Stadsontwikkeling is politiek

De creatieve stad

Onder het mom van ‘creativiteit’ voeren steden op de keper beschouwd gewoon klassenstrijd. Listig, want wie heeft er iets tégen creativiteit?

Lange tijd kwam het Witte Huis goed weg met prachtig klinkende initiatieven als het Healthy Forest Plan en de Clean Air Act. Het eerste betekent in de praktijk dat er aanzienlijk meer bomen tegen de grond gaan. De tweede wet geeft het Amerikaanse bedrijfsleven meer ruimte om tonnen co2 uit te stoten. Toch gelooft een groot deel van het Amerikaanse electoraat dat Bush met deze maatregelen bewijst een groene kant te hebben. Soms lijkt hij het zelf ook te geloven. Want wie is er nu tegen ‘gezonde bossen’? Terwijl Europeanen deze politiek van eufemismen graag doorprikken, worden ook zijzelf erdoor geplaagd. Minister Henk Kamp van Defensie sprak afgelopen najaar naar aanleiding van arrestaties tijdens de missie in Irak over ‘gesprekken’ als hij ondervragingen bedoelde. Jan Peter Balkenende sprak consequent over een ‘bejaardenbelasting’ – waar hij tegen is – als de fiscalisering van de aow ter sprake kwam. Maar het meest ingrijpend is de triomfantelijke intocht van de Nederlandse stad in het ‘creatieve tijdperk’. Prachtig natuurlijk, want wie heeft er nu iets tegen creativiteit? Maar zelden wordt het beest recht in de bek gekeken. Want de begrippen ‘creatief’ en ‘de creatieve stad’ zetten de betekenis op z’n kop van wat traditioneel in Nederland als progressief stedelijk beleid te boek stond. Tot voor kort bestond dit uit het opvoeden, organiseren en emanciperen van groepen die niet meetelden als volwaardig deel van de samenleving, van hen die dus niet van de welvaart konden genieten die ze meestal zelf hadden geproduceerd. Jarenlang werd het insluiten van deze misnoegde massa zelfs gezien als conditio sine qua non voor een hechte sociale samenleving en een stabiele economie. De huidige hype rond creatieve steden draait deze logica om. Stedelijk beleid zet vandaag vooral in op toptalenten en bedrijven en het verwezenlijken van geïndividualiseerde, op maat gesneden woon- en werkarrangementen.

De hernieuwde Nederlandse kolonisatiedrift waar Balkenende afgelopen najaar expliciet om vroeg met zijn pleidooi voor een vernieuwde voc-mentaliteit manifesteert zich in eerste instantie in het eigen stedelijke gebied. Nederland koloniseert tegenwoordig zichzelf. Steden worden niet langer gewaardeerd als motoren van emancipatieprocessen, maar als ‘ruimtelijke activa’ die koste wat het kost benut moeten worden. Elke dag waarop dit niet gebeurt, loopt de stad ettelijke miljoenen euro’s mis, wat wordt gezien als een regelrechte aanslag op haar concurrentiepositie. Binnen een dergelijk voc-discours is het geen wonder dat steden niet langer streven naar het stabiliseren van de woonmarkt. Het gaat juist om ‘dynamiek’, wat onder meer betekent het versnellen van de bouw- en afbraakcycli, het verbreden van het aanbod aan spannende woonmilieus en het introduceren van nieuwe ‘creatieve’ bevolkingsgroepen.

Bij het koloniseren van het eigen land wordt opvallend genoeg het jargon gebruikt dat hoorde bij de oude progressieve stedelijke politiek. De omkering van waarden wordt daardoor ook nu als progressief verkocht.

Het creatieve stadsmanagement probeert het gehele maatschappelijke speelveld in zich op te nemen. Het integreert niet alleen de politieke en economische spelers – de zogenaamde publiek-private samenwerkingsverbanden – het absorbeert ook de activistische en culturele wereld, door zich te bedienen van termen als ‘bottom up’, ‘participatie’, ‘authenticiteit’, ‘autarkie’, enzovoort. Zo worden de onuitgesproken randvoorwaarden van de huidige hype rond de creatieve stad verdonkeremaand. In werkelijkheid gaat het hier namelijk om een specifiek soort creativiteit, voor bepaalde groepen in de samenleving, en voor bepaalde doeleinden.

