Irak, verscheurd door Amerika, kan alleen door Amerika gered worden

De contouren van een burgeroorlog

Na de vernietiging vorige week van het sjiïtische heiligdom de Gouden Moskee escaleerde in Irak het geweld. Het land is gespleten langs talloze lijnen die door het te lang uitblijven van een effectief staatsapparaat breuklijnen zijn geworden.

«Het was er altijd», vertelt een Irakees van middelbare leeftijd die spreekt over zijn jeugd: «Iedereen wist wat de ander was. Als hij in een soennitisch huis was geweest, spoelde de sjiïtische bezoeker zijn mond. Als je als sjiïet een nare droom had gehad, zei je dat het kwam omdat je had gegeten bij een jood of een soenniet.» In zijn jeugd kwamen ze veel voor: gemengde huwelijken. Die tijd is voorbij. In 2002 werd in Bagdad nog vijf procent van alle huwelijken geregistreerd als gemengd. In 2005 was het percentage gereduceerd tot bijna nul.Sinds de Amerikaanse invasie van maart 2003 is Irak speelbal geworden van sektarisch geweld. Koerden en sjiïeten houden er talloze milities op na. Zij tolereren de Amerikaanse troepen, maar stellen dat hun aanwezigheid niet eeuwigdurend kan zijn. Soennitische militanten hebben zich verenigd in verzetsgroepen die steeds strakker georganiseerd zijn en aanzienlijke successen boeken in hun strijd tegen de Amerikanen. Er vinden met regelmaat zelfmoordaanslagen plaats op sjiïtische moskeeën en bevolkingsconcentraties. Doorgaans worden ze toegeschreven aan Tandhim al-Qaeda, de soennitische verzetsgroep van Abu Mussab al-Zarqawi, de inmiddels beruchte Jordaanse terrorist die zegt schatplichtig te zijn aan Osama bin Laden. Hij heeft de aanslagen op sjiïtische doelen nooit opgeëist, maar hij beschouwt sjiïeten als afvalligen van de ware islam en als heulers met de westerse «kruisvaarders».De sjiïtische bevolking nam lang de oproepen in acht van haar religieuze leiders, die pleitten voor terughoudendheid. Maar vorige week woensdag escaleerde het geweld. Een bomaanslag vernietigde de Gouden Moskee, een sjiïtisch heiligdom in Samara waar twee imams uit de beginperiode van het sjiïsme begraven liggen. Anders dan soennitische moslims menen sjiïeten dat het gezag van Mohammed de Profeet is overgegaan op zijn familieleden. Na de dood van de Profeet leidde ruzie over zijn opvolging tot een bloedige strijd die nog altijd diepe sporen trekt door het islamitische landschap. «Vergelijk de gebeurtenis in Samara met het opblazen van de Notre Dame in Parijs of, om een seculier pelgrimsoord te noemen, het Rijksmuseum in Amsterdam», meldt Anneke van Ammelrooy vanuit Bagdad. Zij is directeur van de hulporganisatie Civil Pillar en getrouwd met Ismael Zayer, hoofdredacteur van al-Sabah, het grootste Iraakse dagblad.

In heel Irak gingen sjiïtische milities en soennitische gevechtsgroepen elkaar te lijf. Soennitische moskeeën werden bestormd. Er werden mortieraanvallen uitgevoerd op soennitische en sjiïtische buurten en gemaskerde mannen verrichtten standrechtelijke executies. In enkele dagen vielen honderden, volgens sommigen zelfs duizenden doden.Een dag na de aanslag meldt Anneke van Ammelrooy dat een van de sjiïtische milities, het Mehdi-leger van de radicale geestelijke Moqtada al-Sadr, in delen van Bagdad de straten beheerst en identiteitsbewijzen controleert. «Ooggetuigen die we aan de telefoon krijgen tellen meer dan tien mensen die puur om hun soennitische voornaam op straat zijn doodgeschoten. Ismael herinnert zich dat de Libanese burgeroorlog ook zo begon. We horen dat soennitische jongemannen bij sjiïtische vrienden onderduiken.»De overheid stelde een uitgaansverbod in. Dat werd maandag opgeheven. Die dag bleef het tamelijk rustig, maar dinsdagochtend werd in Tikrit de moskee opgeblazen waarin Saddam Hoessein zijn vader liet begraven. Een antisoennitische wraakactie, die waarschijnlijk zal leiden tot meer geweld. Irak is gespleten langs talloze lijnen die door het te lang uitblijven van een effectief, hoopgevend staatsapparaat breuklijnen zijn geworden. Arabieren domineren. De Arabische identiteit sluit de Koerden in het noorden (die de facto zelfbestuur hebben ingesteld) buiten. En er heerst religieuze verdeeldheid tussen soennitische en sjiïtische moslims. Veel Koerden zijn soennitisch, maar het etnische onderscheid tussen Koerd en Arabier is sterker dan de religieuze solidariteit. Gemeten langs de belangrijkste scheidslijnen is ongeveer zestig procent van de Iraakse bevolking (Arabisch-)sjiïtisch, twintig procent (Arabisch-)soennitisch en iets meer dan vijftien procent Koerd. Verder wonen er nog Assyrische christenen, joden en (soennitische) Turkmenen. Ten slotte is er de historische verdeeldheid: Saddam Hoessein bevoordeelde zijn eigen groep, de soennieten, en voerde brute oorlogscampagnes tegen Koerden en sjiïeten.

