Niet alles moet maar kunnen

De christelijke draai naar rechts

Als brede volkspartij balanceerde het CDA van oudsher tussen zijn linker- en rechtervleugel. Een ruk naar rechts tekent zich nu af. Opvallend genoeg blijven tegengeluiden uit.

Weinig andere politici spreken met zoveel zichtbare afschuw over ‘linkse partijen’ als cda-leider Sybrand Buma. ‘Linkse partijen’, dat betekent in zijn ogen: rampen en ellende. In de verkiezingscampagne reageerde hij vijandig op elke politicus links van hem, ook toen Jesse Klaver hem vroeg naar zijn oordeel over haatdragende verwensingen die mensen van allochtone afkomst naar het hoofd geslingerd krijgen. In een van de tv-debatten legde de GroenLinks-leider, wiens vader uit Marokko komt, Buma een eigen ervaring voor. Hij kan veel haatmail langs zich laten afglijden, zei hij, maar deze blijft moeilijk te verdragen: ‘Ik stem niet op jou, want je bent een Marokkaan. Rot op naar je eigen land.’ Waarom hoorde hij Buma niet over discriminerende opmerkingen als deze, wilde Klaver weten. Diens reactie was slechts: ‘Dit is de fout die linkse partijen altijd maken. Degene die de problemen aan de orde stelt wegzetten.’

Medium hh 13050149
Den Haag, 22 mei 2012. Sybrand Buma, Jan-Peter Balkenende, Ruud Lubbers, Piet de Jong en Dries van Agt vlak voor de presentatie van de ‘Canon van de christen-democratie’ © David van Dam / HH

Wat zei Buma hier nu eigenlijk? Kennelijk was Klavers vraag in zijn ogen tekenend voor de onwil die links zou hebben om ‘problemen’ te onderkennen, in dit geval die met immigratie of met Marokkanen. Zijn antwoord deed denken aan de ontwijkende manoeuvres waartoe zijn partijgenote Sabine Uitslag tijdens de Provinciale-Statenverkiezingen van maart 2011 haar toevlucht nam. Haar werd een oordeel gevraagd over een uitspraak van pvv’er Fleur Agema: ‘De mensen in Zandvoort worden ’s zomers helemaal gek van die Marokkaanse rotjongens op het strand.’ Uitslag draaide er omheen en beperkte haar reactie tot drie keer toe tot de opmerking dat zij het zó niet gezegd zou hebben. Geen afkeurend woord kwam haar over de lippen.

In de verkiezingscampagne presenteerde Buma het cda als een rechts-nationalistische partij met een nogal duister beeld van de toestand van het land. Nederland is volgens hem ‘niet het land dat we aan onze kinderen willen doorgeven’. Het zou in een ‘morele crisis’ verkeren, niet in de laatste plaats door de immigratie uit islamitische landen. In een interview met het Nederlands Dagblad zei hij dat de immigratie het ‘Nederlandse waarden- en normenpatroon’ bedreigt. ‘Er zijn veel migranten die niet inhaken op ons waarden- en normenpatroon, maar wel op welvaart en het leven hier’, vervolgde hij. ‘We kunnen niet zeggen: iedereen kan binnenkomen en alles blijft zoals het is.’ Al eerder pleitte hij voor ‘gezonde vaderlandsliefde’, om de ‘dominantie van de joods-christelijke cultuur’ in stand te kunnen houden. In zijn campagne vereenzelvigde hij symbolen van de Nederlandse identiteit, zoals de vlag, het volkslied en het koningshuis, met die identiteit zelf, wat zijn betoog eerder kleinburgerlijk dan historisch doordacht maakte.

In de dominante politieke controverse van deze tijd, nationalistisch versus internationalistisch, kiest het cda meer en meer de eerste richting. Dat bleek ook uit het stemgedrag in het debat over het Oekraïne-verdrag. Als lid van de politieke familie die tot de grondleggers van het verenigd Europa behoort, stemde het cda altijd pro-Europees, maar nu keerde het zich tegen dat verdrag, wat in zijn politieke effect een anti-Europese actie is.

