Lezingenserie: Wat ging er mis? (1)

De christenen in Nederland

Nederlandse chris tenen moeten niet zeuren over hun droevige lot. Met joden, moslims en humanisten moeten ze zich bezinnen op de waar den en normen die aan hun continent ten grondslag liggen. Deel I in de lezingenreeks van De Groene: wat ging er mis? Anton C. Zijderveld, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit en lid van het CDA, opent de serie.

Voor de goede orde: ik ben sedert 1963 onkerkelijk en iets langer agnost. Daar ben ik niet blij mee of trots op, maar ik spreek het Luther na: hier sta ik, ik kan niet anders. Als iemand mij levensbeschouwelijk zou willen etiketteren, dan zou ik gelukkig zijn met het label «postcalvinist», en dat dan niet van de gereformeerde doch van de hervormde variant. Ik stam namelijk uit een Nederlands-hervormd onderwijzersgezin, waarin de ouders ondanks de verzuiling PvdA stemden.

Wat is een postcalvinist? Dat is iemand die niet meer in erfzonde, predestinatie en de paulinische verlossingsleer gelooft, maar daar psychisch wel een fikse tic van heeft overgehouden. Zo gruwt de postcalvinist van het adjectief «leuk» en het daarmee verbonden hedonisme. Feestjes en partijen zijn niet aan hem besteed, want er moet tenslotte in dit leven gewerkt worden, hard gewerkt. De postcalvinist wordt onrustig als hij niets omhanden heeft. Hij wordt voortgedreven door een niet-aflatend arbeidsethos. Aan een burn-out zal hij niet snel lijden. En hij gruwt van emotioneel gewroet in de ziel, en van gezeur over authenticiteit. Vooral de platte variant daarvan, die zich aandient als «lekker in je vel zitten», is hem een doorn in het oog. De postcalvinist heeft uit zijn protestantse opvoeding overgehouden dat emoties verraderlijk zijn, zomaar in hun tegendeel kunnen omslaan. In wezen is hij een rationalist.

Max Weber heeft het al gezegd: het calvinisme, en zijn uitloper het puritanisme, is door en door rationeel en in die zin een voorloper van de Verlichting. Die verre, vreemde, wreed predestinerende God van Calvijn zit niet in het gemoed, als het ware verankerd in de calvinistische ziel, maar huist tussen zijn oren. Er is niet veel voor nodig om dat dunne lijntje tussen de calvinist en die verre God door te knippen en alleen nog te koersen op de ratio tussen de oren. Dan ruil je Calvijn in voor Voltaire. Een kleine stap voor de rechtgeaarde calvinist. Katholieken daarentegen worden tegen God in bescherming genomen door een warme deken van bedwelmende riten en prachtige mythen, en bovenal door een hiërarchie van geestelijken die oploopt van de dorpspastoor tot de paus in Rome. En vergeet de armee van heiligen niet, die allemaal klaarstaan om de katholiek te helpen in zijn strijd tegen het kwaad.

Er is nog iets dat typisch postcalvinistisch is: de individualisering. Die begon niet met de babyboomers van 1968, maar bij Calvijn. Immers, deze gortdroge theoloog leerde dat tussen de oerzondige mens en de predestinerende God geen bemiddelende structuren waren — geen priesters of dominees die zonden konden vergeven, geen sacramenten die konden heiligen, geen kerkelijke hiërarchie en die morele steun verleenden. De calvinist staat er alleen voor en heeft weinig zicht op de God die hem heeft geschapen en hem misschien zal verdoemen. De postcalvinist deelt deze angstige nachtmerrie niet, maar is wel in wezen alleen — door en door individu, afkerig van gezelschap, laat staan van Gemeinschaft.

