De cricketcultus

Ze duren eindeloos lang, zijn makkelijk te volgen, hebben een open einde en kennen veel personages. Soap opera’s? Nee, cricketwedstrijden, de luie passie van de Britten.
HET GANGPAD van de metrowagon op de Londense Jubilee Line staat vol koelboxen, die bij de halte St. John’s Wood worden opgetild door mannen met witte hoeden. De standaardinhoud van zo'n overlevingspakket: keurig in driehoekjes gesneden sandwiches, kippebouten, chips met azijnsmaak, donuts, suikerzakjes, bier, witte wijn of cider, een thermosfles sterke thee en niet te vergeten de melk. In de schoudertas zitten dan nog een verrekijker, pennen, een lineaal, notitieboekjes, een opblaasbaar zitkussen, The Daily Telegraph, eventueel een rekenmachine en als de vrouw mee is, een puzzelboekje, een bolletje wol en breinaalden. Vakantie? Nee, een dagje test cricket op Lord’s, het Mekka van deze sport. Elke zomer stromen duizenden Engelsen naar de stadions en kijken miljoenen naar de televisie om deze intellectuele soap te volgen.

Begin jaren tachtig schreef de Amerikaanse feministe Tania Modelski het artikel The Rhythm of Reception: Daytime Television and Woman’s Work over de vrouwelijke voorliefde voor soap opera’s. Het zou interessant zijn in Engeland een dergelijk onderzoek te verrichten naar de intense aandacht die vooral mannen hebben voor het schier eindeloos durende cricket. Soms ontdekken fanatieke cricketliefhebbers in oktober dat hun vrouw in mei het huis heeft verlaten. De vergelijking tussen Coronation Street en een testmatch is zo gek niet. Beide programma’s zijn (voor Engelsen) makkelijk te volgen, hebben doorgaans een open einde, kennen veel verschillende acteurs en bezitten een grote hoeveelheid aan verhaallijnen, thema’s, motieven en plots. Aan het einde van een episode is iedereen benieuwd hoe het de volgende dag verder zal gaan. En de dag erna.
DE WORTELS van deze intellectuele soap liggen ergens in de zestiende eeuw op de landgoederen rondom Londen, waar de kinderen van boeren en tuinmannen dit toen nog simpele balspel speelden. Later kregen ze gezelschap van hun vaders, hetgeen de aandacht trok van de aristocraten die hun politieke macht langzamerhand zagen afnemen en die de rust van het platteland verkozen boven het grote-stadsleven. Het ontspannen balspel, waarin een maximum aan opwinding bleek samen te gaan met een minimum aan gevaar, paste voortreffelijk bij hun bestaan en het duurde niet lang voordat de hertog van Norfolk en de graaf van Winchelsea bat en bal oppakten. Kijkend naar dit samengaan van de klassen, opperde de Britse historicus G./M. Trevelyan dat als de Franse aristocraten een dergelijke sociale houding hadden aangenomen jegens hun onderdanen, hun kastelen niet zo snel in vlammen waren opgegaan.
In het victoriaanse Engeland was cricket een goedkoop en leuk middel om de sociale stabiliteit te handhaven. Waar sporten als rugby, tennis, polo en zelfs voetbal klassegebonden zijn, is cricket altijd het national game geweest. Het mooiste voorbeeld is de mythevorming rond W./G. Grace, de beste slagman aller tijden. Voor de werkende klasse was hij eind vorige eeuw een volksheld, terwijl hij op de kostscholen gold als model.
De eenheid der klassen was echter voor een deel schijn. Tot 1962 maakte de cricketbond een officieel onderscheid tussen gentlemen (de hooggeboren amateurs) en players (de professionals, die het zich niet konden veroorloven voor niets te spelen). Al de voorgaande jaren was er, gezien de gescheiden kleedkamers en lunches, sprake van een veredeld playing apart together.
Tegenwoordig zijn alle spelers op het hoogste niveau professionals, die spelen om het publiek te vermaken en om te verdienen. Wat dat betreft zijn de amateurs de ware cricketers, want als kunstenaar ziet de cricketer zijn kunstwerk van oudsher niet als middel tot een doel, maar als een doel op zich. De ruim zes miljoen amateurs zorgen ervoor dat het op zomerse avonden wegens rondvliegende ballen gevaarlijk is door het Londense Battersea Park te wandelen en dat op zondagmorgen in nagenoeg elk dorp het geluid van de kerktoren gepaard gaat met ‘the quiet sound of the cricket bats: pick, pack, pock, puck: like drops of water in a fountain falling softly in the brimming bowl’, zoals James Joyce het omschreef in A Portrait of the Artist as a Young Man.