Wat opvalt is dat tegengeluiden uit eigen kring deze keer nagenoeg niet zijn op te tekenen. In 1995 wekte voorzitter Hans Helgers onder partijgenoten nog flink wat gemor toen hij sentimenten tegen buitenlanders tot de zijne maakte, met de uitspraak dat het cda zich vaker moest uitlaten over de thema’s ‘die op verjaardagen worden besproken’.

Zoals alle grote volkspartijen was het cda vanaf zijn oprichting in 1980 een in zichzelf verdeeld huis, met zowel een christelijk-sociale als een cultureel-conservatieve vleugel en allerlei mengvormen van beide. Het cda besturen was een vorm van evenwichtskunst, waarbij het soms aankwam op corrigerende bewegingen vanuit de eigen gelederen. In Helgers’ tijd roerden de tegenkrachten in de partij zich vanwege de ruk naar rechts die het cda onder lijsttrekker Elco Brinkman had gemaakt. Met zijn pleidooi voor extra bezuinigingen, lagere lasten, een bevriezing van het minimumloon en een inperking van de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid streefde Brinkman een kleinere overheid en een kleinere verzorgingsstaat na. Na zijn nederlaag bij de verkiezingen van 1994 concludeerde de partijcommissie-Gardeniers dat Brinkmans ‘eenzijdig harde toon’ afbreuk had gedaan aan het sociale profiel van het cda.

Hoewel het cda zich anno 2017 sociaal profileert door zich in te zetten voor meer vaste arbeidscontracten treedt Buma met zijn riedel ‘een kleinere overheid, lagere lasten, geen nivellering’ in de voetsporen van Brinkman. In een tv-debat hield Klaver hem voor dat mensen die meer dan een ton verdienen, ‘bijvoorbeeld een bankdirecteur’, er in het cda-programma jaarlijks meer op vooruit gaan (1 procent versus 0,1) dan mensen met een laag inkomen, ‘een postbezorger of iemand die in de thuiszorg werkt’. Buma reageerde slechts met een hernieuwde aanval op de hogere milieubelastingen die GroenLinks wil heffen. ‘We moeten toch ook kunnen blijven eten’, monkelde hij eerder al eens over nieuwe milieumaatregelen in de agrarische sector.

Anders dan ten tijde van Brinkman roept Buma’s inzet voor een kleinere overheid en een kleinere verzorgingsstaat nu nagenoeg geen tegenreactie in het cda op. De linkervleugel lijkt verstomd. Vanwege het allegaartje dat die partij was vergeleek Volkskrant-journalist Henri Faas de Christelijk-Historische Unie (chu), een van de partijen die in 1980 in het cda zijn opgegaan, ooit met ‘tutti frutti’, uiteraard wel minus de ‘verboden vruchten’. Als volkspartij was het cda ook zo’n mengelmoes. Nu is de partij eenzijdiger van karakter. Sociaal-economisch rechts, cultureel-conservatief, nationalistisch.

Ze is ook meer een partij van het platteland dan van de stad, nu de aanhang in de grotere steden is geminimaliseerd. Met dat plattelandskarakter lijkt het cda op de Christelijk-Historische Unie, althans op de chu die ‘freule’ Bob Wttewaall van Stoetwegen ooit schetste als de partij van buiten de Randstad: ‘De acties, al die dolle dingen, worden in de Randstad gevoerd. Voorbij Utrecht leef je in een compleet andere wereld. Vooral daar vindt de chu haar aanhang.’

