H.J.A. HOFLAND

De crisis

De prijzen van brandstof en voedsel blijven stijgen, meer speculanten worden steeds rijker, inflatie dreigt, op de grondstoffenmarkt zijn de nieuwe giganten China en India verschenen en ze gaan niet meer weg. Nu heeft ook de G8 gewaarschuwd. Staan we aan het begin van een versneld en pijnlijk pro-ces van aanpassing aan een nieuwe schaarste of gaan we een nieuwe grote crisis tegemoet? Aan ana-lyses geen gebrek, maar niemand weet het.
In 1973 en in 1978 heeft het Westen een oliecrisis doorstaan, eind jaren negentig barstte de zeepbel van internet. Dat waren zware economische schokken, maar de politieke structuur werd er niet wezenlijk door aangetast. Dat is alleen in 1929 gebeurd. Op de grote beurskrach volgde de depressie van de ja-ren dertig. Mede daaraan hebben de nazi’s hun opkomst te danken. Door de nederlaag in 1918, het Verdrag van Versailles, de verplichting tot enorme herstelbetalingen en de hyperinflatie in de jaren twin-tig was het Duitse politieke systeem al ontwricht. De burgerlijke maatschappij, niet alleen in Duitsland, vreesde het rode gevaar.
In 1933 verscheen Hitler. We zijn geneigd het te vergeten, maar zeker in de eerste jaren van het nazisti-sche bewind is hij door miljoenen als held en redder beschouwd. In Het fascisme en de nieuwe vrijheid waarschuwt Jacques de Kadt dat het niet voldoende is dit rechts-radicalisme te ‘verwerpen’. Om het te bestrijden moeten we de oorzaken van het succes onderzoeken en ontdekken wat er ‘gezond en sterk’ aan is. Later, in Kanttekeningen bij Hitler, volgt Sebastian Haffner dezelfde redenering bij zijn verklaring van het aanvankelijke succes van het nazisme. Overigens schreef De Kadt, na de Statenverkiezingen van 1935 (acht procent voor de NSB): ‘Het Nederlands fascisme is zo plat, het is zo zeer een beweging van wanhopige en wild geworden winkeliers, van verbitterde kantoorjongens en -meisjes, van studenten met onvoldoende of te weinig zakgeld, van meneren met slechte zaken en van mevrouwen zonder dienstboden, dat het geen enkel fatsoenlijk mens, ook zelfs maar tijdelijk, tot zich trekken kan.’
Tot zo ver de jaren dertig. Gesteld dat ons nu een lange en diepe crisis boven het hoofd hangt, is de democratie dan bestand tegen radicale aanvallen van rechts of van links? Is er enige overeenkomst tus-sen onze samenleving en die van een jaar of tachtig geleden? Om te beginnen is de politieke structuur van het oude bestel in toenemende mate in diskrediet geraakt. Het poldermodel is niet ten onder gegaan als gevolg van een economische crisis, armoede, werkloosheid. Uit enquêtes blijkt dat de Nederlander in de nadagen van Paars ‘fluitend naar zijn werk ging’, zich als een gelukkig mens beschouwde. Maar als kiezer was hij een ander individu geworden. Het oude bestel met zijn gesloten consensus en bijbe-horende bureaucratie paste niet meer bij hem. Het had, zoals Hans Wijers het toen uitdrukte, zijn uiter-ste houdbaarheidsdatum overleefd. Dat had Pim Fortuyn begrepen. Toen kwam de opstand der burgers, die door gebrek aan bekwaam personeel reddeloos vastliep. Ik denk dat als Fortuyn niet was vermoord, het resultaat niet veel anders was geweest.
Zes jaar later is er wat dit aangaat in politiek Den Haag niet veel verbeterd. Nergens ter wereld wordt zo ingewikkeld gesproken als daar. Het is een taalkundige ziekte. Maar intussen is het kiezersvolk wel ver-der veranderd. Het politieke midden is aan het verdwijnen. Een van de oorzaken is misschien dat er geen klassenmaatschappij in de oude betekenis meer is. Die is langzamerhand ondergegaan in het consumentisme en de televisiecultuur. Meer en meer kiezers worden nu verenigd in hun afkeer van on-ze bestuurders, die er niet in slagen de files op te lossen en ervan worden verdacht de ‘islamisering’ te bagatelliseren. Rita Verdonk en Geert Wilders spreken de taal van Fortuyn, het enige politieke Neder-lands dat door de ontevredenen en de miskenden wordt begrepen. En onderschat de sluimerende haat niet. Bloggers, schrijvers van ingezonden brieven, de media van nieuw rechts, bij elkaar vormen ze een koor van afkeer tot loeiende haat.
Wat zou er gebeuren als onder deze omstandigheden een diepe economische crisis uitbreekt? Als de consument de benzine voor zijn auto niet meer kan betalen, als honderdduizenden ontslagen worden, als dan – houd rekening met het zwartste scenario – bij een voetbalwedstrijd een terrorist een bom laat ontploffen? (Denk aan de brand in de Rijksdag.)
Sinds Fortuyn verscheen is Nederland gestaag naar rechts aan het radicaliseren. Trots op Nederland en de PVV groeien, zonder dat duidelijk is welke programma’s ze voor het herstel van de natie hebben. Het oude bestel stommelt onduidelijk verder. Komt er een grote economische crisis, dan wordt het wegge-vaagd.