‘de commissie- van blaa’

De vraag ligt voor de hand na de parlementaire enquete naar de ‘grensverleggende’ opsporingsmethoden: wordt het niet hoog tijd voor een nieuwe generatie leidinggevenden bij politie en justitie?
TOEN DE AMSTERDAMSE procureur- generaal Van Randwijck als eerste hoogwaardigheidsbekleder van zijn stoel was gevallen, stelde de voorzitter van de parlementaire-enquetecommissie de vraag die velen op de lippen brandde: wordt het niet tijd voor een nieuwe generatie? De bezem erdoor bij politie en jusitie. Want tonnen doorgeleverde soft drugs, kilo’s die op raadselachtige wijze zijn zoekgeraakt, miljoenenwinsten uit drugstransporten die in de zak van informanten verdwijnen of die de politie gebruikte ter financiering van drugsopslagloodsen, huurauto’s en draagbare telefoons - het kon niet op.

Nog onthutsender was dat de verantwoordelijken bij politie en justitie het op alle niveaus volledig hadden laten afweten. Tot en met de minister van Justitie. Officieren en hoofdofficieren van justitie, commissarissen van politie, niemand was op de hoogte. Of men kon het zich plotseling ‘niet meer zo goed herinneren’. PvdA-fractievoorzitter Wallage liet er geen twijfel over bestaan: hij gaf te kennen dat er 'ingrijpende maatregelen’ moeten worden genomen om te laten zien dat er een 'zuiveringsproces’ gaande is.
VANUIT DE strafrechtpraktijk, de politie en wetenschappelijke kringen wordt terughoudend gereageerd op de vraag of het niet hoog tijd wordt voor een nieuwe generatie leidinggevenden bij politie en justitie. Die vraag impliceert immers: wie staat na Van Randwijck op de nominatie?
Th. A. de Roos, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Limburg en advocaat in Amsterdam, is mild in zijn oordeel: 'Ik ben huiverig voor messentrekkerij. Mensen kunnen best wel eens wat steken laten vallen, zeker als ze verder goed functioneren. Bovendien, we moeten niet doen alsof deze deconfiture uitsluitend op rekening van een aantal justitiele functionarissen is te schrijven. Het hele politieke klimaat was van dien aard. Daar was de politiek zeker mede verantwoordelijk voor.’ Dat neemt volgens hem niet weg dat de doorstroming van verlichte denkers krachtig bevorderd moet worden. Onder het huidige bewind van minister Sordrager wordt daar volgens hem met grote voortvarendheid aan gewerkt, door middel van 'procedurebewaking’ en een scherp vacaturebeleid.
De enquete betekent belangrijke winst voor de strafrechtpraktijk. Jarenlang hebben strafrechtadvocaten tegen de dovemansoren van de vorige minister van Justitie, Hirsch Ballin, geroepen om wettelijke normering van opsporingsmethoden. Die normering komt er, daar kan niemand nu nog omheen, zegt De Roos stellig. De klok is al gedeeltelijk teruggedraaid, meent hij. 'Iedere opsporingsmethode waarbij oncontroleerbare informanten zijn ingezet, wordt afgeblazen.’ Waarschijnlijk zal geen enkele vorm van diepte-infiltratie nog worden toegepast. Toch zijn niet alle 'moderne’ opsporingsmethoden even slecht; inkijkoperaties die onder de Opiumwet vallen en keurig in het proces-verbaal komen, daar is volgens Roos niet zo veel mee mis. 'Terug naar de veldwachter kunnen we niet meer.’
DE AANSTELLING van 'super’-procureur-generaal Doctors van Leeuwen, de baas van het Openbaar Ministerie, is veelzeggend voor de reorganisatie die daar ophanden is. Tijdens zijn verhoor door de commissie-Van Traa leverde de super-PG ongezouten kritiek op het erbarmelijk functioneren van justitie en liet hij doorschemeren dat er in navolging van Van Randwijck meer koppen zullen rollen 'als dat nodig is’. Bovenaan zijn wensenlijst staan een wettelijke normering voor opsporingsmethoden, ministers die rechtstreeks verantwoordelijk worden voor het beleid ten aanzien van de zware criminaliteit en de beteugeling van de CID’s. Die hebben zich haast kunnen ontwikkelen tot een staat in de staat. De Roos: 'Dat roepen wij ook al jaren. Er is kennelijk een serie schandalen voor nodig om de PG’s daarvan te overtuigen.’
