Essay: de diepe kloof tussen Europa en Amerika

De continentale waterscheiding

Terwijl Europa haar op zichzelf staande wereld van wetten en regels steeds inniger omhelst, lijkt Amerika meer en meer geneigd tot het gebruik van militaire machtsmiddelen. De oude en de nieuwe wereld zijn het over weinig zaken met elkaar eens en begrijpen elkaar steeds minder. De kloof is breed en blijvend.

Het is tijd om de illusie te doorbreken dat Europeanen en Amerikanen hetzelfde wereldbeeld delen, of zelfs dezelfde wereld bewonen. De Amerikaanse en Europese opvattingen over veruit het belangrijkste vraagstuk, dat van de macht — het nut van macht, de ethiek van de macht — lopen sterk uiteen.

Europa keert zich af van de macht. Zij overstijgt de macht en begeeft zich in een op zichzelf staande wereld van wetten en regels, transnationale onderhandelingen en samenwerkingsverbanden. Het treedt binnen in een posthistorisch paradijs van vrede en relatieve welvaart, de verwezenlijking van Kants «eeuwigdurende vrede».

Ondertussen zitten de Verenigde Staten nog altijd vast in het moeras van de historische realiteit. Zij oefenen hun macht uit in een hobbesiaanse wereld, waarin internationale wetten en regels onbetrouwbaar zijn en waarin de werkelijke veiligheid en de verdediging en bevordering van de liberale wereldorde steunen op het bezit en het gebruik van militaire macht.

Vandaar dat momenteel ten aanzien van alle belangrijke strategische en internationale vraagstukken de indruk ontstaat dat de Amerikanen van Mars en de Europeanen van Venus afkomstig zijn: ze kunnen zich slechts zeer ten dele in elkaars standpunten vinden en begrijpen elkaar steeds minder. Deze toestand is niet van voorbijgaande aard, niet het gevolg van één enkele Amerikaanse verkiezing of één rampzalige gebeurtenis. De oorzaken voor de trans-Atlantische kloof zijn diepgeworteld, hebben zich over een lange tijdsspanne ontwikkeld en zijn naar alle waarschijnlijkheid blijvend.

Vanwaar deze zo sterk uiteenlopende gezichtspunten? Ze liggen niet diep in de volksaard verankerd. Twee eeuwen geleden appelleerden Amerikaanse staatsmannen nog aan een internationale rechtsorde en keken zij minachtend neer op «machtspolitiek», terwijl Europese staatslieden de mond vol hadden van de raison d’état. De Europeanen marcheerden op naar de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog, gelovend in macht en militaire roem, terwijl de Amerikanen spraken over arbitrageverdragen. Tegenwoordig zijn de rollen omgedraaid.

Deze ommekeer laat zich ten dele verklaren door de enorme verschuiving in het machtsevenwicht. Ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog opende zich tussen de Verenigde Staten en Europa een wijde kloof, en deze heeft zich de afgelopen tien jaar nog verbreed.

Amerika’s ongeëvenaarde militaire macht heeft vanzelfsprekend geleid tot een grotere neiging om haar militaire machtsmiddelen in te zetten en haar geloof in de ethische legitimiteit van het gebruik van macht versterkt. Europa’s relatieve zwakte heeft geleid tot een aversie tegen macht als instrument in de internationale betrekkingen.

De huidige Europeanen streven, net als de Amerikanen tweehonderd jaar geleden, naar een wereldorde waarin macht geen rol van betekenis heeft, waarin het machtige naties verboden is unilateraal op te treden, waarin alle naties — ongeacht hun militaire macht — beschermd worden door algemeen aanvaarde gedragsregels.

Voor veel Europeanen is het belangrijker om vooruitgang te boeken in de totstandkoming van deze wereldorde dan om de dreiging van Saddam Hoessein te elimineren.

Voor Amerikanen is het hobbesiaanse wereldbeeld minder beangstigend. Unilateralisme is uiteraard aanlokkelijker voor iemand die over de middelen beschikt om unilateraal op te treden. En sterke naties worden door de internationale wetgeving sterker aan banden gelegd dan zwakkere naties.