De jeugdherinnering aan het begin van dit artikel komt uit een uitstekend gedocumenteerd rapport van de gerenommeerde International Crisis Group (icg), getiteld The Next Iraqi War? Sectarianism and Civil Conflict. De icg sprak met ministers, partijleiders, ambtenaren, militairen en gewone Irakezen uit vrijwel alle bevolkingsgroepen. Afgelopen maandag, toen het sektarische geweld een hoogtepunt had bereikt, werd het gepubliceerd op internet (www.icg.org). Er wordt in beschreven hoe het politieke landschap van Irak is uiteengevallen in partijen die zijn georganiseerd op etnische en sektarische gronden. Te lang hebben de Amerikanen de Koerden en sjiïeten bevoordeeld en de soennieten benadeeld.Het sektarische geweld is niet het logische gevolg van het verdwijnen van Saddam Hoesseins terreurregime, stellen de onderzoekers, maar van de stereotypering en de angst die de samenleving na de bevrijding in hun greep hebben. Koerden en sjiïeten vrezen de soennitische rebellen, de soennieten op hun beurt vrezen de wraak van Koerden en sjiïeten, die hen zien als handlangers van de Baath-partij, voorheen Hoesseins politieke ruggengraat.Irak lijkt gevangen in een klassieke oorlogspsychose. Het politieke gesteggel over een grondwet, met als breekpunten de verdeling van olie-inkomsten en de door de Koerden en (een deel van) de sjiïeten bepleite federalisering, was niet alleen de uitkomst van het snel groeiende sektarisme, maar versterkte het bovendien. Volgens de icg sluipt de segregatie voort in de media, de politiek en de geestelijkheid. Gemengde gebieden worden steeds homogener. De minderheden zoeken een veilig heenkomen. De Amerikanen hebben verzuimd het sektarisme zijn moordwapens te ontnemen. Hun bestrijding van het soennitische verzet is ineffectief en te lang is niets ondernomen tegen de sjiïtische milities. De twee belangrijkste zijn de Badr-brigade, die is gelieerd aan de sjiïtische sciri-partij, en Moqtada al-Sadrs Mehdi-leger. Beide tellen duizenden gewapende aanhangers en beconcurreren elkaar. Vorig jaar braken in verschillende Iraakse steden gevechten uit tussen de twee milities.