Of de reorganisatie op het departement van Justitie voldoende is, is volgens De Roos nog maar de vraag: 'De machtscontrole van een klein Openbaar Ministerie tegenover een gigantisch grote politie is een structureel probleem. De aansturing van de politie komt in Sorgdragers plannen voor de reorganisatie van het Openbaar Ministerie totaal niet uit de verf.’
OOK DE AMSTERDAMSE hoogleraar strafrecht T. Schalken heeft zijn twijfels bij de reorganisatie van het Openbaar Ministerie. Hij spreekt van een 'pretentieuze managementsfeer’: 'Glossy brochures per parket vertellen hoe fantastisch ze wel niet werken, maar de volgende dag staan er ten onrechte verdachten op straat en zijn er dossiers zoek. Het OM moet terug in zijn hok, terug naar de kerntaken.’ Dat wil zeggen: het juridische ambacht van leidinggeven aan opsporingsactiviteiten. En dat is iets heel anders dan leiding geven aan de politie. 'Het OM heeft de problemen voor een deel aan zichzelf te wijten. Ze hebben zich overal mee willen bemoeien. Niet alleen met de opsporing, ook met de bestrijding van de georganiseerde misdaad, de preventie van criminaliteit, en met het medebeheer van de politie. Maar dat is in de eerste plaats de taak van de burgemeester/korpsbeheerder.’
Het meest recente plan van aanpak voor de reorganisatie hinkt volgens Schalken op twee gedachten. 'Enerzijds dringt het besef door dat het OM terug moet naar de kern, anderzijds lijkt het OM een soort eenheidsorganisatie te moeten worden. Daar krijg ik het een beetje benauwd van.’ Om duidelijkheid te creeren in de verantwoordelijkheden verdwijnen er bestuurslagen, maar wat dat precies inhoudt is onduidelijk, vindt de hoogleraar. 'Als het betekent dat alle neuzen dezelfde kant op wijzen, dan zijn we nog verder van huis.’
De bemoeienis van het Openbaar Ministerie heeft vanzelfsprekend gevolgen gehad voor het verantwoordelijkheidsbesef van de politie. De politie kon haar gang gaan omdat het OM in het toezicht faalde en op zijn beurt vertrouwde op de goedkeuring van de rechter. Maar dat is slechts de halve waarheid, oordeelt Schalken. De verantwoordelijkheid van de politie voor de eigen organisatie blijft onderbelicht in de hele discussie. Te gemakkelijk wordt de schuld van uit de hand gelopen opsporingsmethoden geschoven op de officier van justitie, die de schuld vervolgens afschuift op zijn superieuren, die van niets afwisten, enzovoort.
De angel van de discussie over 'grensverleggende’ opsporingsmethoden en het gebrek aan wettelijke regeling zit volgens Schalken in de vicieuze cirkel van 'negatieve gedragsbeinvloeding’. Wanneer de politie bij het Openbaar Ministerie aandringt op het gebruik van buitenwettelijke opsporingsmethoden, zal de officier van justitie druk uitoefenen op de rechter. Het gevolg is dat de rechter, het sluitstuk van de strafrechtelijke keten, bijna deloyaal lijkt als hij niet akkoord gaat met die methoden.
De verantwoordelijkheid van de een behoort een prikkel te zijn voor de verantwoordelijkheid van de ander, betoogt Schalken. 'Iedereen moet elkaar in de gaten houden en natuurlijk bereid zijn om samen te werken.’ De minister van Justitie zou er verstandig aan doen op afstand te blijven van het OM. Het gevaar dreigt nu dat Sorgdrager zich, evenals haar voorganger Hirsch Ballin, geheel vereenzelvigt met het Openbaar Ministerie. Op die manier ontneemt ze het OM de verantwoordelijkheid zelf orde op zaken te stellen. Schalken: 'Als de Kamer en de minister dat maar eens zouden begrijpen, dan zou dat patroon kunnen worden doorbroken.’
NIET OVERAL WORDT het werk van de enquetecommissie positief beoordeeld. In politiekringen leeft wantrouwen tegen de commissie-'Van Blaa’, zoals afgebeeld in een spotprent in het tijdschrift De Politie. 'Van Traa en zijn makkers’ in de hoedanigheid van een stelletje brutale gedetineerden die een rechtschapen diender in de tang heeft en vervelende vragen stelt als: 'Bent u schuldig aan het ons lastig maken, ja of nee?’
