De crèche is geen pedagogische instelling meer

Na de crisis 2009/2010 ging de subsidiekraan dicht, waardoor veel kinderdagverblijven in de problemen kwamen. ‘Je kunt hier niet meer pedagogisch verantwoord werken.’

Als de gemeente Amsterdam mensen moet rondleiden in de kinderopvang of een voorbeeldlocatie moet aangeven, klopt ze regelmatig aan bij Buitenkans. Buitenkans is een kleinschalige crèche in wat voor Amsterdamse begrippen een oase van groen is: het ‘stadslandbouwproject’ NoordOogst, op het terrein van een voormalig asielzoekerscentrum. Het ligt weliswaar in een oksel van de A10, maar voor stadse begrippen is de rust groot. Kinderen spelen veel buiten en ook binnen is veel hout en ander natuurlijk materiaal gebruikt. De wetten en regels van de kinderopvang maken dit soort voorbeeldprojecten eerder moeilijker dan makkelijker, legt eigenaar Elin Karlsson echter uit. ‘De hele kinderopvangsector is ingericht om niet te investeren in kwaliteit.’

‘Het is een heilig huisje in Nederland’, zegt de in Zweden opgegroeide Karlsson, met haar benen opgetrokken op de bank in haar kantoor. ‘We doen allemaal alsof kinderopvang een pedagogische instelling is, maar het is een commerciële instelling die gericht is op winst en het vrijmaken van mensen voor de arbeidsmarkt. Het is niet zo dat recente hervormingen in de sector iets slechts hebben gemaakt van iets wat goed was, kinderopvang was altijd al primair commercieel en kwalitatief vaak slecht. Daar komt steeds weer nieuwe window dressing overheen, met regels waarvan wordt gedaan alsof ze in het belang van kinderen zijn. Met steeds hetzelfde rookgordijn: we gaan de kwaliteit verbeteren, maar het mag niets kosten en we schuiven het door naar de markt.’ Ze lacht.

Crèches hadden lang een slecht imago: wie zijn kleine kind daarheen bracht, was kennelijk een slechte moeder. Dat veranderde onder Paars. Het kabinet zag hogere arbeidsparticipatie als sleutel naar economische groei en verstrekte subsidies voor kinderopvang – maar gaf geen regels. De kinderopvang begon snel te groeien en de diversiteit was erg groot. De Wet kinderopvang uit 2004 bepaalde wat kinderopvang moest zijn, maar de kern was een toeslagregeling, die voor een verdere groei van de vraag zorgde. Er kwamen fusies, schaalvergroting, en een extra managerslaag. De groei en de subsidies trokken grote partijen aan, zoals Amerikaanse investeringsfondsen, die op kostenbesparing waren gericht, financiële trucs op hun organisaties toepasten en ze volhingen met schulden.

‘Je kreeg bedrijven met veel locaties en veel personeel dat tussen locaties heen en weer werd geschoven’, zegt Petra Konings, die in Amsterdam haar eigen crèche Kindercentrum Eigenwijs had. ‘Investeerders

kochten alles op. Je kreeg veel uitzendwerk en wisselingen van personeel, dat na twee of drie tijdelijke contracten weer ergens anders naartoe moest. De emotionele veiligheid van kinderen leed daaronder, maar op papier zag het er allemaal goed uit.’

‘Nederland verkiest om nieuwe verf op het huis te smeren, terwijl het fundament rot is’

Dat veranderde toen na de crisis van 2009/2010 de subsidiekraan werd dichtgedraaid. Veel kinderdagverblijven kwamen acuut in de

problemen. De grote landelijke koepel Estro ging failliet. De druk werd nog vergroot doordat de inspecties in de nasleep van de Amsterdamse zedenzaak rond Robert M. veel strenger werden. ‘Controles op veiligheid zijn heel goed, maar inspecties waren vaak willekeurig en regels gingen vaak om allerlei geneuzel, zoals een handenwasprotocol, terwijl er weinig aandacht was voor pedagogiek en welzijn van het kind. Of de verzorging van kinderen goed in elkaar steekt, wordt niet gecontroleerd’, zegt Konings. ‘Ik begon heel idealistisch met mijn eigen crèche, maar die werd langzaam kapotgemaakt. Die werd opgekocht door een vastgoedontwikkelaar, ik ben blij dat ik weer in loondienst zit.’

Er kwamen meer signalen van lage kwaliteit in de kinderopvang en wetenschappelijke onderzoeken bewezen negatieve effecten ervan op hersenontwikkeling en stressniveau bij baby’s in hun eerste jaar. In 2018 werd de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang aangenomen. ‘Men realiseerde zich kennelijk dat de wet van 2004 geen goede kwaliteit opleverde’, zegt Elin Karlsson van Buitenkans. ‘Maar wat gebeurde er: de kwaliteit werd zogenaamd verhoogd door extra cursussen te eisen van personeel. Niet in de beroepsopleiding, maar bij cursustrajecten die heel toevallig werden aangeboden door de grote partijen die met de minister mochten meedenken over de nieuwe wet.’

‘Kwaliteit komt natuurlijk niet bij een verplicht papiertje vandaan’, vindt Karlsson. ‘Als je betere kwaliteit wil, moet je kinderopvang benaderen als pedagogische instelling en niet als arbeidsmarktvoorziening. Iedereen weet wat kwaliteit betekent: meer personeel, betere opleiding, betere ruimtes, meer speciale voorzieningen. Maar Nederland kiest er steeds voor om nieuwe verf op het huis te smeren, terwijl het fundament rot is. Kinderopvang is er niet voor kinderen, maar voor ouders. Het is opgezet om ondernemers met zo weinig mogelijk personeel, zo weinig mogelijk vaste krachten en zo weinig mogelijk ruimte zoveel mogelijk kinderen te laten opvangen.’

Bij sollicitaties heeft Karlsson soms personeelsleden van grote kinderopvangketens huilend op de bank zitten. ‘Ze kunnen niet pedagogisch verantwoord werken. En dat doen we zelf, de sector, terwijl de overheid het rookgordijn ophoudt. Gelukkig kun je nog altijd je eigen ding doen als ondernemer: als je slim bent, oogkleppen opzet en het je niet aantrekt.’

Ze pakt een kleurige folder waarin twee stralende managers cursussen aanbieden onder een tekst over liefde voor kinderen en kwaliteit. ‘Deze mensen verdienen er goed aan. Ach, prima voor hen.