GEZIEN DE fascinatie van de Engelsen voor al wat groen is, heeft een op gras gespeelde sport in Engeland een grote kans om populair te worden. Het is geen toeval dat Wimbledon een grastoernooi is, dat croquet op Hurlingdon een onmisbaar deel is van the season, dat East-Sussex in feite een groot, door wegen gespleten golfterrein is en dat een spel waarbij honden schapen bijeen moeten drijven, als sport wordt gezien. Als typisch Engels produkt was cricket volgens het Political and Economic Planning Report uit 1956 'niet geschikt voor export en kan het alleen bestaan in landen waar Engelsen zijn geweest’. In de West-Indies bijvoorbeeld. Maar hoe spectaculair en effectief de bent-arm wizards ook spelen met hun strakke, keiharde worpen, de meeste Engelsen beschouwen hun agressieve benadering als verarming van de extreem gestileerde sport, waarin uiterste controle en discipline voorop horen te staan.
De televisie heeft cricket populairder gemaakt dan het al was. Voor de BBC (en in de winter Sky Sport) is het een middel om veel kijkers te lokken. De wedstrijden worden becommentarieerd door vijf oud-spe lers, die familiaar - 'Good morning Richie, good morning everybody’ - met elkaar babbelen en daarmee een belangrijk deel uitmaken van de uitzending. Liefst spreken de heren in understatements: zo kan een fout van een van de spelers onder de aandacht van de kijker gebracht worden met de opmerking 'I’m not so sure that was right.’
Zo'n uitzending begint steevast met een pitch control door Geoffrey Boycott. Getooid met hoed wandelt deze oud-international daarvoor naar het wicket om met zijn autosleutels dit kale stukje veld op haar hardheid te testen. Nauwkeurig wijst hij de sterke en zwakke plekken aan, om vervolgens met een onvervalst Yorkshire-accent te melden dat de pitch 'classic true fast’ of 'absolutely plump’ of 'spitefully uneven’ is. De geoefende kijker vertaalt deze codetaal gemakkelijk in de te verwachten score. Terwijl de wedstrijd voortmeandert, speelt het veldthema een belangrijke rol, want gedurende de dag kan een veld langzamer of sneller worden.
Andere subthema’s en verhaallijnen zijn de leeftijd van de bal, het weer, de mogelijke veldopstellingen en vooral de statistieken. De commentatoren zijn dol op constateringen als 'Saurav Ganguly is de eerste Indiase speler die tijdens een debuut tegen Engeland op Lord’s meer dan honderd runs heeft gemaakt’, waarna een daarmee samenhangende top-tien in beeld komt en een der commentatoren zich nog goed weet te herinneren dat Wally Hammond in 1937… et cetera.
Ondertussen ziet de kijker beelden van de omgeving - tussen twee worpen zit al gauw veertig seconden - of van bekende mensen op de tribune, zoals Mick Jagger, Paul McCartney en John Cleese. Aan het einde van de dag dommelen sommige toeschouwers publiekelijk in. Logisch. De bedachtzame snelheid van het cricket doet, net als vissen, de toeschouwer denken aan hoe het leven zal zijn als we gestorven zijn.
Gelukkig voor de commentatoren is cricket als geen andere sport vatbaar voor tradities, absurde verhalen en legendes. Zo heeft umpire (scheidsrechter) David Shepherd de gewoonte om te gaan huppelen als de score op 111, 222 of 333 staat. En onlangs maakte de Nasa bekend dat enkele professoren in de aerodynamica op verzoek van de Test and County Cricket Board gaan onderzoeken of de bal meer swingt bij hoge luchtdruk, een heikele vraag die nog nooit beantwoord is.
De mooiste legende betreft de wedstrijd der wedstrijden tussen Engeland en Australie, die om de drie jaar een jaar lang spelen om The Ashes, de asresten van de wickets die enkele Engelse spelers eind vorige eeuw verbrandden na een nederlaag tegen Australie. Het winnen van testmatches tegen het moederland heeft volgens sociale wetenschappers een grote rol gespeeld in het volwassen worden van de voormalige strafkolonie.