Gelukkig zijn propagandisten van de creatieve stad met wat goede wil uiteindelijk niet zo moeilijk te ontmaskeren. Zo houden ze er al tijd een filosofie van ‘niets doen’ op na, terwijl ze paradoxaal genoeg tegelijk een vernieuwd geloof in de maakbaarheid hebben. Neem de manier waarop Rotterdam met een project als Groeibriljanten het initiatief radicaal uit handen geeft. Elke Rotterdammer wordt in het kader van dit project opgeroepen om de ‘kansen’ in zijn buurt te identificeren. Voor de meest originele keuze wordt dan een potje subsidiegeld gereserveerd dat de bewoners in staat moeten stellen om deze kansen ook echt te verzilveren. Tegelijk komt de Rotterdamse overheid met kant en klare totaaloplossingen waarin hele happen van de stad worden aangepakt. Binnen het project De dichterlijke vrijheid schonk de gemeente een gans bouwblok in ‘probleembuurt’ Spangen weg aan jonge creatieve mensen – na de huidige eigenaars en bewoners te hebben uitgekocht. En denk aan het nieuwe Lloydkwartier. Het gaat hier om een ‘woonwerk-oase’ (momenteel in aanbouw) met circa tweeduizend woningen in het duurdere segment van de woonmarkt. Stadsmanagers kennen het project de magische kracht toe om de verloren balans in het getergde Delfshaven te herstellen.

Het is moeilijk om in de genoemde projecten niet het streven van Rotterdam te herkennen naar exclusieve woonmilieus voor specifieke doelgroepen, zoals kunstenaars, ontwerpers, ict’ers, managers, yuppen en zelfs ceo’s. Hieruit blijkt vooral het onwankelbare geloof dat enkel de ‘creatieve klasse’ Rotterdam zal kunnen redden van zijn nakende faillissement en sociale desintegratie. Terwijl deze eenzijdige inzet verkocht wordt in functie van een herstel van gelijke verdeling van inkomensgroepen in de stad toont de praktijk dat vaak het tegenovergestelde het geval is. Het nieuwe Lloydkwartier mag misschien wel het socio-economische profiel van Delfshaven statistisch opkrikken, het vormt niettemin een monolithische enclave voor de bevoorrechte klasse, vlak naast de sinds jaar en dag geïsoleerde volksbuurt Schiemond. Deze strikte scheiding van klassen steekt bovendien schril af tegen de ideale verdeelschema’s, qua inkomensgroepen per wijk, die doorgaans worden gebruikt als alibi om sociale woonbuurten als Spangen en Nieuw Crooswijk open te breken en de eigendomsrelaties grondig te herschikken.

Als het geschreeuw om creativiteit dus iets teweeggebracht heeft, is het wel dat stedelijke segregatie niet langer een ‘spontaan’ effect is van de onzichtbare hand van de markt, maar volwaardig onderdeel geworden is van doelbewust politiek beleid. Rotterdam sluit weliswaar geen bevolkingsgroepen rechtstreeks uit, maar richt zich in zijn stedelijk beleid wel nadrukkelijk op specifieke, uitverkoren doelgroepen. Die worden een handje geholpen, terwijl omgekeerd de meerderheid wordt overgeleverd aan de grillige en soms keiharde werkingen van de markt.

