Commentaar: Europa

De Conventie van de laatste kans

Het belang van de Europese Conventie, die vorige week in Brussel van start ging, wordt door niemand ontkend. Het Europa van de vijftien, dat nog draait op structuren die voor een Unie van zes werden uitgewerkt, zou een verdere uitbreiding niet overleven. Daarnaast leeft, terecht of ten onrechte, nog steeds het klassieke angstbeeld van de vijf groten (Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Spanje) die het samen op een akkoordje zouden gooien.

Ook de polarisering tussen de voorstanders van een federaal Europa, vooral Duitsland, en de voorstanders van een lossere alliantie van staten, vooral het Verenigd Koninkrijk, bedreigt de goede afloop. Om nog maar te zwijgen van de ophef die de Fransen veroorzaakten met hun roep om een «Verenigde Staten van Europa» met aandacht voor de nationale staten. Daarenboven beklaagden de kandidaat-lidstaten zich over het feit dat zij geen vertegenwoordiging kregen in het presidium dat de Conventie leidt.

Loopt men hier niet wat hard van stapel? Het feit dat de meeste lidstaten prominente regeringsvertegenwoordigers naar de Conventie stuurden, wijst erop dat men de toekomst van Europa ernstig neemt. Met de aanstelling van de Franse oud-president Valéry Giscard d’Estaing als voorzitter en Jean-Luc Dehaene en Guilanio Damato (beiden oud-premier) als ondervoorzitters toonde Europa zelf ook dat het aan zijn eigen toekomst wil werken. Een man als Dehaene, die als premier het federale België bestuurbaar maakte, is met al zijn ervaring van levensbelang voor het slagen van de Conventie. Ook het gegeven dat de burger geen zicht heeft op de Unie is een probleem dat reeds jarenlang wordt aangekaart, maar daar lijkt de Unie, met een website en een forum, nu eindelijk wat aandacht aan te besteden.

Het zijn uiteindelijk de staats- en regeringsleiders die in 2004 de beslissing zullen nemen. Daarmee verliest deze Conventie echter niets aan waarde. Het is nu aan de 105 Conventieleden uit 28 landen om aan te tonen wat Europa nog allemaal in zijn mars heeft. Het is bijvoorbeeld niet uitgesloten dat de Conventie erin zal slagen een brede consensus te bereiken over een Europese «grondwet».

Als de regeringsleiders, na hun eigen onvermogen om tot consensus te komen op de topconferenties van Amsterdam (1997) en Nice (2001), zouden volharden in hun oude gewoontes en een ernstig, aan de basis van de Unie tot stand gekomen voorstel zonder meer van tafel zouden vegen, dán pas is het tijd het failliet van het Europees bestuur af te kondigen.