ZOALS ELKE soap kent ook het Engelse cricket haar intriges. In kamer dertien van de Royal Courts of Justice aan de Londense Strand speelt al weken een opzienbarend smaadproces tussen de ex-topspelers Ian Botham en Imran Kahn. De charismatische volksheld Botham, bekend ook als panellid in BBC’s Question of Sport, had de Pakistaanse aanvoerder beschuldigd van het manipuleren van de bal. Met een scherp voorwerp als een flessendop kan een speler de naad van de bal uitrekken zodat deze meer effect krijgt. Kahn, die het premierschap van zijn land ambieert, zei dat alle topspelers dit doen en dat het een alom geaccepteerde manier van (vals)spelen is. In een Indiase krant voegde hij eraan toe dat Botham racistisch, dom en onopgevoed was. Bovendien ontbrak het hem aan klasse. Via de rechter eist Botham een excuus van Kahn. Zodoende verdiepen twee dure advocaten alsmede Lord Justice French zich in stapels cricketliteratuur, kijken ze in de krappe rechtszaal naar cricketbeelden en hebben ze de bal aan alle kanten bestudeerd.
Van een andere, minder persoonlijke or de is de stille strijd binnen de cricketwereld tussen een traditioneel en een modernistisch kamp. Er bestaan namelijk twee hoofdsoorten cricket: meerdaagse en eendaagse wedstrijden. De puristen hebben een broertje dood aan deze laatste, voor de commercie aantrekkelijke tak. Hogerhuislid en cricketliefhebber Lord William Rees- Mogg beschreef de eendaagse wedstrijden vinnig: 'Deze worden gespeeld in gekleurde pyjama’s en zijn gespeend van de traditionele elegantie. Het is kortom de reductie van een shakespeariaans drama tot een stripcartoon met in de ballonnetjes teksten als “Hi Hamlet. I’m your dad’s spirit.”’
Bij het authentieke, meerdaagse cricket staan zorgvuldigheid en subtiliteit centraal en zijn de regels anders, maar ook om het veld hangt een andere sfeer. Het publiek bij de eendaagse wedstrijden lijkt soms regelrecht afkomstig van de voetbaltribunes. Voor de cricketliefhebber die op of naast de tribunes kalm wil picknicken is dat een nachtmerrie. De zondagse rust die rond een cricketwedstrijd hoort te hangen, is het meest aanwezig in Canterbury waar de county Kent het merendeel van haar thuiswedstrijden speelt. Naast het veld, waarop een eik staat, is een iets hoger gelegen veld waar voor alle picknickkleden ruimte is.
Dit georganiseerde luieren was (en is) voor vele geletterden een bron van inspiratie. Charles Dickens schreef in zijn Pickwick Papers vol genoegen over de homerische cricketslag tussen Dingley Bell en Quanko Samba. George Orwell was beduidend minder positief over een sport 'waarbij vorm en stijl hoger worden gewaardeerd dan succes’. Volgens de wat conservatievere Evelyn Waugh is het met goede kennis van de bijbel, Shakespeare en het cricket-standaardwerk Wisden onmogelijk om grote dwalingen te maken. Behalve bij genoemde schrijvers komt cricket ook voor in werken van onder andere Lord Byron, William Wordsworth, Harold Pinter, George Bernard Shaw, Dylan Thomas en Arthur Conan Doyle.
Zelf spelen is een tweede. In zijn autobiografie bekende de filosoof John Stewart Mill dat hij op school nooit meespeelde en dus nooit een echte jongen was. Oscar Wilde speelde niet omdat hij anders zulke 'onfatsoenlijke houdingen zou moeten aannemen’. Zijn landgenoot Samuel Beckett had minder last van ijdelheid en speelde zelfs voor het Ierse nationale team.
UITERAARD IS OOK deze soap een gewillig object van satire en zelfspot. In Punch stond ooit een tekening waarop Duitse bommenwerpers tijdens de oorlog over een cricketveld vliegen. De Duitsers kijken verbaasd omlaag en een van hen zegt: 'Moet je eens kijken. De Engelsen zijn helemaal in de war. Ze lopen nu rondjes heen en weer…’ Monty Python’s Flying Circus en hun Nederlandse broertje Jiskefet drijven eveneens af en toe de spot met deze sport, die als geen andere de eigenschappen van Engeland weerspiegelt. Voor de Engelsen, niet echt een spiritueel volk, is het handig om een bezigheid te hebben die te maken heeft met zoiets ongrijpbaars als de eeuwigheid. Niet voor niets beweerde de historicus Neville Cardus begin deze eeuw dat het veel meer is dan een spel: 'Als alles behalve cricket in dit land verloren gaat, zou het mogelijk zijn via de theorie en de praktijk van het cricket alles in het land, tot en met de wetten, weer op te bouwen.’