Als gevolg van het machtsverschil hebben Amerikanen en Europeanen een heel andere kijk op dreigingen gekregen. Iemand die alleen met een mes gewapend is, kan besluiten dat een door het bos dolende beer een aanvaardbaar gevaar is — het is riskanter om te proberen de beer te doden dan om je gedeisd te houden en te hopen dat de beer je nooit zal aanvallen.

Maar iemand die over een geweer beschikt, zal waarschijnlijk tot een heel andere slotsom komen: waarom zou hij het risico lopen verscheurd te worden als dat niet noodzakelijk is?

Amerikanen kunnen zich zonder probleem voorstellen hoe ze Irak binnenvallen en Saddam ten val brengen. Vandaar dat meer dan zeventig procent van de Amerikanen voorstander is van een dergelijke operatie, vooral na 11 september. Europeanen vinden een dergelijk vooruitzicht onvoorstelbaar en beangstigend.

Maar het is niet alleen de machtskloof die de Amerikanen en Europeanen tegenwoordig van elkaar scheidt. Europa’s relatief vreedzame strategische cultuur is het product van haar oorlogrijke verleden. De Europese Unie is een monument voor Europa’s verwerping van de oude machtspolitiek.

Wie kent de gevaren van de Machtpolitik beter dan een Frans of Duits staatsburger? Zoals Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, zei: «Het concept van het Europa van na 1945 was en is nog altijd een verwerping van het Europese principe van het staatkundig evenwicht en van het machtsstreven van individuele staten dat de kop opstak na de Vrede van Westfalen in 1648.»

Amerikaanse realisten zullen een dergelijke verklaring weghonen, maar binnen de Europese context heeft Fischer gelijk: men heeft de brute wetten van de machtspolitiek daadwerkelijk herroepen. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de Europese samenleving zich niet ontwikkeld op basis van de traditionele uitoefening van de macht, maar rond de voltrekking van een geopolitiek wonder: de Duitse leeuw heeft zich neergevleid naast het Franse lam.

Het nieuwe Europa is een succes, niet doordat het een machtsevenwicht tot stand heeft gebracht, maar doordat het de macht is ontstegen. Zoals de Britse diplomaat Robert Cooper opmerkte, leeft Europa tegenwoordig in een «post-modern systeem», dat niet op macht is gefundeerd maar op «de verwerping van macht» en op «zelfopgelegde gedragsregels». De raison d’état is «vervangen door een ethisch bewustzijn».

De middelen waardoor dit wonder tot stand werd gebracht, hebben voor de Europeanen logischerwijze een gewijde mystieke glans gekregen, vooral sinds het einde van de Koude Oorlog.

Diplomatieke tact, onderhandelingen, geduld, het smeden van economische banden, politiek engagement, het gebruik van stimulering in plaats van sancties, het zetten van kleine stappen en het temperen van de nationale ambities ter wille van het succes — dat waren de instrumenten van de Frans-Duitse toenadering en zijn derhalve de instrumenten die de Europese integratie mogelijk hebben gemaakt.

Het wonder van de integratie was niet gebaseerd op militaire afschrikking, maar op een verwerping van militaire macht als instrument in internationale aangelegenheden, ten minste binnen de Europese context.

Daarbuiten werd de collectieve veiligheid gewaarborgd door de deus ex machina van de Verenigde Staten, via de militaire structuren van de Navo. In de veilige beschutting van deze muur streefden de Europeanen hun nieuwe orde na, niet gehinderd door de mentaliteit van de machtspolitiek.

Deze ontwikkeling van het oude naar het nieuwe nam in Europa een aanvang tijdens de Koude Oorlog. Maar pas door het einde van de Koude Oorlog, toen zelfs het gevaar van de Sovjet-Unie wegviel, kon de nieuwe Europese orde — en haar nieuwe idealisme — volledig tot bloei komen.

