De terugkeer van een genre

De cowboy neemt wraak

De western lijkt uitgestorven. En toch herleeft juist de doorgaans tegendraadse versie ervan, de spaghettiwestern. In de gedaante van de postapocalyptische thriller.

‘Doomsday not come yet? I’ll draw it nearer by a perspective, or make a glass that shall set all the world on fire upon an instant.’ Aldus een van de waanzinnigen die in John Websters wraaktragedie The Duchess of Malfi (circa 1612) wordt opgevoerd ter vermaak van het hoofdpersonage. De scène is representatief voor de wijze waarop cynisch geweld, expliciete horror en een constante sfeer van apocalyptische verdoemenis in de tekst terugkeren. Juist deze elementen maakten de revenge tragedy of revenge play tijdens de Engelse Renaissance zo effectief, wat vóór Webster al uitmondde in de tragedies van onder anderen Thomas Middleton (The Revengers Tragedy, 1607) en Shakespeare (Hamlet, circa 1600). Precies dezelfde thema’s manifesteren zich in de spaghettiwestern, een genre dat nauw verbonden is met de wraaktragedie en dat in de huidige tijd terugkeert, zij het in de radicaal vernieuwde vorm van de postapocalyptische thriller, waarvan er in de afgelopen vijf jaar steeds meer voorbeelden zijn, maar waarvan de nieuwe film The Book of Eli van The Hughes Brothers een voorlopig hoogtepunt is.
Het verhaal: Denzel Washington speelt de rol van Eli, een eenzame reiziger die na een catastrofale gebeurtenis, vermoedelijk nucleair van aard, te voet onderweg is naar de Amerikaanse westkust. Tijdens zijn reis overleeft hij door met pijl en boog op dieren te jagen en om houdbaar voedsel te stropen uit verlaten winkels en huizen. Het gevaar is overal; gewelddadige bendes gebruiken vrouwen als lokaas om reizigers als Eli in een val te lokken en te doden. Maar Eli slaat alle aanvallen af. Op zoek naar water belandt hij in een stadje waar Carnegie (Gary Oldman) en zijn boeven de scepter zwaaien. Carnegie droomt ervan meer stadjes te bouwen, en hiertoe is hij op zoek naar een specifiek boek dat Eli in zijn bezit blijkt te hebben. Om het boek te kunnen stelen, geeft Carnegie opdracht aan zijn dochter, Solara (Mila Kunis), om Eli te verleiden. Dit gegeven zou even goed passen in klassieke spaghettiwesterns, het soort films dat Italiaanse regisseurs als Sergio Leone, Sergio Corbucci en Sergio Sollima tussen ruwweg 1963 en 1973 aan de lopende band maakten. De spaghettiwestern, of revisionistische western, was een van de laatste voorbeelden van de Europese genrecinema. Deze films waren wereldwijd razend populair en ze passen even probleemloos in de canon van de Europese artistieke cinema.
Dit punt wordt overtuigend geïllustreerd door Alex Cox, schrijver en filmmaker en beroemd of meer berucht om zijn presentatie van het oude bbc-filmprogramma Moviedrome, in zijn boek 10,000 Ways to Die. Cox analyseert overtuigend hoe de spaghettiwestern erin slaagt subversief én geëngageerd én populair te zijn. Hiertoe legt hij de verrassende link met de wraaktragedie, onder meer met het werk van Webster aan wie hij de titel van het boek ontleent. (In The Duchess zegt een personage: 'I know death hath ten thousand several doors/ For men to take their exits.’) Cox toont aan dat Italiaanse producenten in de jaren zestig onder druk stonden om aan de snel groeiende behoefte aan genrecinema te voldoen. Geld was er genoeg en de Italianen hadden géén last van Amerikaanse censuur in de vorm van de Hayes-regels. Resultaat: de spaghettiwestern, bijna altijd 'antikapitalistisch, anti-interventionistisch en radicaal-kritisch jegens het Amerikaanse binnen- en buitenlandse beleid’.