Kuyper wist al dat ‘ge bij den chocoladeketel en water- en melkkaraf geen geslacht van kloeke calvinisten kweekt’

2002 en 2010 zijn de twee jaartallen die het proces markeren waarin het cda zowel sociaal-economisch als cultureel naar rechts bewoog. In 2002 profileerde Jan-Peter Balkenende zich als het fatsoenlijke alternatief voor Pim Fortuyn, wiens politieke boodschap over de ‘verweesde samenleving’ ook christen-democraten aansprak. Balkenende, in zijn jeugd in het Zeeuwse Kapelle opgevoed met Abraham Kuypers motto dat ‘ge bij den chocoladeketel en water- en melkkaraf geen geslacht van kloeke calvinisten kweekt’, zag in zijn beleid om de verzorgingsstaat in te perken ook een cultuurstrijd. Daarin moest een al te ontspannen arbeidsethos plaatsmaken voor de deugden van gemeenschapszin en ijver. In de vvd met haar prestatiemoraal zag Balkenende een betrouwbare bondgenoot, veel meer dan in de pvda, de partij die volgens hem als geen ander met de cultuur van de verzorgingsstaat was verbonden.

Net als Buma nu zei Balkenende dat de joods-christelijke traditie het ‘gemeenschappelijk fundament van de samenleving’ is en sprak hij de wens uit dat immigranten zich aanpassen aan ‘de Nederlandse cultuur’. Dat was in het cda toen zeker geen onomstreden uitspraak. ‘Helaas is er een nationalistisch trekje het cda binnengeslopen’, zei oudgediende Arie Oostlander over de wending die zijn partij nam. Dat idee van één, cultureel en religieus verwoorde identiteit van de natie is in strijd met het pluralistische ordeningsprincipe dat Oostlander, als directeur van het Wetenschappelijk Instituut, als ideologie voor de christen-democratie formuleerde. Hij deed dat in de jaren na de oprichting van het cda, op basis van zowel de katholieke als de gereformeerde leer.

Van Abraham Kuyper (1837-1920), de architect van de gereformeerde maatschappijvisie, nam hij de idee van de ‘soevereiniteit in eigen kring’ over. De achterliggende gedachte is dat de samenleving uit een geheel van nevengeschikte, gelijkwaardige ‘kringen’ bestaat, van klein, zoals een gezin, tot groot, zoals een maatschappelijke organisatie, een politieke partij of een bedrijf. Binnen de grenzen van de wet is elke kring autonoom in denken en doen. Voor de eigen, christelijke kring, zoals het cda zelf, mag dan de joods-christelijke traditie leidend zijn, dat geldt niet voor de samenleving als geheel, want wie voor zichzelf autonomie opeist moet de ander die ook gunnen. Gewetensvrijheid is in deze visie het leidende beginsel van de christen-democratie, niet de joods-christelijke traditie.

Daarom waarschuwde de gereformeerde intellectueel en cda’er Piet Hein Donner dat wie van de overheid zingeving verwacht gevaarlijk bezig is: ‘Niets is verlokkelijker dan om het Koninkrijk der Hemelen maar vast met macht hier te vestigen, maar dat heeft de staat vaak tot een hel gemaakt.’ Hij zei dat je de consensus van een samenleving moet zoeken in de erkenning van de verschillen, niet in de grootste gemene deler. Anders dreigt een totalitair systeem dat een publieke religie formuleert om andersdenkenden uit te sluiten. Op naam van Donners geestverwant Isaäc Diepenhorst staat de kortste en krachtigste formulering van dit inzicht: ‘God heeft helemaal niets met de staat bedoeld.’

Wellicht reageerde Sabine Uitslag destijds zo ontwijkend op de uithaal van pvv’er Agema naar Marokkaanse jongeren die het Zandvoortse strandplezier vergalden omdat het cda toen nog met de partij van Wilders regeerde. In 2010 koos het cda voor die coalitie, ten koste van grote verdeeldheid. De partijtop ging in eigen kring door roeien en ruiten om het verbond met de pvv tot stand te brengen, waarbij fractieleider Maxime Verhagen in de beslotenheid van het fractieberaad de intimidatie niet schuwde.

De keuze om in Rutte I regeringssamenwerking met Wilders aan te gaan is een ander markeringspunt van de draai naar rechts die het cda maakt. Na het stranden van de coalitie heeft Buma pertinent geweigerd zich te verantwoorden voor die keus, hoe hard cda’ers die van meet af aan niets in de samenwerking met de pvv zagen ook aandrongen. Eerder al, toen Rutte I er nog zat, riep hij die kritische partijgenoten op ‘te stoppen met klagen over de pvv’ en zich neer te leggen bij de meerderheid in het cda die het wel met Wilders zag zitten: ‘Sommigen blijven heel lang zeggen dat ze het er niet mee eens zijn.’

