De champagne van kolyma

ZEVENTIEN jaar lang werkte hij als dwangarbeider onder de meest barre omstandigheden in de bittere kou van noordoostelijk Siberië. Alexander Solzjenitsyn kreeg de naam, maar wees zelf op Varlam Sjalamov als de belangrijkste schrijver over de Goelag: ‘Sjalamovs kampervaring was harder en langer dan de mijne, en ik erken met het grootste respect dat hij en niet ik de bodem heeft bereikt van de verdierlijking en de wanhoop waar het hele kampbestaan ons naar toe trok.’

Sjalamov op zijn beurt sloeg een aanbod van Solzjenitsyn af om co-auteur te worden van zijn naderhand wereldwijd geprezen boek Goelag Archipel. Hij was oud en ziek toen hem het voorstel bereikte. Toch zal zijn lichamelijke constitutie niet de belangrijkste reden zijn geweest voor de afwijzing. Na het lezen van Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj constateert Sjalamov voor zichzelf dat Solzjenitsyn de gruwelen van de Siberische kampen onvoldoende kon beschrijven omdat hij nooit in Kolyma was geweest, de streek waar naar schatting tussen de 500.000 en twee miljoen mensen de dood vonden. Hij schrijft hem onder meer dit terug: ‘En wat loopt daar bij u een kater in het ziekenhuis rond? Hoe komt het dat tot dusver nog niemand hem geslacht en opgegeten heeft?’
Die zinnen zijn tekenend voor de auteur van Verhalen uit Kolyma. Zijn droge, constaterende toon, zijn controlerend overzicht, zijn oog voor het concrete, het praktische, en de afwezigheid van elk moralisme, contrasteren bijna maximaal met Solzjenitsyns wijdlopigheid, diens ondertoon van woede en geloof in verlossing door lijden.
OM WIE gaat het hier? Varlam Tichonovitsj Sjalamov werd in 1907 geboren in Vologda als zoon van een orthodoxe priester. (Ik maak hier gebruik van gegevens uit het voorwoord van de Amerikaan John Glad en een Raster-artikel van Jacq Vogelaar.) Zo'n afkomst was in het Rusland van een paar jaar later een niet geringe handicap, ze belemmerde hem in elk geval de rechtstreekse toelating aan de universiteit van Moskou. Pas nadat hij een tijdje als arbeider in een taanderij heeft gewerkt, mag hij in 1926 beginnen aan een rechtenstudie.
Al gauw sluit hij zich aan bij een groep jeugdige trotskisten, een beslissing die zijn leven zal tekenen. In 1929 wordt hij door de politie opgepakt in de illegale drukkerij wanneer hij pamfletten komt ophalen ter verspreiding - het testament van Lenin, waarin deze zijn bedenkingen uitte over een opvolging door Stalin. Tijdens zijn proces weigert hij te getuigen, de straf die hij krijgt opgelegd is drie jaar dwangarbeid.
Terug in Moskou, teleurgesteld door het gebrek aan steun van zijn vrienden, besluit hij de politiek voorgoed de rug toe te keren en zich aan het schrijven van poëzie en proza te wijden. Wanneer in 1937 een golf van zuiveringen de Sovjetunie overspoelt, wordt hij opnieuw opgepakt voor 'contrarevolutionaire trotskistische activiteiten’ en voor vijf jaar naar Siberië verbannen.
Dat hij er levend vandaan komt, is een godswonder - bij zijn ontslag woog hij nog slechts 43 kilo. Tijd om van de geleden ontberingen te herstellen, is hem nauwelijks vergund. In 1943 volgt een derde veroordeling, nu voor anti-sovjetagitatie omdat hij Nobelprijswinnaar Ivan Boenin had geprezen als een klassieke Russische schrijver. In de volgende tien jaar overleeft hij de verschrikkingen in de goudmijnen van Kolyma, een beruchte strafkolonie.
