Waar blijft de Nederlandse Spike Lee?

De cineasten na Van Gogh

Tijdens de kerstdagen geven Nederlandse films het beeld van een zorgeloos land. Intussen schreeuwt de crisis rond de multiculturele samenleving om een Nederlandse Spike Lee.

Wie er nog aan twijfelt dat Nederland een crisis beleeft op het gebied van leiderschap hoeft alleen maar het artikel te lezen dat minis ter-president Jan Peter Balkenende onlangs in de Volkskrant publiceerde. Hierin kwam hij voor de zoveelste keer met zijn stokpaardje: de «Europese waarden en de betekenis daarvan voor onze toekomst». In het stuk, dat grossiert in gemeenplaatsen die een kind zou kunnen verzinnen, stelt de premier dat het idee van democratie slechts werkt als burgers zich medeverantwoordelijk voelen voor de samenleving en «trots zijn op de waarden en culturele rijkdom daarvan».

Steun krijgt Balkenende van zijn Duitse geestverwant, CDU-voorzitter Angela Merkel, die op een partijbijeenkomst de multiculturele droom op zo’n spontane wijze verpletterde dat het leek of zij slechts iets onder woorden bracht wat al lang werkelijkheid was. Haar speech liet zien dat het ideaal van een pluriforme samenleving sinds de moord op Theo van Gogh in Duitsland net als in Nederland onder grote druk staat. De oplopende spanning tussen verschillende bevolkingsgroepen is koren op de molen van politici als Merkel, die multiculturaliteit beschouwt als een mislukt experiment. In plaats hiervan stelt zij patriottisme voor, ouderwetse vaderlandsliefde van het soort waarvan de meeste Duitsers na de Tweede Wereldoorlog dachten dat ze dat niet meer mochten voelen, waar ze natuurlijk gelijk in hebben.

Vast staat dat zowel Merkel als Balkenende uit is op het heruitvinden van het begrip burgerschap in de bange tijden van oorlog, intolerantie en terrorisme. Opvallend is het gemak waarmee beiden een positief, eurocentrisch evangelie prediken, dat in feite hierop neerkomt: wees trots op je culturele afkomst. Het verbaast niet dat burgers in Nederland en Duitsland deze «inzichten» voor zoete koek slikken, juist in de weken na de moord op Van Gogh. Vooral in Nederland hunkert men naar houvast. Aan dissidente geluiden lijken de meesten nauwelijks behoefte te hebben. Dat leidt tot bevreemdende taferelen, bijvoorbeeld de cabaretier Javier Guzman die aangemoedigd door de briljante vraagstelling van Frits Barend bij Barend & Van Dorp tot zijn eigen afgrijzen ontdekt dat hij eigenlijk precies dezelfde boodschap brengt als Jan Peter Bal kenende.

Cabaretiers vormen traditioneel een tegenstem, en dat zal nu ook wel zo zijn. Maar opvallend aan De Moord als cultureel moment is de rol die film speelt: Van Gogh was in eerste instantie een cineast, die in zijn laatste jaren heeft gewerkt alsof zijn leven ervan afhing, alsof hij feilloos aanvoelde dat er na 11/9 maar één thema kan zijn, en dat is de multiculturele samenleving. Op televisie en in de bioscoop was dat evident. Behalve zijn eigen, snel gemaakte televisieserie Najib & Julia waren er mooie series als Dunya en Desie, Finals en Cut zomer, waarin de interactie tussen autochtone en allochtone leerlingen een realistisch beeld van de moderne maatschappij oplevert. Wegens het succes van deze series en als reactie op maatschappelijke ontwikkelingen heeft staatssecretaris Medy van der Laan in haar beleidsplan verschillende kunst- en cultuursectoren opgeroepen «iets te doen» met multiculturaliteit. Op het gebied van film resulteerde dat in een gezamenlijk project van het Nederlands Fonds voor de Film en het Stimuleringsfonds, waarbij achttien makers worden geselecteerd die uiteindelijk negen films van veertig minuten zullen maken waarin de multi culturele samenleving centraal staat. Deze werken zouden in de loop van 2006 klaar moeten zijn.

Dit lijkt een veelbelovend initiatief. Het project neemt de vorm aan van de zogeheten One Night Stand-televisiefilms, die dit jaar een paar juweeltjes hebben opgeleverd, die overigens niet over de multiculturele samenleving handelen. Maar wat gebeurt er in de tussentijd? Het is nog maar de vraag of de nieuwe One Night Stand-films werkelijk radicaal zullen zijn. In de wandelgangen spreekt men er zijn zorgen over uit dat er maar weinig allochtone regisseurs en scenaristen deelnemen aan het discours over multiculturaliteit. Deze angsten zijn niet geheel ongegrond. Net zoals Nederland op politiek gebied leiderloos is, is het land na de dood van Pim Fortuyn en nu ook Theo van Gogh op drift geraakt op het gebied van film en misschien van cultuur in het algemeen. Juist in deze tijd zou je kunnen vragen: waar is de leider die een koers aangeeft? Waar is de Spike Lee die de samenleving genadeloos fileert in geëngageerde meesterwerken over culturele identiteit als zijn racismefilm Bamboozled (2000)?

Het ziet er somber uit. Tekenend hiervoor was Albert ter Heerdt, regisseur van het recente Shouf Shouf Habibi!, die tijdens een openbaar debat over de moord op Van Gogh bekend maakte een vervolg op zijn multiculturele kaskraker uit te stellen. Hij zei dat hij «geen mes» in zijn rug wilde en dat het nu niet de tijd is voor een komedie, maar voor een «serieuze film met een genuanceerde kijk op de moderne samenleving». Met de Marokkanen wil hij wel communiceren, maar dan via een «Ken Loach-achtige» film.