Ook nu sluit Buma samenwerking met de pvv vooral op praktische gronden uit. Zijn argument luidt steevast dat de pvv een onbetrouwbare partner is gebleken omdat zij in het voorjaar van 2012 met de coalitie brak. Over een ‘nee’ tegen de rechts-populisten op principiële gronden hoor je van hem niets, al moet gezegd dat Buma als enige fractievoorzitter Wilders volhardend de ‘hoe dan’-vraag bleef stellen over diens pleidooi voor een verbod op de koran.

Sybrand Buma, opgegroeid in een gegoede Friese familie, is politiek gevormd in de chu. Zeker in haar visie op de maatschappelijke ordening verschilde de Christelijk-Historische Unie nogal van de arp (Anti-Revolutionaire Partij) van Donner, Diepenhorst en Oostlander, een van de andere fusiepartners in het cda. De chu was burgerlijk conservatief, allesbehalve een club van scherpslijpers, eerder gematigd en irenisch, maar wel zonder twijfel over het ‘verbond’ dat God met het Nederlandse volk had. Daarom moest de kerk zich politiek uitspreken en had de staat de plicht die kerkelijke boodschap in het beleid toe te passen. Met de ‘soevereiniteit in eigen kring’ had de chu dus nooit zo veel op. Voor de chu gold juist het motto van theoloog Philippus Hoedemaker (1839-1910), een van haar intellectuele leidsmannen: ‘Heel de kerk, heel het volk.’

‘De chu is een typisch protestantse partij, ondogmatisch, zoekend naar harmonie, met een romantisch nationalistische geschiedenisopvatting, samen te vatten in de trits God, Nederland en Oranje’, zo karakteriseerden de chu-leden Eric Bleumink en Joeke Baarda hun partij in 1973. Ontstaan in 1908 als afsplitsing van de arp was de chu de facto de voortzetting van de negentiende-eeuwse conservatieven. Meer een ‘wijze van zijn’ dan een politieke partij, in de woorden van oud-chu’er Cees Veerman, anders dan de goed georganiseerde arp, de partij van de gereformeerde doordouwers.

‘Ik wil dat mensen die zich niet aan onze Nederlandse normen en waarden houden gewoon kunnen worden uitgezet’

‘Tegen de opgewonden figuren die de wereld willen verbeteren zeggen ze: doe gewoon. En dat doen ze dan zelf ook’, kenschetste Henri Faas de chu in zijn boek God, Nederland en de Franje. Hij schreef dat de unie het conservatisme in zijn zoetste vorm vertegenwoordigde: ‘Geen schreeuwende aanplakbiljetten, geen gezwaai van vuisten. Dolletjes allemaal, maar natuurlijk ook geen fantasie, geen vernieuwing.’

De chu zat er volgens Faas altijd een beetje voor de sier bij. ‘De unie gaat zo langs de zaken heen dat je soms het idee krijgt beduveld te worden.’ Een kop in het chu-weekblad over de verkiezingsuitslag was een hilarisch voorbeeld van de argeloosheid waarmee de chu soms in het politieke leven stond: ‘Merkwaardig oordeel der kiezers. Redelijk herstel voor de chu.’ Maar in haar maatschappijvisie was de chu wel uitgesproken, schreef Faas: ‘Zij wil geen christelijke appartementjes in een neutrale maatschappij. Zij wil de hele maatschappij doordesemd zien van het christendom.’

In Faas’ tijd behoorde het motto ‘Heel de kerk, heel het volk’ nog tot de folklore van de Nederlandse politiek, een streven dat niet veel kwaad kon op het geduldige papier van een partij zo gemoedelijk als de chu. Daardoor had het toen eerder iets kleinburgerlijks dan dat het andersdenkenden zorgen zou moeten baren. Dat is in deze tijd anders, nu het cda de immigratie tot een cultuurstrijd heeft geproblematiseerd.