Niet alleen in de praktijk, maar ook in de creatieve theorie zelf zijn deze antagonismen uiteindelijk niet onzichtbaar. Zo poneren de proponenten van de creatieve stad ‘creativiteit’ graag als een algemene menselijke waarde en laten ze elke burger of subcultuur te voorschijn komen als waardevol menselijk kapitaal. Niettemin is het onduidelijk of arbeidersbuurten zich wel lenen voor al die ‘creativiteit’. Traditioneel doen oude arbeiderssteden het slecht als creatieve milieus, omdat er te veel lokale weerstand zou bestaan tegen de nieuwe vormen van creativiteit. Met name het gebrek aan tolerantie ten aanzien van kunstenaars, homo’s en andere bohémiens kan een flinke rem zetten op de vlotte doorstroming van een stad naar het creatieve tijdperk. Terwijl ‘tolerantie’ door de protagonisten van de creatieve stad, samen met de T’s van ‘talent’ en ‘technologie’, als essentieel onderdeel van een creatieve stad wordt gezien. Steden die traditioneel grote groepen arbeiders herbergen, zoals Rotterdam, hebben er daarom alle baat bij om zo snel mogelijk hun oude, hechte arbeiderswijken open te breken en er de bevolkingssamenstelling te veranderen.

Dat verklaart de verbetenheid waarmee een stad als Rotterdam de afgelopen jaren flink huishield in zijn zogenaamde probleembuurten, een proces dat tot op vandaag voortduurt. Denk aan de hetze rond de herstructurering van Nieuw Crooswijk. Hierbij wordt een drievoudige strategie gehanteerd: het injecteren van ruimdenkende groepen, zoals in het Rotterdamse Wallisblok, het op gang brengen van doorstroming en sociale mobiliteit binnen de buurt (door succesvolle bewoners voorrang te geven bij het verwerven van een woning in de buurt en ondernemende types te belonen met professionele coaching) en ten slotte het uitspreiden van de minder gewenste groepen over het hele stedelijke territorium. Binnen stedelijke diensten spreekt men in dit verband van ‘huisvestingsnomaden’: kwetsbare groepen die, naarmate de herstructurering verder oprukt, van de ene naar de andere probleembuurt worden versleept.

Dat al deze processen niet op hevig verzet stuiten, is mogelijk door ze te brengen als voorwaarde voor een interessant vestigingsklimaat, dat op zijn beurt wordt geponeerd als de onmisbare basis van een welvarende samenleving. In die zin wordt de herstructurering van steden – en de vaak bedenkelijke tactieken – gepresenteerd als pijnlijk doch onvermijdelijk. De verwarde populistische reacties bij een groot deel van de Rotterdammers getuigen van de tegenstrijdige situatie van Rotterdam vandaag: in zijn ambitie om volop in te zetten op lokale creativiteit, als tegenwicht voor de havenactiviteiten, voert Rotterdam een beleid waarin de eigen bevolking verdrongen wordt door andere, meer gewenste groepen. Want in de creatieve stad is iedereen creatief kapitaal. Doch sommigen iets meer dan anderen.

Dit is de pijnlijke waarheid van de creatieve stad: terwijl een steeds verder terugtrekkende overheid de waarde van zelfredzaamheid predikt, pampert ze de creatieve klasse met aangename en voordelige woonwerk-oases. Al het trendy gebabbel over nut en voordeel van creativiteit voor de stad moet verbergen dat opnieuw wordt uitgegaan van een stad ‘met twee snelheden’. Anders gezegd, onder het mom van de creatieve stad wordt een planmodel aanvaardbaar gemaakt dat uitgaat van een klassenverschil.

De pr-campagne werkt, want niemand heeft iets tegen creativiteit. Wij wel. Het beest noemen zoals het heet, dat is de enige oplossing. Geograaf David Harvey zei eens treffend: ‘Als iets ruikt naar klassenstrijd en zich ook zo gedraagt, kun je het ook beter maar zo noemen.’

Gideon Boie en Matthias Pauwels vormen het Rotterdamse bureau BAVO, dat zich bezighoudt met de politieke dimensie van architectuur.

Dit artikel van Boie en Pauwels is niet alleen een mini-essay maar vooral ook een provocatie die noopt tot tegenspraak. Komende weken zal De Groene Amsterdammer de onderhuidse en openlijke doelstellingen van de hedendaagse stadsontwikkeling in een kleine reeks van verschillende kanten belichten