Kunstenaarsinitiatief Smart Project Space heeft grootse plannen

De creatieve stad

Het kunstenaarsinitiatief Smart Project Space heeft grootse en ambitieuze plannen. Dat is fijn, want de hoofdstedelijke kunst wereld kan wel een impuls gebruiken. Smart is een interessante plek voor Amster dam, en Amsterdam wordt misschien weer een aantrekkelijke plek voor kunstenaars.

Smart Project Space is een kunste naarsinitiatief in Amsterdam dat de concurrentie met het Stedelijk Museum lijkt aan te willen gaan. Recent werd het eigenaar van een immens pand op het Wilhelmina Gasthuis-terrein in Oud-West, een buurt waar veel kunstenaars wonen en werken. En de plannen die de organisatie met het gebouw heeft liegen er niet om. Het voormalig Pathologisch Anatomisch Laboratorium wordt de komende maanden omgetoverd tot meer dan 3500 vierkante meter aan expositieruimten, ateliers, een filmhuis, boekwinkel, café/restaurant met dakterras, kunstenaarsclub en een aanlegsteiger. Maar nog voordat er één bouwvakker voet in huis heeft gezet, heropent Smart al zijn deuren met ADAM, de eerste editie van een Amsterdamse kunstbiënnale.

Het is vooral de ambítie van Smart die aanstekelijk werkt. Eindelijk lijkt er weer iets te gaan gebeuren in de stad. De Amsterdamse kunstwereld kan wel wat roering gebruiken. Het Stedelijk ligt op z’n gat en heeft zelfs na de verhuizing naar het hippe Post CS niet kunnen overtuigen als «hotspot» voor de (lokale) kunstwereld. Het galeriecircuit vertoont al jaren weinig be weging. De vrijplaatsen aan de rafelranden van de stad zijn goeddeels ontruimd door ontwikkelaars van onbetaalbare woningen. En met na me buitenlandse kunstenaars laten de gezellig gezapige grachtengordel steeds vaker links liggen.

«Genoeg gezeurd», moet Thomas Peutz, di recteur van Smart, hebben gedacht: als het er niet is, creëer het dan zelf. En zo werden grootse plannen ge smeed voor een «one stop shopping»-verzamelgebouw waar kunstenaars nieuw werk maken, internationale curatoren ten toon stellingen ontwikkelen, en het culturele publiek kan eten, drinken en dansen.

Meesurfend op het momentum van de «creatieve stad» (het idee dat de aanwezigheid van kunstenaars goed is voor het economisch klimaat van een stad) en het net zo bewierookte als verguisde broedplaatsenbeleid (het bestuurlijke goedmakertje voor de ontruiming van door kunstenaars op waarde geschatte in dustriële panden) ontpopte Peutz zich als het toonbeeld van de cultureel ondernemer. Stadsdeel Oud-West wilde Smart graag voor de buurt behouden toen het Swammerdam Instituut, waarin het was gehuisvest, gesloopt moest worden. Peutz kreeg het stadsdeel zo ver dat hij het laboratoriumgebouw van architect Messer voor een vriendenprijs kon kopen. Dit maakte de weg vrij voor een ingenieuze public-private finan cieringscon structie. De gemeente stelde een startsubsidie beschikbaar voor aankoop en verbouw van het kunstencentrum. Op basis van het bezit van het gebouw kon het budget worden aangevuld met geld van de bank en, via een soort aandelenconstructie, met bijdragen van bemiddelde particuliere kunstliefhebbers.

Deze financieringsvorm is uitzonderlijk voor de culturele sector, die doorgaans zwaar leunt op overheidssubsidies. De vraag is natuurlijk of voor de programmering vervolgens niet toch bij de belastingbetaler zal worden aangeklopt. Maar ook hier is Smart prettig ambitieus. De inkomsten uit de horeca moeten garant staan voor de huur en vaste lasten van de expositie- en projectruimten, zodat alle inkomsten voor Smart ook direct aan de activiteiten kunnen worden besteed. En een deel van het in nieuwe kunstwerken geïnvesteerde kapitaal moet na verkoop terugvloeien in een eigen productiefonds, waaruit weer nieuwe kunstwerken gefinancierd kunnen worden.

Het klinkt allemaal prachtig. Maar ambitie wekt verwachtingen. En helaas valt de tentoonstelling ADAM een beetje tegen. Een valse start voor het nieuwe Smart? Dat nou ook weer niet. Er zitten voldoende goede, boeiende, interessante werken in deze expositie, maar het idee achter de manifestatie is niet erg sterk. Aan dertig kunstenaars is gevraagd een visie te ontwikkelen op de «sociale en stedelijke infrastructuur» van Amsterdam. De kunstwerken moeten een weergave zijn van wat Amsterdam op dit moment is: een vitale cultuurstad, een creatieve industrie, een multiculturele metropool, een vrijhaven voor andere manieren van leven en denken. Het is allemaal wat vaag, algemeen en vooral tenenkrommend politiek correct: «ADAM gaat over verschillende interpretaties van samenleven en levensvormen, over culturen en subculturen, over communicatie en over de sociale relaties en confrontaties die allen tezamen en in onderlinge samenhang, een integraal onderdeel vormen van stedelijk leven.» Gelukkig hebben de meeste kunstenaars zich niet zo veel gelegen laten liggen aan dit concept, en gewoon goed werk gemaakt.

