KANTTEKENINGEN BIJ EEN ONDERWIJSENQUÊTE

De Citocratie

De Tweede Kamer overweegt een parlementair onderzoek naar het onderwijsbeleid in de afgelopen decennia. Leidt zo’n mini-enquête ergens toe? Over theorie en praktijk van het aloude adagium ‘kennis is macht’.

Zoals ieder jaar in de eerste week van februari is de ‘Citostress’ dezer dagen weer vaardig over het basisonderwijs. Duizenden kinderen van groep 8 buigen zich gedurende drie dagen over de ‘Eindtoets’ die hun basiskennis op het gebied van rekenen, spelling, begrijpend lezen, natuurkennis, aardrijkskunde en geschiedenis meet. De uitslag zal bij hun middelbare-schoolkeuze worden ‘meegewogen’, zoals dat heet, samen met het schooladvies van de onderwijzer. Veel ouders hechten weinig waarde aan de Citoscore omdat ze uit eigen ervaring – de toets is voortgekomen uit de ‘Amsterdamse Schooltoets’ en in 1970 landelijk ingevoerd – menen te weten dat de score weinig zegt over je ‘ware’ capaciteiten. Intussen is de toets echter aanzienlijk verfijnd, terwijl bovendien veel capaciteiten die dertig jaar geleden gevraagd waren (en als basis voor een zinvol leven konden dienen) dat nu niet meer zijn.

De meeste onderwijzers vinden de eindtoets een redelijke graadmeter, al zijn ze van mening dat zonder aanvullende informatie over het kind de voorspellende waarde ervan niet groot is. Bovendien wordt de gemiddelde Citoscore van een school gebruikt als kwaliteitsmaatstaf voor de gehele school: de zogenoemde ‘leeropbrengst’. Op sommige scholen (vooral in de grote steden) wordt de slechtste leerlingen afgeraden de toets te maken. Volgens de schoolleiding gebeurt dat om deze kinderen niet te demotiveren. Volgens critici proberen zulke scholen de leeropbrengst kunstmatig op te krikken.

Hoe dit ook zij, eigenlijk hechten alleen de middelbare scholen waarde aan de toetsuitslagen, al is het maar omdat niet alle onderwijzers een reële kijk hebben op de capaciteiten van hun leerlingen. Daarom is de Citoscore vaak toch doorslaggevend voor de schoolkeuze. En daarom vrezen ouders terecht dat een aanval van verkoudheid, diarree of faalangst bij hun kind het verschil kan uitmaken tussen een vmbo- en een vwo-advies. Sommigen vertrouwen niet meer op het aloude valeriaanpilletje, maar zoeken hun toevlucht tot bètablokkers die de hartslag vertragen. Omdat het invullen van multiplechoicetoetsen een vak apart is, sturen steeds meer ouders hun kind naar een professionele toetstraining. Of anders naar de psycholoog, psychiater of ‘sofroloog’ (een neologisme dat zoiets als ‘deskundige in geestelijke harmonie’ betekent).

Kortom, bijna iedereen vindt die toets een onding. Waarom geldt de eerste week van februari dan toch als ‘week van de waarheid’? Het antwoord luidt: omdat opleidingsniveau een steeds betere voorspeller is van het toekomstige inkomensniveau, maatschappelijk succes en welbevinden van een mens. En de waarheid is dat de Citotoets – hoewel het een tijdelijke, puur cognitieve opname is – over het algemeen een goede graadmeter is voor de maatschappelijke toekomst van een kind.

Halverwege de vorige eeuw was ‘meritocratie’ voor sommigen een utopie, voor velen een dystopie, maar voor iedereen een ver toekomstbeeld. De term werd in 1958 geïntroduceerd door de Labour-politicus Michael Young in zijn satirische roman The Rise of the Meritocracy, waarin hij de spanning tussen hoger en lager opgeleiden in een denkbeeldige Britse meritocratische samenleving van 2033 beschreef. Door een onverbeterlijke, maar in zijn eigenwaan uiterst doorzichtige meritocraat als verteller van het boek te nemen, prikte Young op elegante wijze de meritocratische mythe door dat slimme mensen ook goede mensen zijn. In het boek lokt de heersende kaste van hoger opgeleiden zelfs een bloedige revolte van de onderkaste uit.