Wat ging er nou mis met de christenen in Nederland? Heel wat. Om te beginnen: de kerken — zowel katholiek als protestants — zijn niet in staat geweest postkatholieke en postcalvinistische mensen vast te houden, te blijven boeien, te blijven aanspreken. Wat dat aanspreken betreft, heb ik met velen ervaren dat de woorden die in de preek gesproken en in de liturgie gezongen werden, leeg zijn gelopen. Dat Jezus voor onze zonden aan het kruis gestorven en na drie dagen als overwinning op de dood opgestaan zou zijn, is een loze formule geworden, een leeg cliché. De katholieke kerk beging bovendien de grote fout de Latijnse mis in de landstaal te celebreren. Gewijde, mystieke woorden werden platte, alledaagse kreten, die hoogst ongeloofwaardig begonnen te klinken. Na de Tweede Wereldoorlog werden kinderen in het onderwijs massaal en relatief goed opgeleid. De religieuze taal van het christendom werd nu ineens doordacht, werd reflexief en liep vervolgens leeg als een doorgeprikte ballon. Ik herinner me nog goed hoe ik als tiener op een doordeweekse dag de gezangenbundel van de Nederlandse Hervormde Kerk ter hand nam en er close reading op losliet. Ineens las ik zinnen die ik daarvoor gedachteloos in zondagse kerkdiensten had meegezongen. De woorden liepen leeg. Ze zeiden me niets. Daarna ging ik reflexief luisteren naar de zondagse preken, en dat leverde hetzelfde resultaat op: wat eerst bedwelmende mantra’s waren, werden nu lege formules. Wat er misging met de christenen in Nederland? Hun religieuze taal is leeggelopen, is inflatoir geworden.

Dit leeglopen van de taal liep sociologisch gezien parallel aan het leeglopen van de levensbeschouwelijke zuilen. Tot aan de jaren zestig van de vorige eeuw werden wij burgers opgedeeld in drie confessionele en twee humanistische zuilen. Onze maatschappelijke en culturele organisaties waren katholiek, orthodox-protestants en liberaal-protestants, en hoewel de humanisten tegen verzuiling waren, ontkwamen ze er niet aan zelf ook organisaties op humanistische grondslag te funderen: de sociaal-democratische en de liberale. Via de confessionele zuilen behield het rooms-katholieke en het protestantse christendom een stevige greep op de burgers in hun organisaties, die vaak stichtingen waren. Het christendom had dankzij de verzuiling macht. Het was een factor van belang, die maatschappelijk, cultureel, politiek en — zij het minder — economisch niet weg te denken was.

In de jaren zestig en daarna gebeurde er iets merkwaardigs. Structureel bleven de zuilen overeind staan. Zelfs nu kennen we nog steeds naast de FNV een CNV, en heeft het NCW een status aparte naast het VNO. In de wereld van de media zijn er de kro, ncrv en EO, ook is er een Reformatorisch Dagblad. In de universitaire wereld bestaan nog steeds verzuilde instellingen, zoals de gereformeerde Vrije Universiteit en de twee katholieke universiteiten, respectievelijk in Nijmegen en Tilburg. Het basis- en voortgezet onderwijs kent katholieke en protestantse varianten, en dat geldt ook voor ziekenhuizen, verpleeghuizen en bejaardenoorden. In de politiek is de structurele verzuiling nog steeds merkbaar in partijen als het CDA, de ChristenUnie en de SGP. In de sectoren van de vrije tijd en de sport is deze structurele verzuiling minder hardnekkig, maar ook daar is zij nog steeds niet geheel verdwenen.

De echte ontzuiling is ideologisch geweest. Zoals met de theologische taal is gebeurd, zijn de zuilen ideologisch leeggelopen, of beter wellicht: verdampt. Je ziet dat in het onderwijs, waar de confessionele signatuur vervaagd is tot een soort bedrijfscultuur. De stijl van besturen en van omgaan met elkaar is op de Amsterdamse Vrije Universiteit anders dan op de Universiteit van Amsterdam. De bedrijfsculturen van Nijmegen en Tilburg lijken op elkaar, maar zijn anders dan de organisatiecultuur van de progressief-liberale Erasmus Universiteit Rotterdam. Inderdaad, Tilburg en Nijmegen zijn postkatholiek, de Vrije Universiteit is postcalvinistisch.