Op twintig verschillende locaties in de stad zijn projecten te bezoeken. Erg mooi is de nieuwe installatie Jump van Job Koelewijn, die een plek heeft gekregen in de ontvangstruimte van het INIT-gebouw op het afgelegen Stork-terrein. Koelewijn heeft een bescheiden maar tegelijk monumentaal werk gemaakt. Als toeschouwer word je uitgenodigd om een eenvoudig afgetimmerd hok te betreden: je stapt in een eindeloos uitgestrekt landschap van weilanden en sloten. Het is een Alice in Wonderland-achtige omtovering die Koelewijn heeft gerealiseerd door een stuk polder van vier bij vier meter naar de stad te transporteren en te omringen met spiegels. Het kaarsrechte stuk sloot met aan weerszijden zompige stroken gras wordt herhaald in een desoriënterend, enigs zins surreëel vergezicht. Je realiseert je ineens dat je eigenlijk nooit in zo’n archetypisch Hollands landschap staat – net zoals je als kaaskop natuurlijk nooit klompen draagt. De perfecte regelmaat waarmee het afgemeten stuk land tot in het oneindige wordt gekopieerd werkt bovendien beangstigend. Wie had ge dacht dat een vriendelijk groene wei zo beklemmend, kil en eenzaam kon zijn? Jump roept op tot slootje springen, maar als de deur eenmaal achter je dichtvalt en je wordt ge vangen in het Droste-effect lijkt die simpele sprong ineens een gevaarlijke stap in het ongewisse. Het is een rake relativering van het mythische Hollandse vrijheidsdenken.

Koelewijns interpretatie is die van een insider. Smart heeft aan de buitenlandse kunstenaars gevraagd om juist vanuit hun positie als bezoeker een interpretatie te geven van het Amsterdams stedelijk leven. Nevin Aladaq heeft aan de ramen van de Boekmanstichting lange witte gordijnen gehangen als een reactie op het idee van transparantie en openheid in de Nederlandse samenleving. Lucy Wood maakte een onbereikbare glazen brug voor de Beulingsloot, met de mooie titel You Would If You Could, But You Can’t So You Won’t. En Caecilia Tripp reageert in The Pigeon Poetry Republic met een combinatie van geschiedenis, politiek én dichtkunst op de relatie tussen Amsterdam en Curaçao.

In een loods op een steenworp afstand van het INIT-gebouw is de installatie Noise of Light van Adrian Paci te zien. In het midden van de hal hangt een spectaculair grote kroonluchter waarvan de lampen worden aangedreven door kleine generatoren die op de grond staan van wat lijkt op een opgebroken straat. Het diffuse licht en het geratel van de machines vullen de verduisterde en verder verlaten ruimte. Paci verwijst met zijn werk naar een periode in de geschiedenis van de stad aan het eind van het industriële tijdperk. De kroonluchter kondigt een nieuwe tijd aan, op de grens van oud en nieuw – op een plek waar de stad nu bezig is zichzelf opnieuw uit te vinden. Indrukwekkend is het zeker, en het Stork-terrein alleen al is de moeite van de fietstocht waard. Maar ik kan niet de associatie met die vreselijke kroonluchter van tampons op de Biënnale van Venetië uit mijn hoofd krijgen.

Een ander opvallend werk is dat van Jill Magid; Auto Portrait Pending. De jonge Amerikaanse kunstenares heeft een contract gesloten met het bedrijf LifeGem dat vooruitloopt op haar eigen dood. Wanneer Magid komt te overlijden, worden haar gecremeerde resten samengeperst in een diamant en, gezet in een gouden ring, verkocht aan het MoMa of het Metropolitan Museum of Art. Waarmee de kunstenares haar ultieme doel heeft bereikt: ze is zelf kunst geworden. Tot het zo ver is, worden de lege ring en het prachtig geformuleerde contract geëxposeerd bij Zazare Diamonds aan de Weteringschans. «Make me a diamond when I die. Cut me round and brilliant. Weigh me at one carat. Ensure that I am real. Inspect me. Grade me. Deliver me. My beneficiary is waiting.»

Of deze werken nou een goed beeld geven van de identiteit van de stad mag je je afvragen. Maar die lege ring is eigenlijk wel een mooi symbool voor de fase waarin Smart zich nu bevindt. Alleen is hier het wachten niet op de dood, maar op de dag dat de plannen werkelijk gerealiseerd zullen zijn en gaan leven. Wat mooi is aan het concept van ADAM, en überhaupt sympathiek aan de werkwijze van Smart, is de wil om te innoveren, te experimenteren, te produceren. Kunstenaars krijgen een specifieke opdracht, een atelier om hieraan te werken, en vervolgens hulp bij de financiering, productie en presentatie van hun werk. Dat, en het feit dat Smart de koppeling weet te maken tussen een maakplek en een locatie waar collega’s en publiek ook los van de kunst die er te zien is graag willen zijn (het café), maakt Smart een interessante plek voor Amsterdam, en Amsterdam misschien weer een aantrekkelijke plek voor kunstenaars. Maar Smart moet wel nog even wachten met de plannen voor een Biënnale, dat is nog even een brug te ver.

ADAM

tot en met 16 oktober

Smart Project Space, Arie Biemondstraat 105-111
www.adamsterdam.net