De privatisering van DNA

De code van de schepping

Of men het nu leuk vindt of niet: het belang van DNA-technologie zal het aangezicht van de 21ste eeuw in hoge mate bepalen. Nadeel is dat grote delen van de menselijke schepping inmiddels zijn geprivatiseerd door een Amerikaanse Vietnam-veteraan.

‘WE HEBBEN HET geheim van het leven ontdekt’, moet de Britse geneticus Francis Crick op 28 februari 1953 in zijn stamkroeg The Eagle in Cambridge hebben uitgeroepen, nadat hij samen met zijn jonge Amerikaanse collega James Watson op het vermaarde Cavendish-laboratorium de structuur van DNA had blootgelegd. Met hun ontdekking van de ‘dubbele helix’ — waarvoor ze in 1962 zouden worden onderscheiden met de Nobelprijs — toonden Watson en Crick aan dat het tot dan toe door hun meeste collega’s in de genetica voor geheel oninteressant versleten desoxybibonucleïnezuur DNA, een stof in de chromosomen, in werkelijkheid de drager was van alle erfelijke eigenschappen. Via een nog nader te ontcijferen code van vier letters — vier op elkaar reagerende zuren — bepaalde DNA de vorming van al wat leeft, van de nietigste platworm tot muis of mens. DNA bleek het genetische materiaal van de schepping, geschreven in een taal die volgens de experts nog het meest aan het Hebreeuws deed denken. Het bijbelse ‘in den beginne was het woord’ kreeg er een nieuwe dimensie bij. Al eerder hadden sommige geleerden de overtuiging geventileerd dat DNA de kern van het leven was. De Zwitserse arts Friedrich Miescher verkondigde al in 1892 met verbijsterend vooruitziende blik dat DNA de erfelijke boodschap kon overdragen ‘zoals de woorden en begrippen van alle talen kunnen worden uitgedrukt in de 24-30 letters van het alfabet’. Miescher had in 1869 als eerste DNA geïsoleerd (de legende wil dat hij het materiaal had gedestilleerd uit de met pus doordrenkte verbanden van gewonde soldaten) en voerde een even hevige als vergeefse strijd ten faveure van de theorie dat dit toch echt de sleutel tot de erfelijkheid was.


James Watson zou zich deze overtuiging eigen maken toen hij als negentienjarige op de universiteit van Indiana in Bloomington in de leer ging bij de vermaarde geneticus Hermann Joe Muller. Muller had een Nobelprijs gewonnen door op basis van experimenten met röntgenstraalbombardementen op fruitvliegjes te bewijzen dat het gen muteerbaar was en had daarmee de weg van de moderne genetica geopend. Na een curieuze carrière, die hem als joodse Amerikaan in de jaren dertig naar Europa bracht om daar als overtuigd socialist de eugenetica te propageren als het recept voor de Nieuwe Mens (hij hoopte op kinderen die met zorg waren geselecteerd op het karakter van Lenin en Marx), was Muller in Indiana terechtgekomen, om met zijn colleges whizzkid Watson te inspireren voor zijn unieke queeste naar de graal van het gen. Eenmaal in Engeland samenwerkend met de al even geniale biochemicus Crick, wiens originele inzichten in de natuurkunde de missing link bleken, was Watson binnen enkele maanden in staat tot identificatie van de DNA-code. Het zou tot 1961 duren voordat deze genetische informatie voor het eerst ook echt ‘gelezen’ kon worden. Daarmee was er een stap gezet die volgens velen het belang van de eerste mens op de maan verre overtreft. Via DNA-onderzoek is de mens op het spoor gekomen van het wezen van de schepping, niet in de laatste plaats die van zichzelf. Verleden maand meldde een groep van 217 Amerikaanse onderzoekers dat men erin was geslaagd een complete kaart samen te stellen van chromosoom 22, een van de 23 chromosomenparen in het menselijk DNA. Een artikel over dit chromosoom, dat uit minstens 545 genen en 33,4 miljoen DNA-bouwstenen bestaat, verscheen in het wetenschapsblad Nature, dat voor de gelegenheid de cover had opgesierd met Michelangelo’s schilderij van de handreiking van God aan de mens.