'Een schertsvertoning, die parlementaire enquete’, oordeelt H. Kruizinga, voorzitter van de Algemeen Christelijke Politiebond. 'Van Traa is slachtoffer geworden van het jachthondensyndroom. Ze komen iets op het spoor wat niet deugt, willen met alle macht weten wat er precies is gebeurd en daar smullen de media dan weer van.’
Maar was het niet een van de doelstellingen van het parlementaire onderzoek om erachter te komen wat er precies gebeurd was? En hoe zit het met het vertrouwen in de politie, dat volgens velen een flinke deuk heeft opgelopen? Weer zo'n misvatting die op het conto van Van Traa c.s. geschreven kan worden, meent Kruizinga. Hij vindt dat de publieke beeldvorming volledig wordt bepaald door een paar tactische onderzoeken naar 'waar wat mis is gegaan’. Van Traa heeft dat overdreven uitvergroot. 'Veel van het inlichtingenwerk gebeurt in het schemerduister. Dat valt inderdaad moeilijk te controleren, het gevaar van corruptie ligt op de loer. Maar ja, dat is nu eenmaal inherent aan het werk. Je kunt ervoor pleiten om die inlichtingendiensten dan maar op te heffen, maar voor het werk van de politie zou dat niet goed zijn.’
Kruizinga, bekend om haar antipathie jegens het 'Amsterdamse kamp’, blijft bij de conclusie van de commissie-Wierenga over de oorzaak van de opheffing van het IRT: het IRT ging ten onder aan mismanagement bij de Amsterdamse bestuurders en aan onderling wantrouwen. De discussie over de omstreden Delta-opsporingsmethode speelde weliswaar een rol, maar het was niet de hoofdoorzaak.
De Roos meent dat uit de parlementaire enquete een volstrekt ander beeld naar voren komt. De commissie-Wierenga is volgens hem blijven steken in het uitdelen van zwarte pieten aan het Amsterdamse korps. Het probleem van de grensverleggende opsporingsmethoden werd daaraan volledig ondergeschikt gemaakt. Dat beeld is naar zijn mening nu 'zwaar gecorrigeerd’. De vertrouwensrelatie tussen de politiekorpsen van Amsterdam en Utrecht is weliswaar niet optimaal, maar ach, relativeert De Roos, 'als die functionarissen eenmaal zijn afgelost, gaat alles weer gewoon door’.
Volgens Kruizinga is het gebrek aan vertrouwen ook bij de 'nieuwe generatie’ een probleem. 'Vanuit Amsterdam wordt geen CID-informatie doorgegeven aan andere CID’s. Dat is natuurlijk heel slecht voor het werk. En als vanuit Amsterdam steeds vertrouwelijke gegevens uitlekken naar de pers, dan kan ik me voorstellen dat andere korpsen ook niet staan te springen om hun gegevens aan Amsterdam door te geven.’
DE AMSTERDAMSE hoogleraarr J. Naeye bekleedt een bijzondere leerstoel politierecht aan de Vrije Universiteit. De parlementaire enquete heeft haar nut nu al bewezen, vindt Naeye; politie en Openbaar Ministerie hebben hun lesje wel geleerd. Er is sprake van een ware ommezwaai in de cultuur, en ook de 'grensverleggende jongens van de CID’ krijgen ze wel weer in het gareel. Naeye: 'Het gemak waarmee die vroeger hun werk konden doen, zonder vragen te stellen, dat is over. Bij de regionale CID in Amsterdam hebben ze al een jaar geen geheim traject meer gedaan, geen uitvoerend werk. Gewoon op het bureau zitten en de kaartenbak bijhouden.’
Het meest ontluisterend in de enquete was de gebrekkige communicatie tussen de verschillende echelons, het gebrek aan interesse voor wat er op lager niveau gebeurde, zegt Naeye. Die 'autonomencultuur’, zoals Docters van Leeuwen het noemt, lijkt volgens Naeye van de baan. 'De vanzelfsprekendheid waarmee velen hun eigen beslissingen namen, zonder de politieke implicaties in te schatten, dat is in de toekomst ondenkbaar.’ Ook hij bepleit enige lankmoedigheid jegens de 'oude garde’. 'Je moet geen mensen ophangen voor het feit dat wij kritischer dan vroeger kijken naar hetzelfde probleem.’ Een reshuffle van functies of officieren naar andere arrondissementen behoort ook tot de mogelijkheden. 'Maar als bijvoorbeeld de huidige generatie hoofdcommissarissen echt niet wil samenwerken, dan moet er een nieuwe komen.’
