreedzaam vergelijk, maar integendeel, juist wordt bevestigd.

MET HUN VERBOND met Wilders hebben VVD en CDA zich geëncanailleerd met een groepering die gif in de samenleving druppelt met haar vijandbeelden van andersdenkenden en politieke tegenstanders. In de vergaderzaal van de Tweede Kamer wordt je de adem bijna afgesneden door de agressie die Wilders in zijn vaste scheldronde langs de fracties ter linkerzijde tentoonspreidt. Begeleid door honend gelach uit zijn fractie kleineert de PVV-leider dan zijn tegenstanders. Bij zulke gelegenheden roept hij de herinnering op aan communistische agitators, zoals in Nederland Paul de Groot, die er genoegen in schepten op de persoon van andersdenkenden te spelen en hen zo diep mogelijk in de grond te stampen. De fractieleiders van VVD en CDA, Blok en Van Haersma Buma, zitten er steevast bij en kijken ernaar.

In de politiek heeft het verglijden van de notie dat polarisatie stopt waar haat zaaien begint dus democratisch zedenverval in de hand gewerkt. In de maatschappij is een sfeer ontstaan waarin vreemdelingenhaat en ressentiment tegen andersdenkenden gedijen. Die sfeer is eerst politiek gelegitimeerd door de coalitie die VVD en CDA met de PVV aangingen, daarna juridisch door de vrijspraak van Wilders in de Amsterdamse rechtbank. De PVV-leider spreekt zijn ressentiment onverholen, in rauwe bewoordingen uit, maar in meer toegedekte vorm is het aanwezig in de vanzelfsprekendheid waarmee de multiculturele samenleving tot 'mislukt’ wordt uitgeroepen, oftewel in de afkeuring van alles wat afwijkt van 'Nederlandse waarden’.

Kan 'Oslo’ tot bezinning leiden? Dat vergt een revitalisering van een democratisch ethos waarin zelfreflectie en zelfkritiek kernwaarden zijn. Het vijanddenken moet van die waarden niets hebben en ondermijnt daarmee de competentie tot tolerantie en respect voor andersdenkenden. Het alternatief is een democratische cultuur waarin polarisatie tot haar recht komt als spiegel van reële verschillen, met het doel deze met een tijdelijk compromis te beslechten. Groots en meeslepend als D-days en kruistochten is dat niet, wel nuttig.