De vondst maakt deel uit van het in 1990 gestarte Humane Genome Project, een internationaal publiek-privaat mammoetproject van wetenschappers, opgericht en in een eerder stadium geleid door James Watson, die zich hebben voorgenomen een complete atlas te maken van de honderdduizend genen en drie miljard DNA-bouwstenen waaruit de mens bestaat. In 2003, maar wellicht al veel eerder, moet het doel van het Humane Genome Project zijn bereikt en moet men beschikken over een complete blauwdruk van de mens. Tot nu toe is eenderde van de drie miljard bouwstenen geïdentificeerd, maar met behulp van robots en computers gaat het momenteel hyperventilerend hard. Volgend jaar moet er al een ruwe schets liggen van het gehele menselijke genenstelsel (genoom).



OF HET VOORAL door de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Japan gestuurde mammoetproject werkelijk met de eer gaat strijken is overigens nog maar de vraag, want men voelt de hete adem in de nek van het geheel privaat gefinancierde Celera, onder leiding van de excentrieke Amerikaanse zakenman J. Craig Venter. Met financiële steun van de industriële gigant Perkin-Elmer opende Venter vorig jaar een genetisch informatica-bedrijf in Rockville (Maryland), een soort DNA-centrale die vele malen sneller werkt dan het Humane Genome-netwerk, en ook nog eens voor een aanzienlijk lutteler bedrag draait dan de drie miljard dollar waarvoor het Humane Genome Project in de boeken staat. Venter, gewezen surfheld in Californië en soldaat in Vietnam, kondigde aan al over een paar maanden met de genetische blauwdruk van de mens op de proppen te komen. Deze uitdaging deed hij geheel in stijl, op een feest dat hij in september 1998 voor een gezelschap van 1800 internationaal erkende experts op het gebied van de genetica organiseerde in een van de paleizen van Gianni Versace in Miami.


Venter lijkt woord te gaan houden. Onvermoeibaar aandelen verkopend op Wall Street heeft hij in Rockville een uitzonderlijk snel draaiende DNA-ontcijferfabriek laten bouwen, de zogeheten Gene Factory, waar volgens Venter in een dag meer DNA-sequenties worden gelezen dan het Humane Genome Project in een heel jaar produceert. Op volle toeren ‘leest’ deze bio-tech-krachtcentrale honderd miljoen letters aan DNA-sequenties per dag. Volgens persbureau Reuters zat Venter maandag jongstleden reeds op negentig procent van het totale menselijke genoom.


Ondertussen — en dat is nog aanzienlijk verontrustender — vraagt Venter via Celera ook patenten aan op door hem ontcijferde genen. Onlangs claimde hij zesduizend menselijke genen in een klap. Van de meeste kent hij niet eens de exacte werking. Dat neemt Venter voor lief. Als een van zijn DNA-patenten straks bijvoorbeeld een kuur tegen kanker oplevert (of tegen astma, of aids, of welke ziekte dan ook) kunnen er miljarden worden verdiend. Onethisch, vinden Venters tegenstanders, die vooral bij het Humane Genome Project te vinden zijn, hoewel ook daar de eerste overlopers zijn gesignaleerd: zo stapte bioloog Norton Zinder van Rockefeller University onlangs over van het HGP naar Celera. ‘Nu is iedereen wakker geworden’, zei Zinder over Venters DNA-campagne.



NIET GELUKKIG MET Venters actie is de Leidse geneticus Gert-Jan van Ommen, vice-voorzitter van Humane Genome Organisation (Hugo), het internationale orgaan dat toezicht houdt op het Humane Genome Project als het gaat om zaken als ethiek. Van Ommen was tot 1 januari 2000 twee jaar lang voorzitter van de Hugo (nu is hij opgevolgd door de Canadees Lap-Chee-Tsui) en in die hoedanigheid heeft hij Craig Venter redelijk goed leren kennen: ‘Het is een schilderachtige figuur, wiens visie op het leven vooral gebaseerd is op zijn ervaringen als medisch soldaat in Vietnam. Hij is een typische vertegenwoordiger van zakendoen op de Westcoast-manier; enorm vindingrijk en dynamisch. Je zou hem de Bill Gates van de biotech kunnen noemen. Gezegd moet worden dat hij zo wel iedereen scherp houdt. Gelukkig trekt hij niet altijd aan het langste eind.’