Daarnaast heeft de haastige opbouw van een nationaal Iraaks leger (de Iraakse Nationale Garde) geleid tot een rampzalige driedeling. Koerden en sjiïeten domineren de legerkorpsen. In de krijgsmachtdelen vindt nauwelijks vermenging plaats tussen etniciteiten en religies. Bij dreiging van een burgeroorlog, zoals nu, is het inzetten van de krijgsmacht daardoor een heikele zaak geworden.Hetzelfde geldt voor de politie. De minister van Binnenlandse Zaken is een sjiïet van de sciri. De Badr-brigade is de politiemacht op alle niveaus geïnfiltreerd. Sinds het ministerie vorig jaar in sjiïtische handen kwam, is een vuile oorlog aan de gang. Aanslagen op sjiïeten worden sindsdien beantwoord door acties van mannen in politie-uniform, rijdend in wagens met staatsemblemen en vurend uit officiële (westerse) politiewapens. Soennitische mannen worden ontvoerd en doodgeschoten.Reizen buiten Bagdad is voor Irakezen al tijden een heikele zaak. Auto’s worden bij geïmproviseerde checkpoints tegengehouden. Zijn die posten bemand met gemaskerde mannen, dan zijn het soennitische rebellen op zoek naar sjiïeten. Zijn het politieagenten, dan betekent een soennitische voornaam op het identiteitsbewijs vrijwel zeker dat de reiziger de volgende dag wordt teruggevonden in het mortuarium.De Iraakse nationale veiligheidsadviseur Mowaffak al-Rubaie liet zijn inlichtingendiensten onderzoek doen naar het gevaar van een burgeroorlog. «Het rapport stelt dat een oorlog tussen Arabieren en Koerden of Turkmenen en Koerden onwaarschijnlijk is», vertelde hij de icg-onderzoekers. «Het zal waarschijnlijk een oorlog worden tussen soennieten en sjiïeten, voornamelijk in gemengde gebieden. Er bestaat ook het gevaar van een intra-sjiïtische oorlog (tussen de Badr-brigade en het Mehdi-leger – jb).»_De vraag is wat er gedaan kan worden om te voorkomen dat de vuile oorlog overgaat in een volledige burgeroorlog. _Mowaffak al-Rubaie: «De burgeroorlog kruipt verraderlijk voort. We moeten daar de vroege tekenen van onderkennen.» Volgens de nationale veiligheidsadviseur is het van het grootste belang om Bagdad veilig te stellen, «want als er een sektarische oorlog uitbreekt, zal die daar beginnen».Maar in Bagdad valt weinig veilig te stellen, legt Issam al-Khafaji uit. Hij was vlak na de oorlog adviseur van de Amerikaanse autoriteiten in Irak. «Sadr-City (een sjiïtische wijk – jb) is zo’n beetje de veiligste wijk in Bagdad. Daar zwaait het Mehdi-leger de scepter. De mensen daar willen helemaal niet dat de staat het overneemt. Op de staat kunnen ze niet rekenen, op hun militie wel.»Al-Khafaji meent dat Irak dichter bij een burgeroorlog is gekomen na de aanslag in Samara, maar hij wil niet pessimistisch zijn: «De politici zijn slechts bezig met hun eigen belang en daarbij verliezen ze de langetermijngevolgen uit het oog. Maar er is een weg terug. Het geweld lijkt nu beteugeld. In hun verklaringen wakkeren de politici het geweld niet aan. We moeten naar een regering van nationale eenheid. En de sjiïeten moeten een sterk politiek blok tegenover zich krijgen. Nu zijn ze te dominant in de politiek.»Al-Khafaji ziet de macht van de milities als het grootste kwaad waar Irak op dit moment mee te maken heeft: «In 2004 wilden de Amerikanen hen al ontwapenen. Dat is niet gebeurd. Het is moeilijker nu, maar niet onmogelijk.» Het gevaar bestaat dat een burgeroorlog zal leiden tot het uiteenvallen van Irak in een Koerdisch, een soennitisch en een sjiïtisch deel. Dat zal de hele regio destabiliseren, met desastreuze gevolgen voor de olietoevoer. Saoedi-Arabië, Syrië en de Verenigde Arabische Emiraten hebben aanzienlijke sjiïtische minderheden binnen de grenzen. Turkije, Syrië en Iran, waar Koerden leven, kunnen geen Koerdische staat tolereren. Het sjiïtische Iran lijkt gebaat bij het verdwijnen van de Iraakse eenheidsstaat, maar het land heeft flink wat Arabieren op zijn grondgebied die het de (Perzische) machthebbers erg moeilijk zouden kunnen maken. Buiten Irak ziet vrijwel iedereen het uiteenvallen van het tweestromenland dan ook als een rampscenario.Het Iraakse leger, de politie, de geestelijkheid en de politiek – alle doortrokken van sektarisme – zullen niet behulpzaam zijn bij het beteugelen van de angstpsychose. De 130.000 Amerikaanse troepen zijn de enige macht in het land die los staat van alle facties. De huidige Amerikaanse ambassadeur in Irak, de van oorsprong Afghaanse Zamay Khalilzad, is een havik: hij onderschreef de ultraconservatieve agenda voor Amerikaanse wereldhegemonie, The Project for the New American Century. Hij ziet echter het gevaar.Khalilzad zet nu de Koerden en sjiïeten onder druk. Hij liet onomwonden weten dat de VS geen sektarisme accepteren, zeker niet in het staatsapparaat. Eerder al liet hij Amerikaanse troepen geheime detentiecentra bestormen waar de Badr-brigade soennieten martelde. De tijd dat naar federalisme strevende Koerden en sjiïeten de instrumenten waren van de Amerikanen, lijkt voorbij. Issam al-Khafaji is een groot criticaster van de Amerikaanse Irak-politiek. Hij hing zijn adviseurschap aan de wilgen toen Khalilzads voorganger Paul Bremer III fout op fout stapelde. Nu betrapt hij zich erop dat hij een paar keer zegt dat hij Khalilzad steunt. «Het is heel cynisch», zegt hij. «De Amerikanen hebben deze puinhoop veroorzaakt, maar zij zijn nu de enigen die het land kunnen redden.» =

