INTERVIEW MET HU JIA

‘De communistische partij is over vijf jaar verdwenen’

Nu de Olympische Spelen naderen krijgen buitenlandse journalisten in China vaker toestemming om interviews te doen. Maar dissidenten worden onverminderd scherp in de gaten gehouden. Zo ook Hu Jia.

Hu Jia verschilt radicaal van andere dissidenten in China. Hij is jong, heeft een kind op komst en zou gemakkelijk steenrijk kunnen worden. Maar dat laatste is aan hem niet besteed.

Het Bo Bo Vrijheidscomplex aan de rand van Peking is wel de laatste plek waar je een van China’s meest geharde dissidenten zou verwachten. Een vriendelijke middenklassebuurt met bloemen in de bakken en gras in de perken. Joelende kinderen jagen achter een ballon aan en ouderen op bankjes dutten wat in de herfstzon. Een Chinese versie van de Nederlandse buitenwijken van de jaren zestig en zeventig. Iedere arbeider – in China’s geval wittenboordenwerker – heeft zijn appartement en zijn autootje. Een droom die na ruim twee decennia van hervormingen en een jaarlijkse economische groei van tegen de tien procent voor steeds meer Chinezen werkelijkheid wordt.

Ook de ontvangst aan de controlepost voor Hu Jia’s appartementenblok lijkt weinig op het grimmige maoïstische China van weleer. Twaalf uur, lunchtijd. Twee stevige staatsveiligheidsagenten eten buiten op klapstoelen hun maaltje uit polystyreen bakjes. Een kat schurkt zich tegen hun enkels en klaagt om zijn deel. ‘Hu Jia, je gaat Hu Jia interviewen’, stelt de geüniformeerde beambte in perfect Engels. De ander, in leren jack en met stekeltjeshaar, kijkt smakkend op. ‘Papieren alstublieft.’

Sinds 1 januari dit jaar kunnen geregistreerde buitenlandse journalisten iedereen die daarmee instemt zomaar interviewen. De regel dat er toestemming van hogerhand moet komen voor zelfs maar een praatje op straat over de kwaliteit van McDonald’s is tot na de Olympische Spelen in augustus volgend jaar opgeschort. In de praktijk levert dat zeker in de verre provincies nog altijd weinig op, maar in Peking, en zeker in het geval van op de voorgrond tredende activisten, kunnen de autoriteiten er onmogelijk onderuit. Hu Jia mag dan al maandenlang in huisarrest zitten, officieel is hij nergens voor veroordeeld. ‘Je hebt zelfs chocolade voor hem gekocht, zie ik’, zegt een van de bewakers. ‘Tja, ik weet ook niet of vegetarische boeddhisten dat eten’, antwoord ik, ‘maar zijn vrouw is hoogzwanger en misschien houdt zij er wel van.’ Ze knikken. ‘Waar gaan jullie over praten?’ vraagt de man in uniform. ‘Over de motivatie achter zijn acties’, zeg ik: ‘De toekomst voor z’n gezin. Hij zit uitzichtloos gevangen en over twee weken komt het kind. En dat terwijl hij gemakkelijk succesvol had kunnen zijn in het bedrijfsleven.’

Hu Jia werd in 1973 in Peking geboren. Zijn ouders waren als studenten in 1957 tijdens de Anti-Rechtsen Campagne verbannen naar het arme platteland in Hebei, Gansu en Hunan. Ze leefden voor lange perioden gedwongen gescheiden, maar in de nadagen van de Culturele Revolutie wisten ze zich toch min of meer weer vast in Peking te vestigen. Pas in 1978, toen Deng Xiaoping aan de macht was, werd hun politieke veroordeling opgeheven.

Net als zijn ouders liet ook Hu Jia zich niet plooien naar het dictatoriale model. In zijn studiejaren raakte hij betrokken bij indertijd uiterst controversiële milieuactiegroepen, waaronder Friends of Nature van de legendarische Liang Congjie. Hij maakte zich in 2000 definitief politiek verdacht met zijn werk voor Aizhixing, een rechtengroep voor aidspatiënten die werd opgezet door de activist Wan Yanhai. Nu richt Hu Jia zich met zijn eigen organisatie op de patiënten en wezen in de beruchte aidsdorpen van de provincie Henan. Verder voert hij acties voor de vrijlating van politieke gevangenen. Op een van de verjaardagen van het bloedbad van het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 zette hij een altaartje neer op Tienanmen. Dat hij vanwege deze activiteiten talloze malen is opgepakt zal geen verbazing wekken, maar de manier waarop hij zich verdedigt is voor Chinese begrippen ongekend brutaal: altijd wil hij weten volgens welke wetten en verordeningen hij is opgepakt. Hij krijgt zelden antwoord.

‘Waren ze een beetje aardig aan de poort?’ vraagt Hu Jia als hij na alle administratieve rompslomp dan toch de deur voor me open kan doen. ‘Opvallend zelfs’, zeg ik. ‘Ze hebben er zelfs een in uniform die duidelijk wat pr-training heeft gedaan. Zo een die je hier in Peking alleen voor de ambassades tegenkomt.’

Hij denkt even na: ‘Die kende ik nog niet. Ze zullen hem wel hebben laten overkomen toen ze door het meeluisteren van onze telefoongesprekken begrepen dat je eraan kwam.’

Hu Jia is zo’n één meter zeventig en broodmager. Meer dan zestig kilo weegt hij niet. Je zou niet zeggen dat hij in de toptien van staatsvijanden staat. Gebrild, een beetje gebogen; je zou hem overal in de Pekingse studentenwijken tegen kunnen komen. ‘Een vit noemen ze me’, lacht hij, ‘een Very Important Troublemaker.’