Van Ommens Hugo keurt het in een vroeg stadium patenteren van genetisch materiaal ten strengste af: ‘Daar heeft Hugo onder mijn voorzitterschap een advies over gepubliceerd dat er kortweg op neerkomt dat DNA alleen gepatenteerd zou moeten kunnen worden als men weet waarvoor dit dient, als men in staat is geweest het uit te knippen en de functie ervan heeft opgehelderd. Het zou niet zo mogen zijn dat men zo maar lukraak DNA-snippers door de mixer gooit en die dan maar in strengen kan patenteren. Door te vroeg te patenteren schrik je andere onderzoekers af. Dat kan vertragingen in onderzoek opleveren, en daarmee de ontwikkeling van nieuwe geneeswijzen tegenhouden. Venter draait dat juist om. Volgens hem kan de DNA-code alleen maar vruchten afwerpen als er geld wordt geïnvesteerd in onderzoek, en investeerders komen alleen maar met de benodigde miljoenen over de brug als er wat tegenover staat. Zo’n tijdelijk exclusief vruchtgebruik dat met de patentering van een wetenschappelijke ontdekking samenhangt, is voor de farmaceutische industrie natuurlijk bijzonder interessant. Daarom zie je grote bedrijven als Merck en Unilever ook nadrukkelijk in deze markt investeren.’


Van Ommen bestrijdt overigens dat de kosten van het Humane Genome Project zo hoog zijn. ‘Laat er zo’n drie miljard dollar in zijn geïnvesteerd: daar koop je net één polaris-atoomonderzeeër voor.’


De Rotterdamse geneticus Jan Hoeijmakers slaat de slijtageslag tussen het Humane Genome Project en Venters Celera gefascineerd gade. ‘Het gaat nu echt hyperventilerend hard’, zegt hij in zijn laboratorium van de Erasmus-universiteit. ‘Wat je eind jaren zeventig nog vier jaar kostte, kan met moderne robots nu in een dag aan de laptop. Binnen enkele maanden zullen we de genetische blauwdruk van de mens geheel kennen. Die blauwdruk verschilt overigens nauwelijks met die van een muis, terwijl die van een walvis voor ruwweg vijftig procent overeenkomt met die van een mens. Ieder mens bestaat uit een uniek stelsel aan genetisch materiaal. Ieder mens bestaat uit miljarden DNA-woordjes, een soort bijbel waar je elf jaar over zou doen als je hem zou moeten lezen. Het zit zo mooi in elkaar dat we het zelf niet hadden kunnen bedenken. Alleen ben je er met de ontcijfering van al dat DNA-materiaal nog lang niet. De wetenschap moet de feitelijke betekenis van wat er in het DNA staat nog voor een belangrijk deel achterhalen. Dan pas kom je in de fase dat je echt zou kunnen werken met gentherapie, dus genezen via ingrijpen in de menselijke DNA-structuur. Ik schat dat we daar de komende vijftien, twintig jaar spectaculaire doorbraken kunnen verwelkomen, met enorme mogelijkheden voor het menselijke welzijn.’



ZO VER IS het volgens Hoeijmakers nu nog niet. ‘Er is de afgelopen jaren wel geëxperimenteerd met gentherapie, maar in feite was dat in mijn ogen een valse start. Men was eigenlijk gewoon overmoedig, ging te ver mee in de euforie.’ Bij gentherapie worden ‘foute’ genen gemanipuleerd teneinde deze van structuur te veranderen. Ook wordt geprobeerd kunstmatige chromosomen in te voegen in het stelsel van een patiënt. Reeds tien jaren is men verwoed bezig gentherapie, het gedoodverfde paradepaardje van het moderne moleculair-genetisch onderzoek te vervolmaken, tot nu toe zonder succes. Het eerste officiële dodelijke slachtoffer van gentherapie — lijder aan een hartkwaal — is al gemeld in Amerika.


Voor de Leidse expert op het gebied van gentherapie Dinko Valerio, oprichter van het door diverse grote investeerders ondersteunde bedrijf IntroGene BV in Leiden, was het reden om enigszins terug te komen op eerder gewekte verwachtingen. Volgens Dinko Valerio is gentherapie ‘de heilige graal van de genetica’ maar vooralsnog moet hij toegeven dat ‘gentherapie niet de magic bullet’ was. Niettemin blijft Valerio’s IntroGene zich hard maken voor gentherapie, onder meer in te zetten bij de bestrijding van hartkwalen.