Het is wellicht geen toeval dat de verbluffende vooruitgang die de afgelopen jaren op het punt van de Europese integratie geboekt werd, niet gepaard is gegaan met het ontstaan van een Europese supermacht, maar veeleer met een vermindering van de Europese militaire capaciteiten ten opzichte van de Verenigde Staten.

Mogelijk is een van de oorspronkelijke voordelen van de Europese Unie geweest dat het van Europa een supermacht moest maken die in staat zou zijn tegenwicht te bieden aan de macht van de Verenigde Staten. Maar is het streven naar Europese «macht» eigenlijk niet een soort atavistische drang die niet langer strookt met de idealen van een postmodern Europa dat voor haar bestaan juist volledig afhankelijk is van de verwerping van de machtspolitiek?

Wat de architecten van de Europese integratie ook voor ogen mag hebben gestaan, het is duidelijk dat het proces van de Europese integratie ten koste is gegaan van de Europese militaire macht, en zelfs ten koste van een belangrijke rol voor Europa op het wereldtoneel.

Het feit dat Europa zich afwendt van de macht heeft zich immers niet alleen gemanifesteerd in krappe of inkrimpende Europese defensiebudgetten, maar ook op andere manieren, zelfs op het terrein van de «zachte» macht.

Europese leiders spreken over Europa’s cruciale rol in het wereldgebeuren. Romano Prodi, de president van de Europese Commissie, hunkert ernaar «om onze stem te doen horen, om ervoor te zorgen dat onze daden van betekenis zijn». En het is waar dat de Europeanen veel geld besteden aan ontwikkelingshulp; per hoofd van de bevolking méér — zij wijzen er graag op — dan de Verenigde Staten. De Europeanen nemen deel aan overzeese militaire missies, zolang deze missies zich voornamelijk beperken tot het handhaven van de vrede. Maar al dompelt de EU dan van tijd tot tijd in het Midden-Oosten of op het Koreaanse schiereiland haar vingers in de woelige internationale wateren, in werkelijkheid is haar buitenlandse beleid waarschijnlijk het meest futloze voortbrengsel van de Europese integratie.

Zoals Charles Grant, die de ontwikkelingen in de EU welwillend volgt, heeft opgemerkt, zijn er weinig Europese leiders die «er veel tijd of energie aan besteden». De initiatieven die de EU in het kader van haar buitenlands beleid ontplooit, zijn over het algemeen kortstondig en kunnen zelden rekenen op blijvende steun.

Is Europa in staat haar koers te wijzigen en kan zij een belangrijker rol op het wereldtoneel gaan spelen? Er zijn talloze Europese leiders geweest die hierop hebben aangedrongen. En het feit dat de EU momenteel zo’n zwak buitenlands beleid voert, is nog niet automatisch het bewijs dat dit ook in de toekomst zwak zal blijven, gezien de wijze waarop de EU haar zwakheden op andere gebieden in het verleden heeft weten te overwinnen.

Maar toch lijkt de politieke wil te ontbreken om te streven naar meer macht voor Europa, en wel om de zeer goede reden dat Europa geen missie voor ogen heeft waarvoor macht vereist is.

Het is veelzeggend dat het dezer dagen door Europeanen meest naar voren gebrachte argument voor het versterken van de eigen militaire macht niet is dat Europa daardoor haar strategische horizon zal uitbreiden. Het dient slechts om de Verenigde Staten te beteugelen en te «multilateraliseren». «Amerika», schrijft de Britse geleerde Timothy Garton Ash, «heeft te veel macht voor ieders bestwil, ook voor die van hemzelf.» Dat is de reden dat Europa macht moet vergaren, louter om de wereld en de Verenigde Staten te behoeden voor de gevaren die inherent zijn aan de huidige onevenwichtigheid in de machtsverhoudingen. Of dit op zichzelf genomen nu wel of geen waardige missie is, het lijkt onwaarschijnlijk dat men er in Europa bijzonder warm voor zal lopen. Zelfs Hubert Vedrine heeft al in geen tijden meer gerept over het vormen van een tegenwicht tegen de Verenigde Staten. Tegenwoordig haalt hij zijn schouders op en verklaart hij dat er «voor de Europeanen geen reden is om een land te evenaren dat op vier fronten tegelijk kan oorlogvoeren».