Naeye signaleert wel een 'blinde vlek van Van Traa’. Naast alle gepijnigde leden van het OM en politiecommissarissen, is er volgens hem een lachende derde: de burgemeester/korpsbeheerder. Onder de 98 verhoorden waren er welgeteld drie, van wie oud-burgemeester van Amsterdam Ed. van Thijn het meest in het oog sprong. Staatssecretaris Schmitz, de ex-burgemeester van Haarlem en burgemeester D'Hondt van Nijmegen waren de andere twee.
Juist de korpsbeheerder behoort nadrukkelijker dan tot nu toe het geval is verantwoordelijk te worden gesteld voor de wijze waarop de politie strafbare feiten opspoort, betoogt Naeye in een artikel in de jongste aflevering van het Nederlands Juristenblad. De korpsbeheerder heeft behalve de verantwoordelijkheid over het beheer van de politie, ook medegezag. Dat wil zeggen dat hij niet alleen in de gaten moet houden of het politiebedrijf naar behoren reilt en zeilt, maar ook dat het correct en volgens de rechtsregels gebeurt. Het kan niet aan een geheim onderonsje van het Openbaar Ministerie en de politie worden overgelaten om de grenzen van behoorlijke opsporing vast te stellen. Naeye vergelijkt de korpsbeheerder met de directeur van een bedrijf: 'Die kan evenmin accepteren dat er ergens een afdeling is die zichzelf financiert met zwart geld afkomstig uit drugstransporten. Op dat moment grijpt hij in en vliegt het hele zaakje eruit.’
Het verschil met het gezag van de officier van justitie is dat de laatste slechts negatieve macht heeft en geen sancties kan nemen. Als de politie opsporingsmethoden gebruikt die niet door de beugel kunnen, kan de officier hoogstens besluiten niet te vervolgen. Dat zal in de praktijk, gezien het eigenbelang van het OM, niet zo snel gebeuren. De burgemeester/korpsbeheerder daarentegen heeft er alle belang bij CID- werkmethodes en recherchetactieken kritisch te volgen, en zonodig tegen te houden. Hij/zij draait namelijk ook op voor klachten en schadeclaims. Bovendien heeft de korpsbeheerder de exclusieve bevoegdheid om disciplinaire maatregelen te nemen tegen politiebeambten die over de schreef gaan. Naeye: 'Een type korpsbeheerder als Van Thijn is echt killing. Hoofdcommissaris Nordholt vond bij Van Thijn immers altijd volledige rugdekking.’ Volgens Naeye moet de beheerder zich echt gaan bemoeien met de debatten. 'Er moet een revival komen van de verantwoordelijkheid van het bestuur, van de korpsbeheerder in dit geval. Dat is iets wat in Nederland nog niet echt doordringt.’
HOEWEL HET NOG even duurt voordat de commissie-Van Traa met een eindrapport komt, hebben de openbare verhoren meer aan het licht gebracht dan verwacht. Of de cyclus van scandal and reform werkelijk zo slecht in de Nederlandse cultuur past, zoals Frank Kuitenbrouwer beweerde in NRC Handelsblad, valt nog te bezien. Een ding is duidelijk: de schrik zit er bij politie en justitie goed in. Geen stap wordt nog gezet zonder toestemming vooraf, zonder controle van bovenaf, zonder de toetsing door de rechter.
Een grootscheepse ontslagprocedure lijkt uitgesloten. Dat neemt niet weg dat geleidelijk aan, door middel van nieuwe benoemingen en dergelijke, een 'nieuwe generatie’ leidinggevenden zal aantreden. Die zal zich niet kunnen onttrekken aan haar verantwoordelijkheden, zich niet kunnen verschuilen achter zijn superieuren of achter het excuus van onwetendheid. Niemand kan nog aankomen met de smoes dat hij domweg niet op de hoogte was omdat hem niets is verteld. Want, zo merkte Van Traa fijntjes op tijdens een van de verhoren: 'Dan had u dat toch kunnen vragen?’