In de grimmige gedaante van Buma’s ‘gezonde vaderlandsliefde’ fungeert het beroep op de joods-christelijke traditie als een maatstaf of je erbij hoort of niet. ‘Ik wil dat mensen die zich niet aan onze Nederlandse normen en waarden houden gewoon kunnen worden uitgezet’, liet hij zich in het slotdebat tussen de lijsttrekkers ontvallen. Hij zei dat weliswaar in the heat of the moment, geprikkeld door wat pesterige tegenwerpingen van d66’er Alexander Pechtold, maar dat neemt de dreigende lading van die uitspraak niet weg. Het woordje ‘gewoon’ duidt ook op een soort van verongelijktheid dat uitzetting op grond van strijdigheid met ‘Nederlandse normen en waarden’ nu nog niet kan.

Het artikel dat Buma met fractiegenoot Pieter Heerma over vaderlandsliefde schreef, in Christen Democratische Verkenningen, is een sleutelstuk om zijn denken beter te begrijpen. Zijn uitgangspunt is hoe de samenleving tegen ‘radicale ideeën’ kan worden beschermd, nu vluchtelingen uit islamitische landen in Nederland hun toevlucht zoeken. Hun ‘nadrukkelijk botsende waarden’ zijn volgens Buma des te problematischer omdat de immigranten ‘in bijzonder grote aantallen’ komen: ‘Helaas wordt de onder migranten ervaren noodzaak tot aanpassing aan de Nederlandse waarden kleiner naarmate de eigen groep groter is.’

In het artikel wordt duidelijk waarom Buma zo’n zwartgallig beeld van Nederland heeft en wat hij bedoelt met de ‘morele crisis’ waarin het land zou verkeren, het kernthema in zijn campagne. ‘Jaren van ongeremd cultuurrelativisme, gecombineerd met een liberale individualistische alles-moet-maar-kunnen-mentaliteit lijken hun tol te hebben geëist’, schrijft hij. ‘Slechts weinigen kunnen onderhand nog de waarden die aan onze cultuur ten grondslag liggen benoemen, laat staan overdragen.’

Hij beschrijft het cultuurrelativisme als een ‘almacht’ die de samenleving zelfs bevattelijk zou hebben gemaakt voor de haatboodschap van IS. ‘De vraag die zich opdringt is of we wel voldoende weerstand kunnen bieden aan het indoctrinerende wereldbeeld dat vanuit organisaties als IS op agressieve wijze in delen van onze samenleving wordt geïnjecteerd.’ Hij concludeert: ‘Eigenlijk moet alles maar kunnen. Dat wordt ook nieuwkomers meegegeven als ze zich in Nederland vestigen.’

Buma ziet het als een taak van het onderwijs om de ‘gezonde vaderlandsliefde’ over te dragen. De consequentie is dat politiek Den Haag in het onderwijscurriculum gaat bepalen wat vaderlandsliefde is en bij implicatie ook wat als onvaderlandslievend moet worden aangemerkt. ‘Een historische breuk in het christen-democratische denken’, concludeerde politiek commentator Hans Goslinga, niet zonder reden. Buma’s pleidooi staat haaks op het christen-democratische ordeningsbeginsel van soevereiniteit in eigen kring en op het rechtsstatelijke principe dat daaruit voortvloeit: de overheid kan wel normen opleggen, maar bepaalt niet welke waarden burgers erop nahouden.

Op een discussieforum over de Nederlandse rechtsstaat formuleerde Maarten Stremler, docent aan de Universiteit van Tilburg, dat inzicht onlangs zo: ‘De rechtsstaat berust op een scheiding van recht en moraal. Het recht vereist overeenstemming van ons uiterlijke handelen met de wet, niet ook onze innerlijke instemming met achterliggende waarden.’ Want, vervolgde hij, een overheid die mensen verplicht er bepaalde opvattingen op na te houden maakt inbreuk op hun vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en meningsuiting.

Met Buma’s overwinning is de chu terug, groter dan ooit, maar dat wil nog niet per se zeggen dat de christen-democratie terug is.