Op politiek gebied is het CDA natuurlijk een goed voorbeeld van deze ideologische ontzuiling. Voortgekomen uit kvp, arp en CHU is het CDA steeds meer een postkatholieke en postcalvinistische partij geworden, waarin moderne agnosten zich thuis kunnen voelen. Om lid te worden teken je geen geloofsbelijdenis, zoals bij de ChristenUnie en de SGP het geval is, maar onderschrijf je het partijprogramma.

Nodeloos hieraan toe te voegen dat deze vervaging van de oorspronkelijke zuilensignatuur — deze ingrijpende ideologische ontzuiling — een verzwakking is van het Nederlandse christendom. Het staat overigens in schril contrast tot de schoorvoetend op gang gekomen islamitische verzuiling, die — net als destijds de christelijke verzuiling — begonnen is met de basisschool, en inmiddels verdergaat in het voortgezet en hoger onderwijs. Als de taal en de ideologie van de islam niet ook leeglopen, wat in de komende generaties wellicht zal gebeuren, dan mogen we aannemen dat er een politieke partij en enkele zorgorganisaties op islamitische grondslag zullen ontstaan. Zoals het er nu voorstaat, moet je concluderen dat het christendom in termen van verzuiling ernstig verzwakt is, terwijl de islam op dit punt juist sterker wordt.

Er ging meer mis met het christendom in Nederland. Vooral de verzorgingsstaat gooide roet in het confessionele eten van ons land. Het was een mooi ideaal dat we na de verwoestende Tweede Wereldoorlog hard nodig hadden: het ideaal van de sociaal rechtvaardige, verzorgende staat die finan cieel en politiek zou rusten op solidariteit. Niet alleen de socialisten, ook de meeste christenen konden zich in dit ideaal vinden. Veel christenen keerden zelfs de confessionele partijen de rug toe en sloten zich aan bij de nieuwe sociaal-democratische volkspartij, de PvdA. In de coalitieregeringen van sociaal-democraten en confessionelen (vooral onder hen de katholieken van de KVP) werd vanaf de jaren vijftig de verzorgingsstaat opgetuigd. En dat deden we in ons land behoorlijk radicaal. Wat met de AOW begon, werd al snel een gigantisch bouwwerk van almaar uitdijende ministeries die de samenleving onderwierpen aan een niet aflatende stroom van beleid. Dit was geen etatistisch socialisme, maar een antwoord op de roep om verzorging vanuit de samenleving. De belastingdruk, uiteraard gebaseerd op een progressief systeem, nam gestaag toe en met de inkomsten daarvan moest de overheid, vooral de rijksoverheid in Den Haag, rijkelijk subsidies toebedelen aan de vele, vaak verzuilde organisaties in het «maatschappelijk middenveld». Wat begon als een basis van een beschaafd bestaan, waaronder niemand zou mogen zinken, dijde allengs uit tot een plafond van aspiraties naar welzijn en geluk. De rijksoverheid moest deze aspiraties verwerkelijken.

Al dat beleid moest door ambtenaren gemaakt worden, en al die subsidies moesten gecontroleerd worden. Wie betaalt, bepaalt, en dus nam de macht van de ministeries en de ambtenaren toe. Het leidde tot een overvloedige regelgeving en bureaucratisering van zowel het maatschappelijk middenveld als de markt, wat natuurlijk de vitaliteit van beide niet ten goede kwam. Maar wat wellicht ernstiger was, het leidde tot afhankelijkheid van de burgers van de overheid. Waar gelovige burgers vroeger lijdzaam achter de kerk aan liepen, volgden ze nu lijdzaam de rijksoverheid in de vorm van de verzorgingsstaat. De burgers leefden steeds meer volgens het postchristelijke adagium: «Ieder voor zich en de verzorgende staat voor ons allen.» Wat cru uitgedrukt: God werd ingeruild voor de verzorgende staat. Het Franse woord voor verzorgingsstaat is treffend: état providence — de staat als voorzienigheid!

