‘Er is in Nederland veel om uit, maar weinig om tussen te kiezen’, schrijft hoogleraar staatsrecht Wim Voermans in zijn boek Het land moet bestuurd worden, dat vlak voor de verkiezingen uitkwam. Hij en andere critici van wat het ‘grijze’ of ‘redelijke midden’ is gaan heten hebben lange tijd gelijk gehad, en inmiddels ook hun zin gekregen. Sinds maart houdt een regenboog van flankpartijen de klassieke partijen uit het modderige midden scherp in de gaten. Zodra GroenLinks niet ‘intersectioneel’ of woke genoeg is, zullen ze dat horen van BIJ1. Zodra de partij niet ver genoeg gaat op klimaatterrein, kraait de Partij voor de Dieren. d66 kreeg met Volt een kosmopolitisch zijspan. Het cda kampt binnenkort zelfs met twee satellietbewegingen die als lastige muggen om ze heen zoemen: de BoerBurgerBeweging en een nu echt autonome Pieter Omtzigt.

Zo’n veelvoud van nieuwe perspectieven en keuzes zou nieuwe ideologische zuurstof moeten brengen, maar is tijdens de formatie vooral een obstakel gebleken. Het was de nadrukkelijke opdracht van de Tweede Kamer aan Mariëtte Hamer om op zoek te gaan naar inhoudelijke overeenstemming en pas in de tweede plaats te kijken naar ‘wie-met-wie’. Het probleem volgens Hamer zelf? ‘Die manier kan alleen maar slagen als partijen daadwerkelijk de inhoud voorop willen stellen. Het is gebleken dat partijen maar gedeeltelijk bereid zijn dit te doen.’

Vergelijkingen met ‘het kneusje van Europa’ dringen zich op. In België, schrijft Naïm Derbali, verdrukken sterke boodschappen aan de eigen achterban al tien jaar de inhoudelijke overeenstemming over de grote thema’s van deze tijd. ‘Inhoudelijk waren er weinig belemmeringen’, zei een diep bezorgde Hamer in haar slotverklaring over de Nederlandse situatie. Sterker nog: toen de hoofdlijnen er lagen en pvda en GroenLinks gretig aanschoven, deinsden de vvd en vooral het cda geschrokken terug. Zij vonden zichzelf plots aan een formatietafel met partijen die ze steeds meer als tegenstanders cultiveerden. Zij bliezen de coalitiemogelijkheid op, nog voordat die verder verkend kon worden. Sigrid Kaag had vanwege soortgelijke motieven al eerder deze zomer hetzelfde gedaan met de ChristenUnie. Hoe kan het dat partijen die volgens het eindrapport van de informateur inhoudelijk tegen elkaar aan kruipen, en die in het verleden samenwerkten, nu alsnog voor elkaar weg hollen?

Een sluitende verklaring had Hamer niet, wel het begin van een gedachte: ‘Wat mij fascineert is dat de opgaves zo helder zijn – klimaat, arbeidsmarkt, wonen – en dat mogelijk de drang om jezelf dan te onderscheiden groter wordt.’

Noem het de consensusparadox. De uitdagingen van deze tijd zijn zo weinig controversieel dat in het brede midden de noodzaak is ontstaan om polarisatie te spelen uit lijfsbehoud. Dan moet je teleurgesteld vaststellen dat de schare van scherpslijpers op de flanken niet zozeer partijen op de inhoud bedreigt, als wel in beeldvorming. Het midden splijt zo als gevolg van een poging de eigen middenpositie te ontkennen.

Bij geen partij is dit zo zichtbaar als bij het cda, dat eind deze week tijdens een partijcongres opnieuw debatteert over waar het voor staat. Sinds de verkiezingen heeft Wopke Hoekstra zijn partij zo’n beetje overal gepositioneerd. Eerst als liberale uitdager van Mark Rutte die best iets zag in het inperken van de vrijheid van onderwijs. Vorige week was hij plots de conservatief die juist dit soort onderwerpen opwierp als een muur tegen te ‘liberale’ en ‘linkse’ partijen. Zijn brief aan zijn cda-achterban was veelzeggend: niet alleen de pvda en GroenLinks, maar ook d66 noemde hij ‘links’.

De vraag die na het lezen van het verhaal overbleef: als zij allemaal links zijn, wat is het cda dan? Rechts? En als die scheidslijn zo scherp is geworden, wie is dan nog het midden?