In ieder geval is de plaats waar de kerk staat in een gemiddeld plattelandsdorpje precies terug te vinden: naast het lokale cricketveld.
De regels van het spel
Cricket wordt gespeeld door twee elftallen. De veldpartij valt het wicket aan, dat door de slagmensen van de andere partij wordt verdedigd. Het wicket in engere zin bestaat uit drie paaltjes (stumps) waarop twee houtjes (bails) liggen. Krijgt de werper (bowler) het wicket om, dan is de slagman (batsman) uit.
Er zijn meer manieren om uit te gaan. De veldpartij kan de door de batsman geslagen bal vangen. De bal kan tegen de scheenbeschermer (pat) aankomen. Als de scheidsrechter (umpire) van oordeel is dat de bal het wicket zou hebben geraakt, dan geeft hij de batsman uit. Protesteren is nadrukkelijk verboden. Een andere mogelijkheid is een run out. Iedere keer zijn twee mensen aan slag, er zijn dan ook twee wickets. Als de slag voldoende precisie of kracht bezit, gaan beide slagmensen heen en weer rennen, om zodoende runs te scoren. Is de bal terug bij het wicket voordat de batsman er is, dan kan een speler van de veldpartij het wicket omgooien. De batsman die naar dit gevallen wicket op weg was, is dan uit. Hiernaast zijn er nog zeker zes manieren om uit te gaan. Mocht de bal over het touw (boundary) dat het veld omgeeft rollen, dan hoeven ze niet te rennen en krijgt de batsman die de bal sloeg vier runs. Vliegt de bal over de boundary zonder eerst de grond te raken, dan zijn dat er zes. Als tien spelers uit zijn (altijd blijft er een batsman not out), komt de andere partij aan slag. Een behoorlijke slagbeurt (innings) duurt zo'n acht uur of 120 overs. Een over is een serie van zes geworpen ballen. Als een bowler een over heeft volbracht, gaat een collega verder. Meestal om en om. Meestal heeft een elftal vier a vijf specialistische bowlers, en vijf specialistische batsmen. Daarnaast is er vaak een all-rounder en altijd is er een wicketkeeper. Een testmatch duurt vijf dagen, waarin elk team twee innings speelt.
Een voorbeeld: team A behaalt in zijn eerste innings 350 runs (meestal een redelijke score) en team B komt tot 340. Team A sluit zijn twee innings op 400. Nu heeft team B in zijn tweede innings 411 runs nodig om te winnen. Maar tegen die tijd kunnen alle batsmen al uit zijn. Dan wint team A. Het kan ook zijn dat team B aan het einde van de vijfde dag het aantal nog niet bereikt heeft, maar nog wel mensen aan slag heeft. In dat geval is het een onbesliste wedstrijd (draw). Ook bij overvloedige regenval eindigen veel wedstrijden in een gelijkspel. Mede daarom spelen de twee teams een serie van drie a zes wedstrijden. De hele zomer of winter dus.
Deze zomer speelt Engeland drie wedstrijden tegen India (1-0 voor Engeland) en drie tegen Pakistan (tussenstand: 1-0 voor Pakistan). Hiermee zijn drie landen genoemd die op testniveau (het hoogste niveau) acteren. De anderen zijn: Australie, Zuid-Afrika, Nieuw- Zeeland, Zimbabwe, Sri Lanka en de voormalige Westindische kolonien. Het is niet te zeggen welk land kampioen is in het test cricket, aangezien er geen competitie bestaat. Momenteel heeft Australie waarschijnlijk het sterkste team.
De verschillen met honkbal zijn groot. Zo heeft cricket veel meer veldposities, zijn er meer manieren om de bal te werpen en gebeurt dat vaak met een hogere snelheid. Een goede fast bowler kan de bal een vaart van 146 km per uur geven. Boven alles duurt cricket langer.