In hetzelfde bootje zaten de schrijvers en makers van de wraaktragedie, die hoogtijdagen beleefde tijdens de regering van Jacobus I (1603-1625). Na het succes in 1589 van Thomas Kyds The Spanish Tragedy schreeuwde het publiek om meer verhalen met gevechten, moorden en liters bloed op het podium. De weg was vrij voor de melancholieke Deen en daarna voor personages als Vindici in The Revengers Tragedy, die volgens Cox moeiteloos kan worden gezien als een vroege voorloper van Django of Joe of Manco in de spaghettiwestern van de jaren zestig en zeventig, personages die de gevestigde orde ondermijnen in verhalen die fungeren als reflecties van de grote sociale en politieke veranderingen van die tijd. Neem Django, een film waarmee Sergio Corbucci in 1966 de grenzen van het genre verlegde, met in de hoofdrol Franco Nero als wraaklustige vreemdeling die een doodskist achter zich aan sleept waarin hij zijn machinegeweer bewaart. Alles is nieuw, vooral de technologische cowboy als wraakengel en het sombere, expliciete geweld, bijvoorbeeld een scène waarin een oor wordt afgesneden.
Vindici of Django. Of Eli. Maar hoe ligt die onmogelijke connectie tussen zulke op het oog uiteenlopende personages, gescheiden door eeuwen? De gebroeders Hughes tonen met The Book of Eli aan dat genre en herinnering hand in hand gaan: kleur uitgewassen achter korrelige textuur, het geluid van ritmisch slagwerk of melancholiek gefluit, zweet glimmend op ongeschoren wangen en een zwart figuur schitterend en eenzaam in de verte in een onverbiddelijk landschap, en de kijker naar The Book of Eli weet genoeg dankzij vorige ervaringen met deze conventies of stijl van cinema. Dit is een spaghettiwestern. En niets anders. De clichés vieren een feestje, zoals Umberto Eco over genrecinema schrijft, inderdaad, maar hoe later, hoe erger en als het plezier een hoogtepunt bereikt, komt de kater, dat wil zeggen de serieuze bezigheid van thematisering en verdieping waardoor verhaal en personages zich uitkristalliseren tot veel meer dan vermakelijke verhaalelementen; ze worden dan symbolen die ons iets essentieels over de mens en zijn wereld vertellen.
Deze thematiek heeft, zoals in westerns als Leone’s Once Upon a Time in the West (1968), ook in Eli te maken met nauwelijks verborgen kritiek op het kapitalisme: Carnegie, een typische spaghettiwesternnaam, wil door het uitbaten van een natuurlijke hulpbron, water (misschien verwijzend naar olie in onze eigen wereld), zijn macht uitbreiden door meer van dit soort dorpjes te bouwen. Tegenover hem staat Eli, verlosser, wraakengel en actieheld in de stijl van Django of Manco (Eastwood in een Dollar-film). Hij heeft iets wat Carnegie niet kan kopen: het boek, een bijbel. Maar wat wil Carnegie dan met het boek? Vermoedelijk de informatie gebruiken om een nieuwe ideologie te verzinnen ter versterking van de eigen hegemonie. Carnegie belichaamt de archetypische schurk in de spaghettiwestern: de dominee, gekleed in het zwart, corrupt tot op het bot. (Zo'n personage wordt in talloze films opvallend vaak gespeeld door de hoogblonde, altijd duivels kijkende Klaus Kinski.)