WERKEN IN Kolyma betekende blootstaan aan maandenlange vrieskou, aan temperaturen tot bijna zestig graden onder nul. 'Er waren nachten dat er helemaal geen warmte door mijn voddige jekker, mijn jas heen kwam, en ’s ochtends keek ik dan naar mijn buurman in de veronderstelling dat hij dood was, en ik was lichtelijk verbaasd als de dode bleek te leven en op het gesnauwde bevel opstond, zich aankleedde en gehoorzaam de orders opvolgde’, herinnert hij zich in het schitterende verhaal 'Sententie’. En in 'Timmerlui’ schrijft hij: 'De arbeiders kregen de thermometer niet te zien; dat was ook niet nodig want bij iedere temperatuur moest er gewerkt worden. Bovendien wist de oude garde ook zonder thermometer bijna exact te bepalen hoe hard het vroor: als er een ijzige mist hangt betekent dat dat het buiten veertig graden onder nul is; als het uitademen van de lucht te horen is maar het ademhalen nog gemakkelijk gaat, is het vijfenveertig graden; als de ademhaling te horen is en met kortademigheid gepaard gaat, is het vijftig graden. Als het meer dan vijfenvijftig graden vriest, bevriest je slijm zodra je het uitspuugt. Dat was al twee weken het geval.’
Leven in Kolyma betekende voortdurend verkeren in de schaduw van de dood. De werkdagen waren vaak twaalf tot zestien uur lang, krachteloos eten of voedselgebrek zorgde voor een permanent hongergevoel dat elke sensitiviteit afstompte en de wil brak. Zijn positie als politieke gevangene maakte het allemaal nog hachelijker. Artikel 58-gevangenen zoals leraren, partijfunctionarissen, ingenieurs, militairen, boeren en arbeiders werden regelmatig mishandeld of doodgeslagen door gewetenloze beroepscriminelen - dieven, afpersers en moordenaars. Leven deed je bij de minuut, verder denken dan de dag van morgen had geen enkele zin.
Het leven in de Siberische onherbergzaamheid speelde zich af in een soort halfbewustzijn, in het voortdurend besef dat het eigenlijk al voorbij was. 'Wij begrepen dat de dood niet erger was dan het leven, en we waren voor het een noch het ander bang. Een grote onverschilligheid had zich over ons meester gemaakt.’ Alleen het toeval hielp je overleven. Indrukwekkend en huiveringwekkend demonstreert Sjalamov dat in het verhaal 'Het complot der juristen’, waarin doodsverwachting en de kansen op een beter bestaan, ja de mogelijkheid zelfs van een bevrijding uit de helse terreur, van uur tot uur wisselen en uiteindelijk afhankelijk blijken van een oude vriendschap tussen twee gewezen rechtenstudenten, van wie de een in Kolyma is terechtgekomen en de ander als president van een rechtbank door het leven gaat. Het gevolg is vervolgens wel dat de kampkapitein die vrijelijk over ieders lot kon beslissen, nu zelf het onderspit delft.
TOCH BELET dat alles Sjalamov niet om over deze noordelijkste zone van naaldwouden die taiga heet, in bijna lyrisch bewoordingen te schrijven, zozeer moet hij tenslotte vergroeid zijn geraakt met dit weerbarstige landschap. In het eerste verhaal van de bundel, 'Een “makkie”’, schrijft hij verrukt over de bergen die op 'suikerbroden’ lijken, de honingrijke geur van de bergroos, het 'lentezwijgen van de vogels’ en de blijheid waarmee de keer op keer van kleur veranderende ranken van het lariksbos geassocieerd kunnen worden. De sfeer die hij oproept, lijkt paradijselijk. Liefdevol heeft hij het over het eeuwig groene cedertje, de stlanik, een weervoorspeller die onberispelijk de winter aankondigt door zijn zwarte stam plat voorover op de aarde te leggen om zich eind maart, begin april, wanneer 'de lucht nog winters ijl en droog was’, opnieuw op te richten en de lente aan te kondigen. In 'De eerste tand’ lijkt de sneeuw bijna champagne geworden omdat 'die zo plezierig in je mond wegsmolt en de uitgedroogde monden met haar tintelende frisheid heel even kon bekoelen’. Het is precies deze op onverwachte momenten steeds weer terugkerende poëtische toon die aan de verhalen zo'n uitzonderlijk vitaal karakter geeft.