Onderwijs en zorg bleven wat uitvoering betreft wel in handen van de (structureel vaak verzuilde) organisaties in het maatschappelijk middenveld, maar de bureaucratisering drong steeds verder door in de haarvaten van deze organisaties. Bovendien vond er in deze organisaties professionalisering plaats. Verpleegsters en verplegers werden relatief hoogopgeleide verpleegkundigen; onderwijzers en onderwijzeressen werden leraren en leraressen met een van kweekschool tot Pabo opgewaardeerde opleiding achter de rug. Deze professionals, solide georganiseerd in belangenverenigingen, hadden al snel door dat hun macht niet van de stichtingsbesturen maar van de staat, vooral de rijksoverheid afhankelijk was. Deze professionals in de zorg en het onderwijs drongen vervolgens de geestelijken en de vrijwilligers opzij. Onderwijzende nonnen en fraters werden museale figuren en zijn inmiddels verdwenen, terwijl de welzijnswerkers ervoor hebben gezorgd dat diaconie en vrijwilligerswerk op het brede gebied van de zorg overbodig werden.

Liefdadigheid, charitas — voorheen het prerogatief van de christenen — werd een moreel beladen begrip en laatdunkend afgedaan als het aandragen van een pannetje soep. De kerkelijke diaconie en de persoonlijke, informele steun aan hulpbehoevenden werden grotendeels vervangen of opgeslurpt door de structurele (en dus verstatelijkte, bureaucratische) hulp en zorg, die door de professionals van de verzorgingsstaat werden gerealiseerd. Hulpbehoevenden werden niet langer individueel en persoonlijk geholpen, maar als nummers in een systeem geregistreerd en als cliënten van dit systeem behandeld. Bij dit alles heb je het christendom en de christelijke inspiratie niet meer nodig.

Intussen hebben we ontdekt dat die ideologische ontzuiling een wat troosteloos karakter aan onze cultuur heeft gegeven. We willen en kunnen niet terugkeren naar de verzuilde waarden en normen van vóór 1960, maar waar het om de opvoeding van onze kinderen en kleinkinderen gaat, zijn velen van ons wat onthand, want we weten niet goed meer welke waarden en normen we daarbij kunnen hanteren. Trouwens ook als volwassenen onder elkaar beseffen we steeds meer dat we weliswaar niet zonder waarden en normen op een beschaafde manier met elkaar kunnen leven, maar dat het vervolgens verdraaid moeilijk is die waarden en normen te benoemen. Kennelijk is er iets misgegaan met de ideologische ontzuiling die nog enkele decennia terug de christenen zo parten heeft gespeeld.

Sedert de jaren tachtig van de vorige eeuw is ook de omvattende verzorgingsstaat niet meer wat hij was. Decentralisatie, deconcentratie, verzelfstandiging, privatisering, marktwerking — het zijn even zovele begrippen die aangeven dat we de verzorgingsstaat hebben getransformeerd tot iets wat meer lijkt op de nachtwakersstaat van de liberalen dan de albedil van de socialisten. Ook hier weer: er is iets misgegaan met de omvattende verzorgingsstaat die de christenen danig voor de voeten was gaan lopen.

