De club

Eerlijk: ik voel me vaak als een goede voetballer die langs de lijn staat. De mensen vragen: ‘Waarom staat hij niet opgesteld?’ Het antwoord luidt: ‘Hij is geen lid. Je kunt alleen opgesteld worden als je lid bent.’

Ik ben te oud om van dat gevoel af te komen; het is met me vergroeid.

Uiteraard vraag ik me wel eens af hoe ik aan dat merkwaardige gevoel kom. Ik wijt het aan mijn manier van denken. Ik denk misschien verkeerd. Ik lig vaak wakker met angst omdat ik mijn opvattingen als giftige spinnen tussen mijn lakens waan. Maar andere opvattingen heb ik niet.

Daarom vraag ik me wel eens af: tot waar mag een mens immoreel zijn?

Een psychiater vertelde mij eens dat hij een patiënt had die extreem antisemitisch was. ‘Hij had een grote angst voor joden. Daar wilde hij van af. Hij wilde dat joden vooral niet zouden merken dat hij angst voor ze had, want in het beroep dat hij had, kwam hij nogal veel joden tegen.’

Ik vroeg of daar bijvoorbeeld een wereldbeeld bij zat. Was zijn patiënt misschien een nazi of een groot liefhebber van Hitler? De psychiater schudde zijn hoofd en zei: ‘Daar wil ik toch liever niets over zeggen. Maar je hebt nu eenmaal mensen die net zo bang zijn voor joden als voor honden of spinnen of slangen en gaan hyperventileren als ze met een jood te maken krijgen.’

Ik ben een misantroop. En dat wordt steeds erger

Na de moord op Van Gogh merkte ik dat ik ook lichtelijk paranoïde begon te worden, zeker toen mijn ‘lage beveiliging’ (politieauto constant voor de deur) na drie maanden verdween. Ik begreep dat zo’n moord en alles wat daarna gebeurde mijn opvattingen beïnvloedde. Dat moest ook, vond ik. Ik had hetzelfde waargenomen bij mijn ouders. Die kregen hun haat en vooroordelen tegen ‘de Jap’ niet weggedacht. Toen pas na de moord op Van Gogh begreep ik dat beter. Je bent kwaad, je voelt je vernederd, je voelt verlies, woede – en het is onmogelijk daar op een rationele manier over te praten. Dat probeer je wel, maar dat maakt je nog kwader. Ik ging in die tijd vaak in discussie met moslims om mijn goede wil te tonen, maar ik ben daarmee gestopt. Ik ging te vaak dromen van wraak. En dan bedoel ik echt dromen, en echte wraak. En als ik dan wakker werd, voelde ik me schuldig. Wat had ik schandalig gedroomd!

Juist om rationele overwegingen ging ik me in de islam verdiepen, en werd allengs bozer.

En nu zit ik met opvattingen – ach, de Groene-lezer kent ze – waardoor ik weer geen lid mag worden. Lid van wat? Lid van de club. Van welke club? Dat weet ik niet. Maar er is ergens een club, denk ik, waarvan je lid moet zijn om enige gemoedsrust te krijgen, zodat er wat meer geluk door de kieren van je bestaan kan stromen en zodat je de frisheid van de lucht kunt voelen en ruiken.

Ik weet ondertussen wel hoe ik het bij vrienden, kennissen en familie enigszins goed moet houden. Ik weet te laveren tussen de rotsen van ruzie. Ik weet met een uitgekiend vocabulaire te balanceren op een onzichtbare evenwichtsbalk.

Maar waar is de grens? De grens van wat ik niet kan en mag denken. Of mag ik alles denken? Nee? Hoe kan ik dat denken dan tegenhouden? Mag die patiënt niet een antisemiet zijn in het diepst van zijn gedachten? Mag hij die gedachte, die opvatting niet uitspreken in het besef dat hij dan een racist is?

Ik ben geen racist. Wel een misantroop. En dat wordt steeds erger, zodat ik nu maar denk dat het een ouderdomskwaal is. Maar is misantropie ook niet immoreel? Ik lig wakker. Ik heb ook angst voor een club, namelijk.