Het boek was bedoeld als een waarschuwing, niet als een aanbeveling. Young had gelijk met zijn analyse van de veranderende stratificatie van Groot-Brittannië. De min of meer gelijke verdeling van traditionele deugden en capaciteiten over de verschillende klassen maakte plaats voor een concentratie van deze eigenschappen bij de maatschappelijke bovenlaag. Dat kwam door het moderne onderwijs dat, schreef hij, functioneerde als ‘voorsorteermachine’ voor de heersende klasse. Deze machine roomde ook de potentiële leiders van de onderklasse af, zodat de massa van zijn natuurlijke woordvoerders werd beroofd en haar belangen niet meer langs vreedzame, democratische weg werden behartigd. De onvermijdelijke uitkomst was, zei Young in een interview, een ‘onrechtvaardige, kille en instabiele samenleving’.

Er is opmerkelijk weinig onderzoek gedaan naar de meritocratische trend die hij signaleerde. Voorzover dat gebeurt, wordt het ingekleed in modieuze termen als ‘kennissamenleving’ en ‘communicatierevolutie’. Daarachter gaat een onaangenaam feit schuil, een taboe waarvoor we graag de ogen sluiten omdat het onaantastbaar lijkt: het IQ. In de postindustriële samenleving is, meer dan in enige voorgaande periode van de geschiedenis, iemands intelligentie bepalend voor zijn of haar welbevinden. Niet alleen voor de aard van je werk en de hoogte van je inkomen, ook voor de mate waarin je maatschappelijk kunt functioneren, participeren, beslissingen nemen, idealen nastreven, macht uitoefenen, vertier zoeken of problemen afweren is het IQ tegenwoordig de voornaamste bepalende factor.

Dat horen we niet graag en dus kleden we het in. Dat deed bijvoorbeeld de Amerikaan Robert Reich, econoom en minister van Onderwijs in de eerste ambtsperiode van president Bill Clinton. Hij schreef in 1991 een baanbrekend boek, The Work of Nations, waarin hij de kloof tussen arm en rijk in de Verenigde Staten verklaarde uit de dynamiek van de informatiemaatschappij. De hoogtijdagen van de industriële productie zijn voorbij, aldus Reich, en de toekomst is aan de ‘symbolisch analisten’, dat wil zeggen aan de makelaars in kennis, data, symbolische representaties en technologische oplossingen waarvoor abstract denkvermogen vereist is. Dit vermogen tot ‘logisch-symbolische operaties’, zoals hij het noemt, is niets meer of minder dan het aloude Intelligentie Quotiënt, een term die Reich angstvallig vermijdt, omdat hij in de discussie over sociale verschillen in de VS onmiddellijk met erfelijkheid en dus met racisme wordt geassocieerd.

De afstand tussen de haves en de have-nots van dit vermogen wordt nu al weerspiegeld in torenhoge inkomensverschillen, schreef Reich, en in de toekomst zal de bovenlaag van symbolisch analisten zich fysiek en geografisch volledig afscheiden van de rest. ‘En intussen raken de armste Amerikanen geïsoleerd binnen hun eigen enclaves van stedelijke en plattelandse wanhoop; een steeds groter deel van hun jonge mannen zal de gevangenissen bevolken en de rest van de Amerikaanse bevolking, die voortdurend armer wordt, zal zich machteloos voelen om een van deze trends om te buigen.’

Kortom, Michael Youngs deprimerende visioen van een nieuwe klassenstrijd, gebaseerd niet op het bezit van de productiemiddelen maar op opleidingsniveau, tekent zich af in de VS.