Nu zou het al te simpel zijn om uit deze twee conclusies — dat er iets is misgegaan met de ontzuiling en met de verzorgende staat — de derde conclusie te trekken dat het dan weer goed zal komen met het christendom en specifieker met de kerken in ons land. In een appendix tot zijn interessante essay «Towards a Definition of Culture» dat hij na de Tweede Wereldoorlog publiceerde, schrijft de Amerikaans-Britse dichter T.S. Eliot over de eenheid van de Europese cultuur. Net als nu waren er in de late jaren veertig tal van lieden die niet in het bestaan van een Europese cultuur geloofden of wilden geloven. Die zou niet bestaan, was ook toen al een idée reçue. Eliot weigert dat te accepteren en zoekt naar het hart van Europa, dat aan dit tragische, altoos verscheurde werelddeel een culturele eenheid zou verlenen. Dat kan niet één taal zijn, want anders dan Amerika wordt Europa juist gekenmerkt door een veelvoud van talen, die ieder hun eigen geschiedenis hebben en die ook nationale en regionale identiteiten herbergen. Natuurlijk kan deze culturele eenheid van Europa ook niet door één natie gerealiseerd worden. Daar hebben dictatoriale systemen wel van gedroomd, maar ze hebben hun droom van dominantie nooit kunnen realiseren. Eliot is van mening dat Europa’s culturele eenheid uiteindelijk in het christendom is gefundeerd: «Het is tegen de achtergrond van het christendom dat ons denken betekenis krijgt. Een individuele Europeaan kan weliswaar weigeren te geloven dat het christelijke geloof waar is, toch zal alles wat hij zegt en maakt en doet voortspruiten uit zijn erfenis van de christelijke cultuur en voor de zin ervan afhankelijk zijn van die cultuur. Alleen een christelijke cultuur heeft een Voltaire of een Nietzsche voort kunnen brengen. Ik geloof niet dat de cultuur van Europa de volledige verdwijning van het christelijke geloof zou kunnen overleven. (…) Als het christendom verdwijnt, zal onze hele cultuur verdwijnen. Dan zullen we op moeizame wijze helemaal opnieuw moeten beginnen, want je kunt niet een kant-en-klare nieuwe cultuur installeren.»

De Pavlov-reactie is voorspelbaar: Eliot is eurocentrisch en zet het christendom op een historisch voetstuk dat het gezien de geschiedenis van Europa en de Europese kerken niet verdient. Maar in deze reactie treffen we meteen weer iets aan wat met de christenen, zeker in ons land, is misgegaan: de weg-met-ons-houding, die een geseculariseerde, zij het misplaatste vorm van zondebesef en boetedoening is. Het is niet alleen een goedkope, maar ook een bedrieglijke reactie. Wat Europa zeker ten opzichte van de Derde Wereld moet doen, is niet een goedkoop geroep van mea culpa, mea maxima culpa, maar het aangaan van een serieuze dialoog. Alleen wanneer Europa een culturele identiteit heeft, kan het in een dergelijke dialoog met de landen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika treden. Heeft ze geen culturele identiteit — dat wil zeggen: een herkenbare smoel en een eigen taal — dan kan ze de anderen alleen in termen van politiek (macht) en economie (geld), dat wil dus zeggen: imperialistisch, tegemoet treden. En waarover moet die dialoog gaan? Over van alles, maar bovenal over individuele en collectieve mensenrechten.

Hetzelfde geldt voor de etnische culturen die sedert enkele decennia steeds prominenter binnen Europa aanwezig zijn. De islam bijvoorbeeld ziet Europa net als Eliot ten diepste als een christelijk werelddeel — niet als een katholiek of protestants, maar als een cultuurchristelijk werelddeel. Dat wil zeggen: als een werelddeel dat niet christelijk is in de zin van dominante christelijke kerken, maar in de zin van bepaalde waarden en normen, hoe algemeen en vaag die ook zijn. De idee dat de mens een individu is, dat niet zomaar opgaat in een collectief maar ten opzichte van zijn omgeving verantwoordelijkheid draagt en daarop ook aanspreekbaar is, is ten diepste een bijbelse gedachte. Het humanisme heeft deze gedachte verder uitgewerkt in de inrichting van de (individuele!) mensenrechten. Maar zoals bij de grondleggers van het Europese humanisme, Erasmus en Thomas More, duidelijk was, is het Europese humanisme buiten het jodendom en het christendom (Oude en Nieuwe Testament) ondenkbaar.