In de jaren negentig, toen de defensie-uitgaven van de Verenigde Staten jaarlijks 280 miljard dollar bedroegen, kon Europa haar gemeenschappelijke defensiebudget van jaarlijks 150 miljard dollar nog verhogen naar 180 miljard dollar. Maar nu de Verenigde Staten in ijltempo op weg zijn om het jaarlijkse budget op te schroeven tot 500 miljard is Europa geenszins van plan om daarmee gelijke tred te houden.

Lord Robertson, de secretaris-generaal van de Navo, is ertoe overgegaan Europa een «militaire dwerg» te noemen in een poging de Europeanen door schaamte te bewegen hun budget te vergroten en verstandiger te besteden. Maar wie gelooft er nu werkelijk dat de Europeanen hun beleid zullen veranderen? Ze hebben vele redenen om dat niet te doen.

In plaats van te streven naar macht zijn de Europeanen de evangelisten geworden van hun eigen postmoderne evangelie van internationale betrekkingen.

De invoering van het Europese wonder in de rest van de wereld is Europa’s nieuwe mission civilisatrice geworden. Als het mogelijk is om Duitsland door omzichtige toenadering te temmen, zo houden de Europeanen hun Amerikaanse vrienden voor, waarom zou dat dan niet lukken met Iran, of zelfs met Irak?

Net zoals de Amerikanen altijd hebben geloofd dat zij het geheim van het menselijk geluk hadden ontdekt en dit naar de rest van de wereld wilden exporteren, hebben de Europeanen nu een nieuwe missie die voortkomt uit hun eigen ontdekking van de eeuwigdurende vrede.

Het feit dat Europa de machtspolitiek ontstegen is, is er de oorzaak van dat de Europeanen en de Amerikanen ieder een eigen koers varen. De Amerikanen hebben het Europese wonder niet aan den lijve ondervonden. Ze hebben niet ervaren hoe idealen en orde succesvol gepropageerd kunnen worden zonder gebruik te maken van machtsmiddelen. Ze herinneren zich de afgelopen vijftig jaar als een Koude Oorlog die uiteindelijk werd gewonnen door kracht en vastberadenheid, niet door de spontane triomf van een «ethisch bewustzijn».

Als brave volgelingen van de Verlichting geloven de Amerikanen in de volmaakbaarheid van de mens. Maar de Amerikanen — van Donald Rumsfeld tot Madeleine Albright — geloven ook dat een wereldomvattende veiligheid en een liberale orde afhankelijk zijn van de Verenigde Staten, die «onmisbare natie» die haar macht uitoefent in de gevaarlijk hobbesiaanse wereld die, althans buiten Europa, nog altijd voortbestaat. Vooral na 11 september herinneren de meeste Amerikanen zich München, niet Maastricht.

De ironie wil dat deze trans-Atlantische tegenstelling de vrucht is van een succesvol trans-Atlantisch beleid. Zoals Fischer en andere Europeanen toegeven, zijn het de Verenigde Staten geweest die het «nieuwe Europa» mogelijk hebben gemaakt — door de democratieën in de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog naar de overwinning te voeren en een oplossing aan te dragen voor het eeuwenoude «Duitse probleem».

Zelfs nu nog rust Europa’s verwerping van de machtspolitiek uiteindelijk op Amerika’s bereidheid zijn militaire machtsmiddelen in te zetten tegen een ieder die nog in de machtspolitiek gelooft. Europa’s kantiaanse orde stoelt op het feit dat de Verenigde Staten hun macht gebruiken volgens de oude hobbesiaanse regels.

Slechts weinig Europeanen onderkennen de grote paradox: dat hun overgang naar het posthistorische tijdvak mogelijk is geweest doordat de Verenigde Staten deze overgang niet hebben gemaakt.

In plaats daarvan zijn zij de Verenigde Staten domweg gaan zien als een buiten de wet opererende krachtpatser, die nog meer dan Iran of Irak op meerdere fronten een grote bedreiging vormt voor de momenteel door de Europeanen gekoesterde idealen van vreedzaamheid.

