De cinefielen onder het stof

De Raad voor de Kunst heeft Skrien het graf in geprezen. Meer dan terecht wordt het blad wat extra geld toebedacht, maar men kon niet nalaten om te wijzen op het wat ‘stoffige imago’ van het tijdschrift. Stoffig! Je weet wie het zegt. In een nog niet eens zo grijs verleden was ik redacteur van dit stofnest en ik ben me altijd een beetje familie blijven voelen. De stoffigheid van Skrien is mijn stoffigheid. De mate van stoffigheid van de een wordt bepaald door de frisheid, snelheid en geliktheid van de ander.

Er wordt steeds minder en steeds korter over film geschreven en steeds meer wordt film alleen nog aangeprezen. Tussen de toeschouwer en de film staat zelden nog een criticus. Een man of een vrouw in een stofjas die een film eens rustig openschroeft, de vitale delen tegen het licht houdt en test of hij niet voor de aftiteling uit elkaar zal vallen. Bijna alles wat over film wordt gedrukt of uitgezonden, ligt in het verlengde van de publiciteitscampagne van een bepaalde film.
Het bewust passeren of overslaan van de kritiek is hier niet alleen een metafoor. In Amerika is het allang gewoonte dat van bepaalde films helemaal geen persvoorstellingen worden gegeven. In toenemende mate moet het in een film geinvesteerde geld in het eerste weekeinde dat hij wordt uitgebracht met winst worden terugverdiend. Mond-tot- mond-reclame mag geen tijd krijgen om het nieuws te verspreiden dat een opgeklopte film niet aan de verwachtingen voldoet en een kritiek vooraf wordt helemaal de pas afgesneden. Zodra een film in de bioscoop is gearriveerd - en zijn eigenlijke leven dus feitelijk nog moet beginnen - is hij het stadium van de recensies gepasseerd en komt men er zelden nog op terug. Een film verzamelt al stof voordat hij goed en wel is uitgebracht. Wie denkt dat er films zijn die meer zijn dan eendagsvliegen, moet in het stof durven bijten.
Skrien is nog het enige serieuze filmtijdschrift. Dat lijkt een luxe, zo'n monopolie tegen wil en dank, maar het is zeker ook een handicap. De druk om alle soorten filmlezers te bedienen is groot en het ontbreken van een prikkelende concurrent maakt dat er ook niets is om je tegen af te zetten. Maar een nieuw filmtijdschrift valt niet te verwachten. Niet dat er geen bijzondere films meer gemaakt worden die dit zouden verdienen, maar zoiets als cinefilie lijkt momenteel niet erg te bloeien. Grote films zijn er nog steeds en ze worden soms ook massaal bekeken, maar waar worden ze nog gekoesterd? Waar kun je nog lezen wat er echt toe doet? Juist, in dat stoffige Skrien.
Er valt nog wel iets te zeggen over dat stoffige imago. Over die zogenaamde ballast uit het verleden die het blad met zich zou meeslepen. Naar mijn mening heeft Skrien zelden getuigd van duffe benaderingen; er is altijd sprake geweest van het verbinden van vernieuwingen op verschillende terreinen. Verbindingen van actuele manieren van beschouwen met de actualiteit van het filmaanbod. Verbindingen die moesten worden uitgevonden, misschien zelfs experimenteel waren, en door hun nieuwigheid wellicht nog niet helemaal soepel liepen. Theorie is net zo aan mode gebonden als de stromingen in het filmmaken en in de loop der jaren is Skrien al menigmaal van toon, uiterlijk en opbouw veranderd. Er werd zo vaak naar een andere benadering verhuisd en soms zo drastisch intern verbouwd, dat het een wonder mag heten dat iemand daar nog stof heeft kunnen vinden.
Maar het stof van Skrien mag vast niet te letterlijk worden genomen. Ik ben bang dat men met ‘stof’ eigenlijk eenzijdigheid heeft bedoeld. Terwijl een leuk en prikkelend tijdschrift natuurlijk niet eenzijdig genoeg kan zijn. Ik zit niet te wachten op een blad waarin de hele filmwereld een plaats krijgt. Ik hoef geen tijdschrift waarin genuanceerd iedere goedbedoelde poging beleefd wordt afgedaan. Eigenlijk wil ik het liefst een beetje een rigide blad. Een blad met oogkleppen dat zich fixeert op eigenzinnige verdwijnpunten. Een filmtijdschrift dat stijl en stoffig is in een stijlloze en stofvrije wereld.