STEUN ZOEKEN bij anderen is zinloos, zo leert Sjalamov al snel. Een ervaring overigens die ook de gevangenen uit de Duitse concentratiekampen opdeden - lees er Primo Levi, Tadeusz Borowski of Imre Kertész maar op na, schrijvers die net als Sjalamov verslag doen over het leven onder extreme omstandigheden. Voor jezelf opkomen is levensvoorwaarde. Wie dat ontkende of vergat, ging heel snel voor de bijl.
Daar staat tegenover dat de overlevenden aan een bijna volledige verwording ten prooi vielen. Gevoelens van liefde, vriendschap, naastenliefde en barmhartigheid verdwenen als sneeuw voor de zon. De spraak van elke gedetineerde veranderde binnen de kortst mogelijke tijd in een scheldwoordenvocabulaire en waar er nog iets te zeggen viel, paste de taal zich moeiteloos aan bij het geestdodende dagritme van de arbeid: 'Opstaan, vertrek naar het werk, middageten, eind van het werk, naar bed, meneer de chef, mag ik wat zeggen, schop, schacht, tot uw orders, strafbarak, houweel, ’t is koud buiten, regen, de soep is heet, brood rantsoen, geef mij dat peukje, een twintigtal woorden was alles wat ik de eerste jaren nodig had.’ Verlies van de taal, degeneratie van gevoelens en normverschuiving verliepen langs parallelle lijnen, maar maakten wel ruimte voor het instinct om als een dier de dag af te zoeken op overlevingskansen.
Sjalamov heeft, zoveel is achteraf duidelijk, Kolyma nooit overleefd. Wel werd hij in 1951 een vrij man. (Het duurde daarna overigens nog twee jaar voordat hij het gebied daadwerkelijk kon verlaten.) Ondanks het verbod om zich in een grote stad te vestigen, reist hij naar zijn vrouw in Moskou. Die terugkeer beschrijft hij in 'De trein’. Maar als zijn dochter weigert om met een volksvijand onder één dak te wonen, moet zij een keuze maken en volgt een volgende verbanning.
Hij vertrekt naar het honderd kilometer verderop gelegen Kalinin en sluit zich voorgoed op in zijn schrijverschap om zijn ontberingen opnieuw te beleven, maar nu in taal. Heel zijn verdere leven komt in het teken van zijn kampverleden te staan, zijn enige bezigheid bestaat nog uit schrijven over de Goelag - gedichten, toneel en proza. Dat hij in 1956 volledig gerehabiliteerd wordt, dat hij terug mag naar de hoofdstad, dat zijn werk in eigen land in samizdat-uitgaven de aandacht trekt en in het buitenland in vertaling verschijnt, het moeten voor Sjalamov bijkomstigheden zijn geweest. Wat telde was zijn obsessie om vast te leggen wat hij had doorgemaakt. Leeg geschreven, doodop, doof en blind sterft hij op 17 januari 1982 in de kale cel van een psychiatrische inrichting.
DE ERVARINGSGROND die Sjalamov het materiaal verschafte voor zijn Kolyma-verhalen is hiermee in grote lijnen in kaart gebracht. De Arbeiderspers introduceerde in 1982 een klein deel daarvan onder de titel Kolyma: Verhalen uit de Goelag Archipel, een bundel die indertijd nauwelijks de aandacht trok en vrijwel identiek is aan de nu verschenen Verhalen uit Kolyma.