Drie jaar later werd Reichs analyse bevestigd door een ketters boek, The Bell Curve, van politicoloog Charles Murray en psycholoog Richard Herrnstein. Omdat het gerucht de ronde deed dat de auteurs in dit boek de erfelijkheid van intelligentieverschillen tussen de rassen wilden bewijzen, werd het al vóór zijn verschijning in vaktijdschriften en de gewone media afgekraakt. Zodoende ging de boodschap verloren. Wat Murray en Herrnstein met een solide statistische analyse van een enorme hoeveelheid gegevens uit langlopende onderzoeken aantoonden, was dat er in de Amerikaanse samenleving een allesoverheersende samenhang was tussen IQ en maatschappelijk succes, gemeten naar uiteenlopende criteria als een goede baan, een hoog inkomen, een volwaardig en gelukkig gezinsleven en het uitblijven van langdurige werkloosheid, ongeletterdheid, criminaliteit, gevangenisstraf, alcoholisme, psychiatrische stoornissen of buitenechtelijke geboorten. De schrijvers toonden ook aan dat al deze succespunten sterker samenhangen met iemands IQ dan met andere factoren, zoals afkomst, etniciteit, opvoeding, opleiding, inkomen of motivatie. Dat is niet altijd zo geweest. In de loop van de twintigste eeuw is de stratificatie van de Amerikaanse samenleving ingrijpend veranderd. De rol van traditioneel belangrijke kenmerken als sociale afkomst, bezit (familiefortuin) en opvoeding (goede manieren, kleding, ‘goede smaak’) die in de samenleving van 1900 doorgaans iemands levensloop en maatschappelijk succes bepaalden, was rond 1960 definitief uitgespeeld. En tegenwoordig biedt de bovenlaag van logisch-symbolische analisten (om met Reich te spreken) helemaal geen kwartier meer aan rijkeluiskinderen met een laag IQ.

Die trend heeft zich ook in Nederland voorgedaan, zo blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Hier is het effect echter gedempt door de grote toegankelijkheid van het Nederlandse hoger onderwijs. De universiteiten en hogescholen zorgden voor een zodanige instroom van hoogopgeleiden op de arbeidsmarkt dat het inkomen en de maatschappelijke status van deze groep niet dramatisch stegen in vergelijking met lager opgeleiden.

In 1975 beschreef econoom Jan Tinbergen in zijn boek Income Distribution deze ‘race tussen onderwijs en technologie’. Zolang het hoger onderwijs aan de stijgende vraag naar hoger opgeleiden kan voldoen, zal de arbeidsmarktpositie van deze groep niet merkbaar verbeteren. Pas wanneer het onderwijs de race verliest, zal die arbeidsmarktpositie beter worden.

Het omgekeerde kan zich echter ook voordoen en dit was volgens Tinbergen in de jaren zestig in Nederland het geval: het inkomensverschil tussen hoger en lager opgeleiden was daardoor gedaald.

Dat neemt niet weg dat ouders uit de traditionele bovenlaag tegenwoordig net zo hard moeten knokken voor een goede Citoscore en navenant schooladvies van hun kind als ieder ander. Rond 1980 lijkt de race bovendien in het voordeel van de technologie te zijn omgeslagen. Door een combinatie van belastingvoordelen en de opbloei van de ‘informatiemaatschappij’ kon een nieuwe miljonairskaste ontstaan die zich reeds heeft gemanifesteerd door de leiding te nemen in de ‘Fortuynrevolutie’.

De veelgesmade Citostress is dus meer dan een vlaag van modieuze hysterie. Ook elke weldenkende ouder zit tegenwoordig in de tang: hij wil niet meewerken aan de meritocratische samenleving van Herman Heinsbroek, laat staan die van Michael Young, maar hij wil ook zijn kind behoeden voor de marginaliteit die in een dergelijke samenleving gelijk staat aan een maatschappelijk doodvonnis.

Voor meer onderwijs in De Groene Amsterdammer klik hier