De cost ende baet (3)

In de jaren zeventig probeerde de Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen wiskundige formules te ontwikkelen teneinde een rechtvaardiger inkomstenverdeling te krijgen.

Interessant. Hoe wist Jan wat rechtvaardig was? Hoe zet je in een wiskundige formule de waarde van een dokter af tegen die van een schrijver? Ik moest daar vaak aan denken als ik weer een deurwaarder op mijn stoep had. Ja, ik had inderdaad geld verdiend, en ik had over dat verdiende geld geen belasting betaald - allemaal waar - en ik wilde ook best belasting betalen, alleen: nu niet! Zag die man niet dat het hoogst onrechtvaardig was om nu mijn centen af te pakken? Jan Tinbergen besloot ik niet te vertrouwen. De economie trouwens ook niet. De wiskunde vertelt ons alles over de geest, maar niets over ons gedrag. Een economisch-wiskundige formule die gebaseerd is op gedrag zal nooit een goede formule zijn. Een goede wiskundige formule is altijd onrechtvaardig jegens de mens. Maar met dit soort gedachten verdiende ik toen geen geld - dat doe ik nu pas.
Ik moest destijds geld zien te maken om mijn belastingen te betalen. Ik ging naar een belastingsconsulent en die vertelde mij dat ik een lening moest afsluiten bij de bank. Dat leek me een goed idee. Belasting betalen is eigenlijk een lening afsluiten bij mij; immers: de staat leent geld bij mij en dat wordt afbetaald met een aow'tje, goed onderwijs, een leger en een uitkering voor de armsten. Als ik nu leende van de bank en dat geld doorsluisde naar de staat, dan had ik toch het idee dat men niet aan mijn geld kwam. Maar lenen bleek een probleem - want ik had een vrij beroep en dan krijg je geen lening.
Toen zei de man van de bank: ‘Als u nu een omzet heeft van zestigduizend per jaar, kunnen we u wel twintigduizend gulden lenen.’
Hoe kwam ik aan een omzet van zestigduizend? En wat was omzet precies? De man van de bank legde mij uit - ik zal het nooit vergeten: 'Als u kunt bewijzen dat u zestigduizend op uw giro heeft gekregen in de loop van een jaar, noemen wij dat omzet.’
Het staat nog precies zo in mijn dagboek. Juist, dacht ik toen. Ik wist toen al dat alles voor geld te koop is. Ook omzet kon dus met geld worden gekocht. Ik moest het alleen zien te kopen tegen een bedrag dat aanmerkelijk lager was dan die zestigduizend gulden die ik niet verdiende. Ik bedacht het volgende. Ik stuurde per giro duizend gulden naar mijn moeder en vroeg haar dat geld onmiddellijk weer aan mij terug te gireren. Dit deed ik zestig keer. Ik nam vervolgens alle strookjes waarop ik duizend gulden kreeg en ging naar mijn bank en liet zien dat ik goed was voor een omzet van ruim zestigduizend per jaar. Ik kreeg een lening.
Omdat deze truc goed werkte, nam ik nog een lening. Ik moest het afbetalen met ruim zevenhonderd gulden per maand. Ik voorkwam hiermee processen.
Wat was ik trots! Ik had geld verdiend en toch geen geld verdiend. Ik droomde over miljoenen die ik zou lenen en wat ik daarmee zou doen. Als ik maar nadacht over geld, zou het mij vanzelf toevloeien. Geld, geld, geld - wat was het heerlijk om eraan te denken.
Ik had nachten wakker gelegen van het tekort aan geld, maar nu ik via de bank een regeling had getroffen, viel het allemaal weer mee. Ik moest nog maar zestigduizend gulden aan schulden afbetalen, en daarvoor kon ook een regeling met de belasting worden getroffen.
En toch… toch werd het gat niet noemenswaardig kleiner…. Ik werd onder curatele gesteld en er werden speciale regelingen voor mij getroffen. En toen kreeg ik het voor elkaar me nog dieper in de schulden te steken. Het was het jaar 1990. Mijn belastingman vroeg of ik misschien 'een cocain-habit’ had.