In deze bijna intrigeloze schetsen past Sjalamov er wel voor op om wat hij te zeggen heeft te laten verzinken in grote thema’s als onderdrukking, lijden, of machtswellust. Hij demonstreert op een veel substantiëler niveau hoe vliesdun het laagje is dat beschaving heet en wel door zich te houden aan wat hij heeft gezien en ondergaan. In bijna elk verhaal maakt hij een literair proces-verbaal op van de mens aan de rand van het menselijke, onder omstandigheden waarin zijn ziel bijna totaal bevroren lijkt en het is alsof alleen wrok hem nog aan het leven bindt.
Sjalamov noemt zijn vorm van schrijven uitdrukkelijk 'proza van de ervaring’. Die ervaring behelst een akelig actuele: de vernietiging van de mens door de staat. Een kwaad dat volgens hem kan gedijen omdat de mens zich uiteindelijk slechts in één opzicht van het dier onderscheidt, namelijk in zijn gehechtheid aan het leven. 'Die fysieke gehechtheid waaraan zijn bewustzijn ondergeschikt is, redt hem’, staat er in 'De slangenbezweerder’, maar verleidt hem ook tot het gruwelijkste. En tot dat gruwelijkste behoren onder meer de werkkampen.
VERHALEN OVER Kolyma is voor Sjalamov allereerst vertellen over de lotgevallen van al die individuen die hem onder de huid zijn gaan zitten. 'Hoe verder de gebeurtenissen zich in de tijd verwijderen, des te gedetailleerder en levensechter wordt de verzonnen waarheid’, schreef Primo Levi, auteur van het al even aangrijpende Is dit een mens met kampervaringen uit Auschwitz. De zin lijkt Sjalamov op het lijf geschreven. Een voor een roept hij ze op uit de kille mist van zijn Siberische verleden: de onbekende die naast hem op de brits komt liggen en hem zo wat schamele warmte geeft; Glebov, die meehelpt een lijk opgraven om aan ondergoed te komen; Fedja Sjtsjapov, die om het illegaal slachten van het enige schaap dat hij bezat tien jaar strafkamp kreeg; Ivan Ivanovitsj, die in de zomermaanden een huismiddeltje tegen luizen had: iedere nacht het ondergoed begraven, hemd en broek apart - ’s ochtends zaten dan alle luizen op de uitstekende puntjes van de kleren en konden ze verbrand worden.
Er is Goloebjev, die een appendicitis voorwendt om aan de dood te ontsnappen maar na zijn operatie in de ziekenboeg alsnog met de dood wordt bedreigd door een beroepsmoordenaar, en filmscenarioschrijver Andrej Platonov, die alle criminelen - van wie het overgrote deel niet terugschrok voor een moord - op afstand weet te houden doordat hij zo prachtig de verhalen van Dumas en Conan Doyle weet na te vertellen. Toch zal hij niet overleven: 'Hij stierf zoals velen: hij zwaaide zijn houweel, struikelde en viel met zijn gezicht op de rotsen.’
Hij memoreert het zelfgemaakt benzinelampje dat nog voor enig licht in deze duisternis zorgt, en herinnert zich het op een vuilnishoop gevonden tekenschrift van een kind, 'door de vorst broos geworden papier, glanzend berijpte en koude, naieve bladzijden’, die melancholie oproepen om de verloren gegane kindertijd. En er is oneindig veel meer.
Varlam Sjalamov lezen is een verpletterende ervaring. Hij is een even authentiek als magnifiek verteller, een schrijver van groot formaat. Hij is krachtig in zijn woordkeus, evocatief, onderkoeld lyrisch, een aanklager met een fenomenaal geheugen voor details en bij vlagen verbeten. In zijn requisitoir gaan hart en ziel samen, zijn aanklacht loopt nergens uit op zelfbeklag.
Het wachten is op een complete uitgave van dit fenomenale werk.