Oscar van den Boogaard: Een bed vol schuim

De clichés voorbij

Oscar van den Boogaard

Een bed vol schuim

Uitg. De Arbeiderspers, 144 blz., € 14,95

Om de uitreiking van De Gouden Uil 1995 een nog feestelijker karakter te geven, was bedacht dat voor ieder genomineerd boek een pleidooi gehouden zou worden door een min of meer illuster figuur. Ik kan me van de redenaars — het evenement werd op televisie uitgezonden — alleen actrice Sylvia Kristel herinneren. Zij stak een gloedvolle liefdesverklaring af aan het adres van De heerlijkheid van Julia, destijds Oscar van den Boogaards vierde roman. Met haar verschijning, type breekbare schoonheid, en haar woorden, de exaltatie permanent op de loer, was ze de perfecte belichaming van Van den Boogaards literaire universum. Zijn proza is immers een bijzondere mengeling van sereniteit en uitbundigheid, altijd balancerend op het randje van te veel of te weinig. De heftige gemoedsstemming die uit zijn werk spreekt, lijkt ontstegen aan het hier en nu en heeft iets negentiende-eeuws. Tegelijkertijd is de door hem beschreven wereld uiterst modern, en zijn zijn personages jong en, om een typisch twintigste-eeuwse term te gebruiken, hip. Verlies, verraad en liefde vormen zijn thematiek en van deze drie de liefde het meest, zoals hij andermaal in Liefdesdood (1999) liet zien.

Kristels optreden mocht trouwens niet baten, want De Gouden Uil kreeg Van den Boogaard niet, evenmin als hij, wederom genomineerd, de Generale Bank Literatuurprijs in 1999 kreeg. Waar dat aan ligt? Misschien mede aan het feit dat aan Van den Boogaard verwante schrijvers eerder in Frankrijk en België moeten worden gezocht dan in Engeland of Nederland. Het is niet toevallig dat in zijn nieuwe roman Marguerite Duras wordt gelezen. Wie leest er nu nog Duras? Denkt bij de aanschaf van meubelen aan de films van Antonioni?

Trendy dertigers, zo doet de schrijver ons geloven in Een bed vol schuim. Zij leest La douleur, hij Le marin de Gibraltar. «Samen Duras lezen. Niet alleen zijn.» Ze hebben hun appartement ingericht met design spullen van de jaren zestig en zeventig. «Uit de tijd van de beste films van Antonioni.» Tegelijkertijd zijn ze bij de tijd als geen anderen. Zij draagt een rokje van Veronique Branquinho, hij suède laarzen van vierhonderd euro. «Ze hadden elkaar nodig, want niemand anders zou ooit begrijpen waarom het licht zo mooi was, waarom die lamp bij die tafel hoorde, waarom een woord op een bepaalde manier moest worden uitgesproken, niemand.» Ze zouden voor altijd aan elkaar verklonken zijn, maar komen op een dag tot de conclusie dat hun liefde over is.

Een bed vol schuim is een gewaagde roman, omdat de schrijver niet verbloemt een reeds vele malen vertelde geschiedenis te vertellen. Natuurlijk is het altijd de kunst om clichés een nieuw leven in te blazen, maar Van den Boogaard doet dat hier door ze onverschrokken uit te vergroten. Het is alsof hij zich heeft teruggetrokken op de vierkante millimeter van een liefdesbiotoop, en heeft geschraapt en gepeld tot hij alleen nog maar naakte waarheden overhield. Dat hij desondanks geen materiaal aanlevert voor een Succesagenda heeft alles te maken met de vorm waarin hij de clichés opdist.

Er is geen verhaal, de personages hebben geen naam, geen bezigheden, geen omgeving. Er is alleen maar een zij en een hij, in een appartement dat ergens hoog in een stad overal in Europa kan zijn. Muziek — The Smiths, Björk, Bach — is er om hun gemoedstoestand te spiegelen; kunst — een tentoonstelling van schilderijen in een galerie — om hun de waarheid in het gezicht te slingeren. «We only really value a relation ship when it survives our best attempts to destroy it.»

De teksten op die schilderijen echoën de obsessieve ge dachten van de geliefden, alleen maar cirkelend om zichzelf en elkaar, net zoals een verhaal van Ballard dat doet, en De Tao van de wijsheid, en een bezoekje van vrienden die hun scheiding aankondigen. «De geliefden willen het niet geloven. Het zijn hun voorbeelden, al tien jaar samen, als zij niet bij elkaar kunnen blijven, wie kunnen het dan wel?»

In korte scènes verkent Van den Boogaard alle pijnlijkheden die verbonden zijn met het afscheid nemen van een liefde. Niet van begin tot eind, maar losjes verspringend naar de verschillende stadia in een liefdesrelatie. Van de ontgoocheling — «Hoe kan het ooit tussen ons voorbij zijn, we houden van elkaar» — naar wat het ooit was — «Als we met anderen waren daalden we af naar de mensheid, maar als we alleen waren schoten we weer omhoog naar onze eenzame bergtop» — en weer terug. «Ik zei dat ik van jou hield en jij dat jij van mij hield, zo gaven we elkaar allebei wat we nodig hadden, dat was de stilzwijgende afspraak.»

Even losjes wisselt Van den Boogaard af tussen innerlijke bespiegelingen, situatiebeschrijvingen en dialogen. Hoogdravendheid noch banaliteit krijgt hierdoor de overhand, maar ze houden elkaar in een fragiel evenwicht, hoe bekend de ingrediënten ook zijn.

«‹Jij kunt dat, hè, zeggen dat je niet meer wilt, jij bent glashard.›

‹Jij zegt helemaal niets, op een dag doe je gewoon niet meer open, dat is nog veel gruwelijker, je laat de ander conclusies trekken.›»

Een bed vol schuim laat zich lezen als een langgerekte litanie, een requiem voor een liefdesrelatie. Omdat Van den Boogaards geliefden weigeren te geloven in het woord «ex-geliefde» — «iemand is een geliefde of niet» — is het bovenal een ontroerende vorm van verzet tegen het voorbijgaan der dingen. Sylvia Kristel mag haar feestkleding weer uit de kast trekken.