Dat is een interessant punt. Waar Shouf Shouf aan mank gaat, is juist dat het werk echte tragedie bewust uit de weg lijkt te gaan terwijl het ook niet het niveau van satire haalt. De komedie in het verhaal is aardig en herkenbaar, maar net als in Dunya en Desie en Finals blijft het steken aan de oppervlakte. Het lachen wordt nergens pijnlijk of indringend. Daar door is de film niet radicaal, en dat is nu juist waar de tijdgeest om vraagt. Dat Nederland een kookpot van verschillende culturele identiteiten is, is inmiddels duidelijk. Maar voor alsnog blijft de cinematografische reactie hierop uit, of zij moet de gedaante aannemen van Ayaan Hirsi Ali’s Submission II, dat gezien het eerste deel dat zij samen met Van Gogh maakte een politiek pamflet zal zijn en géén film.

Is er dan geen echt cinematografische Hirsi Ali in Nederland? Regeert de angst? De rechts filosoof Paul Cliteur vraagt zich terecht af hoe groot het gevaar van de zelfcensuur is geworden. In een lezing getiteld Moeten academici zich uitspreken in maatschappelijke vraagstukken? wijst hij erop dat 48 procent van de Nederlanders de film Submission I «noodzakelijk» vond. Er bestaat dus in theorie behoefte aan maatschappelijk geëngageerde films. Maar, wil Cliteur weten, wie zal na de moord op Van Gogh nog bereid zijn zo’n noodzakelijke film te maken?

Inderdaad. Wie doorbreekt de stilte van de tegenstemmen en gaat tegen Balkenende en Merkel in, die onvoorwaardelijk de assimilatie eisen van mensen van buitenlandse afkomst door middel van wat zij vaag Europese normen en waarden noemen?

In ieder geval doet een academicus dat: Sandra Trienekens, die op vrijdag 17 december aan de Universiteit van Tilburg promoveert op een studie naar het begrip burgerschap. Volgens haar is het bestaan van een nationale cultuur een mythe. Het gaat om de vraag hoe de cultuur van migranten in de samenleving ingebed kan worden. Zij zegt in een interview met De Telegraaf: «De autochtone Nederlander denkt nog steeds vanuit de gedachte dat zijn normen en waarden de enige ware zijn, maar je kunt toch niet van een medelander verwachten dat hij of zij dertig jaar cultuur zomaar even opzij zet en zich aanpast aan de Nederlandse cultuur.» De redenering van Trienekens is sterk. Zij omvat datgene wat Balkenende en Merkel niet willen horen, en dat is het idee dat burgerschap zich net als identiteit en cultuur continu ontwikkelt en dat er derhalve geen sprake van kan zijn dat allochtonen zich op bijna magische wijze transformeren tot Europeanen van vijftig jaar geleden.

De cultuur van ouderwetse normen en waarden keert terug in de reeks Nederlandse familiefilms die sinds enkele jaren het Nederlandse filmlandschap overheerst. Wie naar deze films kijkt, waant zich op een andere planeet, waar alles koek en ei is. De ene Pietje Bell draait nog maar nauwelijks of Deel II staat al weer klaar, of een Kameleon-film, een Pluk van de Petteflet of een Erik of het klein insectenboek. En niet te vergeten dé topper met de kerst: de ridderfantasie Floris, compleet met geblondeerde en geairbrushte BNN-jongens en -meisjes op de affiche.

Al deze familiale joligheid is de Nederlandse filmliefhebbers van harte gegund. Toch blijft er een wansmaak in de mond achter vanwege het feit dat misschien wel de beste Nederlandse film van het jaar niet in grote bioscopen heeft mogen draaien: Cool van Theo van Gogh. Niet commercieel genoeg, luidde de verklaring van de exploitanten. Dat is nonsens, zoals Van Gogh ook al zei. Natuurlijk is zijn film voor een groot publiek. En als er al een Spike Lee-achtige, geëngageerde Nederlandse film bestaat, dan is het deze wel.

Met het accentueren van de talrijke vorm- en verhaaltechnische fouten in het werk, zoals de meeste filmrecensenten hebben gedaan, slaat men de plank totaal mis. Cool is radicaal: rauw en sexy. Politiek is het gewaagd. Het heeft iets dubieus doordat Van Gogh zich lijkt te identificeren met de Marokkanen-hater en rechercheur in de film, gespeeld door Thijs Römer. Maar het is een door en door democratische film, een werk dat gestalte geeft aan het «nieuwe Nederland», waarin burgerschap niet een kwestie is van retoriek over patriottisme of normen en waarden, maar een levend ding, een organisme dat zich voortdurend aanpast aan de eisen van de gemengde samenleving. Van Goghs portrettering van de Marokkaanse personages is liefdevol en eerlijk. Hij kruipt in hun huid, en dat máákt de film. Misschien was dit zijn strategie: om zijn eigen onzekerheid (angst?) over de Ander weg te nemen, juist door de identiteit van de Ander van binnenuit te onderzoeken.

Het is een prestatie van formaat dat het eindproduct ook nog een genrefilm is, een poëtisch gangsterepos doordrenkt met sociale kritiek. Zo laat Van Gogh net als Spike Lee zien dat genre en engagement elkaar niet in de weg hoeven staan. Alleen al daarom is zijn dood een tragedie – en is het van levensbelang dat iemand in zijn plaats komt om zich te laten horen in de stilte.