Economie

De coöperatie

Het coöperatieve bedrijf zien we hooguit nog langskomen in idealistische VPRO-documentaires. In obscure Spaanse dorpjes blijken dan hele volksstammen de bedrijfsdemocratie in de praktijk te brengen: werknemers zijn eigenaar, het management is gekozen, de successen groot. De uitzondering die de regel bevestigt. Het is inmiddels algemeen geaccepteerd dat het eigendom van bedrijven niet bij werknemers ligt, maar bij aandeelhouders, wie dat ook mogen zijn.

In de negentiende eeuw was de toekomst echter aan de coöperatie. De verwachting was dat het grootkapitaal plaats zou moeten maken voor de coöperatieve rechtsvorm. En nee, het waren niet verdachte figuren van linksen huize die deze verwachting uitspraken, maar rechtgeaarde liberalen. De coöperatie werd door deze liberalen gezien als een soort derde weg tussen het plansocialisme en het doctrinaire laissez faire.

De ‘productieve deugd’ was – en is – voor liberalen het hoogste goed. Ieder moet de vruchten kunnen plukken van zijn of haar arbeid en spaarzaamheid. Op de vraag hoe dat liberale ideaal in te vullen was echter geen vanzelfsprekend antwoord. De tijden veranderen. Adam Smith, de grootpriester van het economische liberalisme, schreef zijn boek The Wealth of Nations in een tijd dat de economie voornamelijk uit kleine zelfstandigen bestond. Een groot bedrijf had hooguit tien tot twintig werknemers. De grootschalige productie zoals deze zich in de decennia na de publicatie van zijn magnum opus zou ontwikkelen, kon Smith zich nog moeilijk voorstellen.

Het liberalisme en de industriële revolutie waren geen natuurlijke bondgenoten. De productie op grote schaal maakte dat de machtsverhoudingen steeds schever groeiden. Grote kapitalen verdreven de kleine zelfstandigen uit Smith’s tijd en werknemers moesten voor hongerlonen zwoegen onder mensonterende werkomstandigheden. Het liberale ideaal van de productieve deugd raakte zo uit zicht. Macht en kapitaal concentreerden zich en de gelijke kansen, waar liberalen op hoopten, verdwenen. De oude aristocratie was weggevaagd, maar een nieuwe werd geboren. Een onwenselijke ontwikkeling. Maar hoe deze groeiende ongelijkheid tegen te gaan? De socialisten predikten de klassenstrijd, de revolutie en uiteindelijk de nationalisatie van alle productiemiddelen. De liberalen predikten klassenharmonie, eigenhulp en bundeling van krachten. Het liberale utopia was er een waarin de coöperatie de dominante bedrijfsvorm zou worden. ‘De vorm van associatie, welke tenslotte verwacht moet worden overheerschend te zijn is (…) de associatie op voet van gelijkheid van werklieden zelven, die eigenaar zijn van het kapitaal waarmede zij werken, en die arbeiden onder door henzelven gekozen en af te zetten leiders’, schreef John Stuart Mill, de bekendste liberaal van de negentiende eeuw.

Er is geen liberaal meer die zich sterk maakt voor de coöperatie

Een belachelijk radicale boodschap, zou men vandaag de dag zeggen. Toch paste het goed in het negentiende-eeuwse liberale straatje. De coöperatie zou het zelfstandige ondernemerschap uit Smith’s tijd terug kunnen brengen. De werknemer van de grootindustrieel was slechts een loonslaaf, een tandwiel in de machine. De werknemer van een coöperatie was een actieve participant in de bedrijfsvoering en een deelnemer in de winst. Van hem werd verwacht een productief en belezen burger te zijn, in tegenstelling tot de fabrieksarbeider. Bovendien zou in de coöperatieve bedrijfsvorm iedereen krijgen waar hij recht op had. In het liberale vakblad van de coöperatieve beweging werd een ideaalbeeld geschetst van een wereld ‘waarin ieder beloond zal worden naarmate van zijne bekwaamheid en naar zijn arbeid’. De coöperatie zou hier een voorname rol in spelen door de rentenierende kapitaalbezitter, die nu dikwijls meer verdiende dan zijn werk rechtvaardigde, te elimineren.

Na de slavernij, de horigheid en de loonarbeid was de coöperatie de logische vervolgstap in de sociale evolutie, aldus Willem Treub (1858-1931), liberaal Kamerlid en later minister van Financiën. De tegengestelde belangen van arbeiders en kapitalisten, waar de socialisten zo fijntjes op wezen, konden samensmelten tot één harmonisch geheel. Het voornaamste bezwaar tegen de kapitalistische productievorm, de tegengestelde belangen van kapitaal en arbeid, kon zo verdwijnen, zonder dat het wezen van het kapitalisme werd aangetast.

Het bleef niet alleen bij utopisme. Nederlandse liberalen waren actief in het oprichten van coöperatieve bedrijven, banken en inkoopverenigingen. De restanten van de liberale agitatie voor de coöperatie zijn nog steeds te zien in het heden. De landbouwcoöperaties (die steeds minder coöperatief worden), maar met name de woningcorporaties (die geen coöperaties meer zijn) vinden hun oorsprong in het liberaal activisme voor de coöperatieve bedrijfsvorm. Toch is er geen liberaal meer te vinden die zich sterk maakt voor de coöperatie. De rijke traditie is simpelweg vergeten.

Wat is vandaag de dag eigenlijk de liberale utopie?