De crisis

Op maandagmorgen ga ik geld pinnen, er staan een paar mensen bij de geldautomaat. Een van hen wijst op een bord dat naast de automaat is opgehangen: Heden Geen Geld , staat er met forse onbeholpen letters op.

Een dikke enigszins zenuwachtige man komt op me af, hij gedraagt zich als iemand die verboden literatuur aan de man wil brengen. ‘Heeft u misschien 20 euro voor me,’ zeg hij, ‘ik moet even iets kopen. Morgen krijgt u het terug’. Hij overhandigt me een visitekaartje. Drs. P van der Meer, Tuinbouw, staat er, plus een adres en telefoonnummer. ‘Ik heb zelf geld nodig’, zeg ik. Ik maak aanstalten door te lopen, dan maar naar een andere geldautomaat, die is iets verder weg maar nog altijd goed te belopen. Er komt een vrouw van een jaar of vijftig bij ons staan, ze draagt een lange zwarte jas en heeft rode oorbellen in haar oren. ‘Die man heeft het echt nodig’, zegt ze dwingend, ‘u heeft vast wel 20 euro’. ‘Tien mag ook’, zegt de Heer van der Meer. ‘Misschien komt hier straks weer geld’, zeg ik vaag, `en als u even doorloopt dan is om de hoek bij de eerste straat rechts ook een pinautomaat’. De twee kijken me verwijtend aan. Ik blijf nog even staan omdat ik niet onbeleefd wil lijken en loop dan in de richting van de pinautomaat om de hoek. ‘Ik ga er weer vandoor’, zeg ik. ‘Vuile egoïst’, roept de vrouw me achterna. Ook bij de automaat om de hoek hangt een bordje: Heden geen Geld. Er staat een man of tien te wachten, waarop is onduidelijk. ‘Misschien zou hier nog geld komen’, zegt een jongeman tegen me. Er zit niets anders op om naar het postkantoor te gaan en daar te pinnen. ‘Heeft u nog geld’? vraagt de jongeman. ‘Niet veel meer’, zeg ik.

Bij het postkantoor staat een kleine menigte. De stemming is bedrukt. Een vrouwelijke beambte deelt een stencil uit. “Heden geen geld”, staat er, “misschien morgen weer”. ‘Maar je kunt toch wel een cheque innen’, zeg ik tegen de jonge vrouw naast me, ze heeft een schreeuwend kind op haar arm. ‘Er is helemaal geen geld’, zegt ze, ‘ het was ineens op hoorde ik.’ Ik loop tussen de menigte heen en weer, wachtend op wat komen gaat, maar er komt niets. Ik heb nog hoogstens vijf euro, er moet gauw geld komen. De jonge vrouw met het kind tikt me op mijn schouder en zegt dat de rijken vast en zeker nog genoeg geld hebben. ‘Die hebben het allemaal op de bank staan’, zeg ik, ‘daar kunnen ze nu dus niks mee, het geld is blijkbaar op, misschien is het allemaal uitgeleend.’ Ik vraag me af waarom ik ineens de rijken verdedig. Een smalle man met een klein hoedje op houdt me staande. ‘Ik heb nog vijftig euro’, zegt hij, ‘die kunt u krijgen voor uw dvd apparaat plus uw driedelig bankstel’. We worden het eens op het dvd apparaat plus de tweezitbank en twintig jazz cd’s naar keuze. Hij loopt met me mee naar huis om vast uit te zoeken. Bij de buren staat een verhuiswagen. Twee mannen in stofjassen dragen het meubilair naar buiten. Mijn buurman kijkt opgewekt toe. ‘Ik had een mazzeltje’ zegt hij, ‘in Antwerpen krijg ik voor de hele rotzooi vijftig euro, zelf brengen. Kan ik je auto even lenen?`