De Amerikanen zijn Europa op hun beurt vervelend, onbeduidend, naïef en ondankbaar gaan vinden, omdat het gratis meelift op het Amerikaanse overwicht. Dit is niet gewoon maar een familieruzie. Wanneer de Amerikanen en Europeanen het niet langer eens zijn over het nut en de ethiek van de macht, wat voor basis bestaat er dan nog voor hun militaire bondgenootschap?

Wat moet er gebeuren? Het voor de hand liggende antwoord is dat Europa haar militaire capaciteiten moet opbouwen, al was het maar marginaal. Er is niet veel reden te hopen dat dit werkelijk zal gebeuren. Maar ja, wie weet? Misschien dat bezorgdheid over Amerika’s buitensporige macht werkelijk enig vuur in Europa zal aanwakkeren.

Mogelijk kan er worden ingespeeld op de atavistische driften die nog altijd rondwaren in de geest van de Duitsers, de Britten en de Fransen — de herinnering aan macht, aan internationale invloed en nationale ambities. Deze impulsen worden momenteel grotendeels gekanaliseerd ten behoeve van Europa’s postmoderne project, maar zouden op traditioneler wijze tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Of wij hierop moeten hopen of dat wij dit moeten vrezen, is een andere kwestie.

Het zou nog beter zijn wanneer de Europeanen onvervaard en zonder rancune op de buiten de wet staande krachtpatser zouden toestappen en zich weer in herinnering zouden brengen hoe cruciaal de noodzaak van een sterk Amerika is — voor de wereld en voor Europa. De Amerikanen kunnen helpen. De regering-Bush was bij haar aantreden prikkelbaar gestemd. Zij stond — net als, in mindere mate, de regering-Clinton — vijandig tegenover het nieuwe Europa, waarin zij niet zozeer een bondgenoot zag, maar eerder een blok aan het been.

Zelfs toen de Europeanen na 11 september aanboden hun zeer beperkte militaire capaciteit in te zetten in Afghanistan hielden de Verenigde Staten de boot af uit angst dat de Europese samenwerking een list was om Amerika aan banden te leggen.

De Amerikanen zijn echter zo machtig dat ze de Europeanen niet hoeven te vrezen, zelfs niet wanneer zij toenadering zoeken met een dubbele agenda. In plaats van zich de Verenigde Staten voor te stellen als een Gulliver die wordt neergehouden door de koorden van de Lilliputters moeten de Amerikaanse leiders beseffen dat hun nauwelijks enige restricties worden opgelegd.

Wanneer de Verenigde Staten in staat zouden zijn de bezorgdheid van zich af te zetten die door dit onterechte gevoel van beperking wordt opgewekt, zouden zij meer begrip kunnen gaan tonen voor de gevoeligheden van anderen en enige grootmoedigheid ten toon kunnen gaan spreiden.

De Verenigde Staten zouden hun eer kunnen betonen aan het multilateralisme en aan de wetsorde en kunnen proberen enig internationaal politiek krediet op te bouwen voor die momenten waarop multilateralisme onmogelijk is en unilaterale actie onvermijdelijk. Zij zouden er, om kort te gaan, beter op kunnen letten dat zij, zoals de grondleggers van Amerika dat noemden, een «gepaste eerbied voor de mening van de mensheid» tonen.

Dit zijn kleine stappen, die onvoldoende zijn om het hoofd te bieden aan de diepgravende problemen waardoor de trans-Atlantische verstandhouding momenteel getekend wordt. Maar het is per slot van rekening geen loze kreet dat de Verenigde Staten en Europa dezelfde westerse opvattingen met elkaar gemeen hebben.

Hun ambities voor de mensheid komen nagenoeg overeen, al hebben hun uiteenlopende opvattingen over macht ertoe geleid dat zij zeer verschillende posities hebben ingenomen. Misschien getuigt het niet van een al te naïef optimisme om te geloven dat er met een beetje wederzijds begrip nog veel te bereiken valt.

Vertaling: Sander Hendriks