Blijken de conventies van de spaghettiwestern opeens weer bruikbaar door de opkomst van de postapocalyptische thriller, de klassieke western is inmiddels dood. En dat zegt iets. Hollywood als systeem voor het bevestigen van conservatieve normen en waarden schonk immers het leven aan de western, vaak in de B-variant: korte, simpele verhalen met een duidelijke, geruststellende spanningsboog waarin helden en schurken een tamelijk nietszeggend conflict uitvechten. Juist deze herkenbaarheid, de basis van de wisselwerking tussen genre en herinnering, bepaalde traditioneel de kracht van de vorm. Richard Schickel wijst in zijn BFI Companion to the Western (1988) op het paradoxale karakter van de western, namelijk dat juist fragiliteit er een bewijs van is dat dit genre de 'hoogste vorm van cinema is’. Immers, in het 'leven’ van de klassieke western zijn bescheidenheid en familiariteit kernbegrippen. Maar aan deze dingen is dus geen behoefte meer; de western is dood. De laatste klassieke western die nog iets weg had van het werk van de vaders van het genre, John Ford of Howard Hawks, is al weer van drie jaar geleden: The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford van Andrew Dominik, maar zelfs dit werk had meer ondermijnende dan bevestigende elementen. Misschien werd de dood van de klassieke western al in 1992 ingezet met Clint Eastwoods Unforgiven, een film waarin de maker finaal afrekent met klassieke stereotypen. Het bewijs dat Eastwood eerder grensoverschrijdend is dan dat hij het genre versterkt, is zijn eerbetoon aan het begin van Unforgiven. Dat luidt: 'Voor Sergio’.
Als iemand genretransgressie koesterde, en eigenlijk uitvond, dan was dat Sergio Leone wel. Zonder hem geen spaghettiwestern en ook geen The Book of Eli, geen nieuwe western dus. Overschrijding Leone-stijl valt in de nieuwe western in eerste instantie af te lezen aan de vormgeving: ruw in beeld gebrachte, desolate landschappen die juist door het gestroopte karakter iets poëtisch hebben, in alles het tegenovergestelde van de volle, glorieuze Monument Valley-wereld van John Ford. Dit transgressieve, geschroeide-aardelandschap is ook een wezenskenmerk van de romans van Cormac McCarthy, die een enorme invloed op de moderne cinema hebben, vooral zijn eigen 'spaghettiwestern’ en grote meesterwerk Blood Meridian (1985), en de postapocalyptische thriller The Road (2006), nu verfilmd door de Australische regisseur John Hillcoat. Net als bij McCarthy is inhoudelijke grensoverschrijding aan de orde in de oude spaghettiwesterns. Alex Cox beschrijft hoe deze films voor het eerst de Amerikaanse censuurwetten omzeilden door bijvoorbeeld de schietende cowboy en zijn slachtoffer in één shot te laten zien; door gewonden om het leven te brengen als een soort euthanasie; en door een 'algehele sfeer van geweld’ te creëren, zoals Sergio Leone voor het eerst deed in A Fistful of Dollars (1964).
Transgressie was eveneens het sleutelwoord in de ontwikkeling van de wraaktragedie. Webster en Middleton en Cyril Tourneur bogen de klassieke tragedie om tot een bloedige, sensationele nieuwe dramatische vorm. Hetzelfde proces leidde in de jaren zestig tot de spaghettiwestern en nu de postapocalyptische thriller. In The Book of Eli overheerst geweld en is wraak een belangrijke motivering. Grootgrondbezitter Carnegie, gedwarsboomd door de stille held Eli, zit hem op de hielen niet alleen om het boek te krijgen, maar ook om zijn dochter, die hem heeft verraden, een lesje te leren.
Allemaal zijn ze cowboys die wraak nemen, in Eli zelfs op de maat van een zoete fluitmelodie van Ennio Morricone als hommage aan Leone. Maar het gaat om meer, om het verbeelden van chaos en geweld en de komende verdoemenis in dramatische vormen die zich ontwikkelden in zowel het Engeland van Jacobus I, geteisterd door voedselrellen en eindeloze rebellieën, als de wereld van Leone en Corbucci, inclusief het tumultueuze tijdperk van Nixon, en de huidige wereld, post-Irak. Het grote verhaal nu is dat van angstvisioenen over het einde van de menselijke soort en van zijn planeet. Is dat nauwelijks voor te stellen? Deze toneelstukken en films vormen een venijnig doorkijkje naar de toekomst, zoals de gek in The Duchess of Malfi zegt: ik zal je het laten zien, en daarmee misschien ook iets in gang zetten dat de wereld in een oogwenk in vlammen kan laten opgaan.

The Book of Eli en The Road zijn nu te zien.
Alex Cox, 10,000 Ways to Die. Kamera Books, 336 blz., € 22,95