KADER:

Droevige tijden

Jeffrey Wright (1965) is zo’n acteur wiens gezicht je heel bekend voorkomt, maar van wie je je nooit precies kunt herinneren hoe hij ook al weer heet en waar hij precies in heeft gespeeld. Zijn eerste grote rol was de titelrol in Basquiat, daarna volgden kleinere rollen in Shaft, Ali, The Manchurian Candidate en het aidsdrama Angels in America, waarvoor hij zowel een Emmy als een Golden Globe won.

Syriana is een ensemblefilm. Regisseur-scenarist Gaghan voert een groot aantal karakters op die niet of nauwelijks iets met elkaar te maken hebben. Wright is Bennet Holiday, een jurist die onderzoek moet doen naar corruptie tijdens de fusie van twee oliemaatschappen. Een timide man met een helder idee over goed en fout. Hij verheft zijn stem nooit, zoekt geen oogcontact. Als hij zich voorstelt aan een boardroom vol gehaaide oliebaronnen doet hij dat bijna op een verontschuldigende manier. Maar naarmate zijn onderzoek vordert komt hij in de gelegenheid snel carrière te maken over de rug van anderen.

Dat machtsspel wordt heel cynisch verbeeld.

Jeffrey Wright: «Cynisch? Ik zou het eerder droevig noemen. De karakters leven in droevige tijden en ze dragen verdriet met zich mee, maar dat betekent niet dat er geen hoop is. Mijn karakter is iemand die een bepaald momentum krijgt en ineens voor een soort faustiaanse overeenkomst staat. Moet hij met de duivel in zee gaan of niet? Maar op de achtergrond is daar zijn vader, een alcoholist, die voor zijn zoon een moreel geweten vertegenwoordigt. De thematiek – de afhankelijkheid van de Verenigde Staten van olie – is iets dat mij persoonlijk erg interesseert. De laatste paar jaar heb ik veel door Afrika gereisd en daar kun je veel duidelijker het verband zien tussen rijkdom en het bezit van natuurlijke grondstoffen. De manier waarop Stephan Gaghan en George Clooney dat machtsspel om olie heen afbeelden vind ik heel treffend.»

Maakt engagement een comeback in Hollywood?

«Ik denk het wel. In de jaren zestig en zeventig waren alle grote films politiek geëngageerd. Bovendien hadden regisseurs de vrije hand en werden films niet uitsluitend gemaakt om geld te verdienen. In de jaren tachtig, de materialistische Reagan-jaren, was dat anders. Er heerste een stemming van: ‹We hebben het communisme verslagen! Het kapitalisme heeft gewonnen!› Er was ineens geen ruimte meer voor dialoog. Collectieve verantwoordelijkheid ging het raam uit.

Nu merk je dat die manier van denken aan het veranderen is. Regisseurs worden vrij gelaten door de studio’s en er is minder angst om je mening te geven. In dat kader wordt Fahrenheit 9/11 veel genoemd, maar ik denk dat dat een film is die het publiek juist geen dienst verleent. De film is veel te manipulatief. Michael Moore begint de linkse Rush Limbaugh te worden. Stephan Gaghan heeft juist enorm veel research gedaan om een complexe situatie eerlijk neer te zetten, zonder bemoeienis van de studio.»

JOOST DE VRIES