Eliot liet ten onrechte het jodendom buiten beschouwing. Op dit punt plaats ik een kritische kanttekening bij zijn theorie. Hij heeft het alleen over het christendom van het Nieuwe Testament en laat het jodendom van de Tenach of het Oude Testament buiten beschouwing. Ik vind dat een fatale (overigens typisch katholieke) omissie. Het christendom is ondenkbaar en ook onbegrijpelijk zonder het jodendom, dat van de drie monotheïstische godsdiensten het eerstgeboorterecht bezit. Afgezien van het simpele feit dat Jezus van Nazareth geen christen maar jood was, kunnen de sefardische en ashkenazische tradities, als we het over de kern van de Europese cultuur hebben, onmogelijk buiten beschouwing blijven. Dat geldt, zij het in mindere mate, ook voor de jongste loot aan de monotheïstische boom, de islam. Vooral via Spanje heeft de islam al in de Middeleeuwen zijn stempel op de Europese cultuur gedrukt. De moorse jurist, arts en wijsgeer Averroës (1126-1198) bijvoorbeeld heeft via de Latijnse en Hebreeuwse (!) vertalingen van zijn werk een enorme invloed op de Europese cultuur uitgeoefend — veel meer overigens dan op de islamitische, Arabische wereld. Nodeloos hieraan toe te voegen dat Eliot ten onrechte ook de grote invloed van de antieken verwaarloosde. De Europese cultuur en daarbinnen vooral het humanisme is ondenkbaar zonder de invloeden van Plato, Aristoteles en de drie grote tragediedichters Aeschylus, Sophocles en Euripides.

Al met al ontstaat dus een complex beeld van de Europese cultuur: de antieke filosofie, de joodse theologie, de moors-islamitische filosofie en de wetenschap zijn er evenzeer onderdeel van als het christendom. In een wat forse greep vat ik dit samen onder twee nauw verwante noemers: humanisme en monotheïsme. Niet de oosterse godsdiensten, niet allerlei esoterische filosofieën, maar monotheïsme en humanisme vormen als het ware de culturele genen van de Europese cultuur. Wat ging er in dit opzicht mis met de christenen in Nederland? Vanuit een nogal goedkope mea culpa-mentaliteit zijn ze niet eens cultuurchristenen en gaan ze nauwelijks de dialoog met jodendom, islam en humanisme aan. Ze zijn het spoor bijster geraakt in enerzijds een overgeorganiseerde en gebureaucratiseerde «oecumenische beweging» en anderzijds een primitief soort ontwikkelingswerk. Moslims en joden zijn naar mijn mening de enigen die hen weer op het spoor kunnen zetten.

En hoe zit het dan met die waarden en normen waarnaar we zoeken bij de opvoeding van onze kinderen en van elkaar? Die kunnen onmogelijk binnen een eng-christelijk kader gevonden en geformuleerd worden. Het is mijn stellige overtuiging dat we — echte christenen, cultuurchristenen, joden, moslims en humanisten — in een open, dwangvrije dialoog op zoek gaan naar de basiswaarden en normen die nodig zijn om een beschaafde, democratische samenleving, een civil society, in stand te houden. Daarbij moeten waarden als wederzijds respect, hoor en wederhoor, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, en basale mensenrechten opnieuw doordacht en van betekenisvolle inhouden voorzien worden. Als deze begrippen inflatoir worden en leeg lopen, is het met onze beschaving gedaan. Dat is dan erg voor Europa, het is ook erg voor de rest van de wereld.

Is deze laatste uitspraak een uiting van eurocentrisme? Ja, dat is ze. Dat komt omdat ik ondanks alles trots ben op dit werelddeel. Niet als politieke wereldmacht, niet als steeds sterker wordende economische macht, maar als een culturele eenheid die stoelt op jodendom, christendom, islam en met deze drie nauw verweven humanisme. Er is geen ander werelddeel dat deze rijkdom in zich verenigt.

Wat ging er mis met de christenen in Nederland? De vraag moet luiden: wat gaat er mis met de christenen in Nederland? Het antwoord is simpel. Nederlandse christenen, zowel de echte, de kerkelijke, als de nazaten, de postkatholieke en postcalvinistische cultuurchristenen, miezemuizen over hun droevige lot en verliezen zich in een loos mea culpa ten opzichte van de Derde Wereld. Met moslims, joden en humanisten zouden ze zich daarentegen moeten bezinnen op de fundamentele waarden en normen die aan hun continent ten grondslag liggen. Vervolgens zouden ze die gezamenlijk in opvoeding en onderwijs moeten overdragen op de volgende generaties, die hopelijk minder in schema’s denken en voelen dan de huidige generaties.