Volgens Van Ommen liepen de gelovers in gentherapie aanvankelijk een tikkeltje te hard van stapel, al moet er volgens hem wel rekening mee worden gehouden dat er in de geschiedenis van de medische wetenschap bij ‘alle nieuwe therapeutische probeerselen doden zijn te betreuren’. Van Ommen: ‘De wetenschap zit als het om DNA gaat gevangen in een keten van overspannen verwachtingen en belooft daardoor soms meer dan ze kan waarmaken. Wetenschappers zitten altijd met de vraag hoe ze hun volgende subsidie binnen moeten krijgen, daartoe onder druk gezet door de overheid die zegt dat universiteiten meer moeten ondernemen en hun kennis beter moeten verkopen. Aan de andere kant heb je de verwachtingen van het publiek, dat nu eindelijk het medicijn tegen kanker, hartkwalen of de griep wil zien. Dat publiek wordt geleid door de informatie in de media, die over het algemeen ook niet doen aan understatement als het om DNA gaat. Zo zijn er hoog opgeschroefde verwachtingen gekomen over het DNA-onderzoek. Het publiek wordt al moe als weer eens wordt gemeld dat er een gen is gevonden. Wat kunnen jullie er mee, willen ze weten. Dan krijg je zoiets als wetenschappelijke scoringsdrang.’


Van Ommen wijst op het belang dat de genetica nu al heeft in de diagnostiek. Zelf was hij in de jaren tachtig betrokken bij de genetische diagnose van de ziekte van Duchenne, een erfelijke spierziekte met dodelijke afloop. Door onderzoek als van het Humane Genome Project zal straks bij ieder individu kunnen worden vastgesteld welke risico’s op welke ziekte men loopt. Van Ommen: ‘Dan moet men niet denken dat iedereen straks een boek meekrijgt waarin staat welke ziekte hij krijgt en waaraan hij uiteindelijk zal overlijden, zoals diverse pessimistische toekomstbeschouwers denken. Niemand zit op zo’n DNA-paspoort te wachten dus dat komt er ook helemaal niet. Maar met DNA-onderzoek zal in de toekomst wel veel beter kunnen worden ingegrepen om ziekten te voorkomen. Dan weten we bijvoorbeeld waarom de ene roker gewoon door kan blijven paffen totdat hij er op zijn tachtigste bij neervalt en de andere gelijk longkanker krijgt. Zodra je dat soort feiten kan achterhalen, valt er in de preventieve medische zorg enorm veel werk te doen.’


Zijn Rotterdamse collega Hoeijmakers is daar al evenzeer van overtuigd. ‘Over 25 jaar ziet de medische wetenschap er door de genetica totaal anders uit. De angst die bij het publiek heerst is onterecht. Maar om de ontwikkeling gaande te houden, zal de overheid in Nederland wel wat meer medewerking mogen bieden. Zo moeten wij als genetisch onderzoekers in Nederland dikke pakken formulieren invullen voordat we muizen mogen gebruiken voor onderzoek. Onbegrijpelijk, als je je realiseert dat dat soort onderzoek vitaal is en een kuur tegen kanker zou kunnen opleveren. Muizen zijn nu eenmaal prima geschikt voor onderzoek omdat hun DNA zoveel op dat van een mens lijkt. Maar kennelijk is er ook bij de overheid een onterecht wantrouwen tegen genetici, zelfs als het gaat om een keuze tussen muizen of mensenlevens.’


Van Ommen: ‘Natuurlijk, er gebeuren hier en daar dingen op het terrein van de genetica waarvan je schrikt. Zo verscheen er in China niet zo lang geleden een regeringsrapport waarin de beslissing voor een echtpaar om al dan niet kinderen te krijgen min of meer in handen van de huisarts werd gelegd. Later werd dat weer enigszins ingetrokken. Maar het duidde wel op een soort eugenetische richting, een kant die we natuurlijk beslist niet op mogen gaan. Dat zijn ontwikkelingen die je met argusogen moet volgen. Maar de angst voor DNA-technologie neemt vaak hysterische vormen aan. Een sterk staaltje blijft natuurlijk Wim Kayzer op de VPRO-televisie, met die serie Beter dan god. Daarin draafden allemaal geleerde heren op die in hun hele carrière nog nooit ook maar binnen een afstand van honderd meter zijn gesignaleerd bij een laboratorium, die opeens kwamen verkondigen in wat voor apocalyptische tijden we terecht waren gekomen door DNA. Daar schieten we natuurlijk ook niks mee op, want dat is struisvogelpolitiek. Niemand kan het belang dat de mensheid bij DNA-onderzoek heeft, ontkennen. Zoals een voormalige tegenstandster van het Humane Genome Project onlangs zei: ‘A genome convert is a genome critic who just had a hit in a database.’