Half februari vorig jaar werd Hu Jia op klaarlichte dag op straat gekidnapt en zonder medeweten van de buitenwereld 41 dagen door de staatsveiligheidsdienst vastgehouden. Toen hij vrijkwam was hij doodziek. ‘De diagnose was dat m’n lever ernstig is beschadigd’, zegt hij. ‘De dokter vroeg of ik veel drink.’ Hu Jia echter is een devoot aanhanger van de dalai lama, een ander aspect waar Peking niet blij mee is, en drinkt geen druppel. ‘Het kan zich uiteindelijk tot kanker ontwikkelen.’ Dat hij tijdens zijn opsluiting geen medicijnen kreeg en dat hij in hongerstaking ging verergerde de situatie. Uiteindelijk bracht hij vijf weken door in het ziekenhuis.

Zeng Jingyan, Hu Jia’s 24-jarige hoogzwangere vrouw, is ook thuis. Zij heeft officieel nog beperkte bewegingsruimte, maar ze wordt overal op straat hinderlijk gevolgd. Autorijden is er in haar conditie niet meer bij.

De twee ontmoetten elkaar in 2001 tijdens acties voor de rechten van aidspatiënten. Begin vorig jaar trouwden ze. Een maand later werd Hu Jia ontvoerd. Het bestaan van dit paar moet in de context van het moderne China worden gezien. Talentvolle jonge mensen kunnen in de groeiende economie snel behoorlijke welstand bereiken. Dat is wat Hu Jia en Zeng Jingyan mogelijk aan zich voorbij laten gaan. Want dat ze hun aanzienlijke vermogens en wilskracht ook winstgevender zouden kunnen inzetten is duidelijk. Het appartement is gekocht door Hu Jia’s moeder en ze leven van wat werk dat Jingyan thuis op de computer kan doen. Van buitenlandse ngo’s nemen ze geen cent aan. Ze zouden in dat geval maar al te gemakkelijk kunnen worden beschuldigd van spionage of het verkopen van staatsgeheimen.

‘Het verschil zit ’m in een goed leven en een betekenisvol leven’, zegt Hu Jia opgewekt. ‘Het is voor de meeste stedelingen inderdaad zo dat de regering zich niet met hen bemoeit zolang ze het de overheid maar niet lastig maken. Maar ga naar het platteland, ga naar de aidsgebieden, praat met de mensen die zijn verdreven door de Drie Kloven-dam en je maag draait om. Daarover kan en mag ik niet zwijgen.’

Hu Jia zit dan wel in huisarrest, dat wil nog niet zeggen dat zijn activiteiten gedwongen zijn opgeschort. Dat is te merken. Voortdurend gaat zijn telefoon.

Sinds 22 september wordt de mensenrechtenadvocaat Gao Zhisheng vermist. Gao, die sinds december vorig jaar in huisarrest zat wegens het ‘aanzetten tot subversie’, stuurde een dag voor zijn verdwijning een open brief aan het Amerikaanse Congres met een opsomming van China’s schendingen van de mensenrechten. Volgens de Falungong-krant The Epoch Times wil Peking Gao uit de hoofdstad hebben verwijderd voordat de Olympische Spelen van start gaan. Een andere advocaat, Li Heping, die het opneemt voor milieuactivisten en christenen, werd onlangs door tien man gegrepen, in een kelder opgesloten en vier uur lang bewerkt met elektrische stokken. Er werd hem duidelijk gemaakt dat hij maar beter zijn huis kan verkopen, zijn werk stopzetten en Peking verlaten.

Ondanks die gitzwarte werkelijkheid is Hu Jia optimistisch over de toekomst voor zijn ongeboren kind. De Olympische Spelen mogen dan wel de reden zijn voor veel van de huidige mensenrechtenschendingen in Peking, uiteindelijk leiden deze internationale mega-evenementen onvermijdelijk tot de val van het regime, zegt hij. ‘Buitenlandse aandacht vreet aan een dictatuur en leidt tot democratisering, zoals dat ook in Korea en Taiwan is gebeurd.’ Voor bewijs zegt hij niet ver te hoeven zoeken: ‘Peking moet zich nu houden aan die nieuwe regel voor de buitenlandse pers. Die is ingesteld vanwege de Spelen, maar kan nadien onmogelijk worden teruggedraaid. Waren de Spelen er niet geweest, dan zat jij hier nu niet met mij te praten. Voor ons kunnen er niet genoeg evenementen worden gehouden, zoals ook de wereldtentoonstelling in Shanghai in 2010.’ Als zijn kind vijf jaar is, is de communistische partij weggevaagd, zegt hij.

Een paar dagen later ontmoet ik het echtpaar opnieuw, in een ziekenhuis. Hu Jia mag uitsluitend de straat op om zijn vrouw te begeleiden naar de regelmatige zwangerschapscontroles, want hij is momenteel de enige van de twee die kan autorijden. Ze worden tot aan de deur van de gynaecoloog gevolgd door de staatsveiligheidsdienst. Alleen binnen heeft Jingyan even rust. ‘Zie je die twee weer aan het einde van de gang?’ vraagt Hu Jia. Al bij aankomst stonden de twee klaar. Ze volgden ons openlijk, met een tasje met videocamera erin onder de oksel. ‘Wat zouden ze zelf van hun werk vinden?’ vraag ik. ‘Ach, voor hen is het gewoon een baantje’, zegt Hu Jia lachend. ‘Mensen volgen, ze in elkaar slaan, ontvoeren. Het maakt ze niets uit. Ze hadden ook op het postkAntoor kunnen werken.’